Books are inherently good
We zijn op weg naar Valencia Street, in Mission, een gemengde en zoals dat heet kleurrijke wijk van San Francisco waar je volgens onze reisgids ‘alternatieve’ winkeltjes kunt vinden en veel gay/lesbian artiesten hun domicilie hebben. We zijn al een paar dagen in de stad en weten zo ongeveer in welke wijken je als toerist wel en niet moet komen. Eergisteren nog dachten we een kortere weg naar ons hotel te kunnen vinden en we liepen dus vanaf Marketstreet, dit is een grote, drukke straat die dwars door San Francisco loopt, de Turkstreet in. Ineens de vreemde stilte van dichtgetimmerde huizen, krotwoningen, lege flatgebouwen. Er stonden plotseling veel zwarte hangjongeren in lange truien en zwarte leren jasjes op straat en in portieken die ons bekeken en nariepen als waren wij naaktlopers op een strand voor jehovagetuigen. Weinig verkeer, neergelaten rolluiken, een drankzaak, lege plekken met kippengaas eromheen, kale muren, weer lege plekken, opwaaiend vuil, kortom alle ingrediënten van een gemiddeld Amerikaans getto. Je moet het hier even weten en dan valt het mee, maar we wisten het nog niet, al gebeurde er verder weinig bijzonders. Later lazen we in de hotelkamer dat je precies in die wijk beter niet kunt komen. Maar Valencia Street is okay, zo lijkt het, hij ligt meer up town zoals ze dat hier noemen, dus verder weg van het centrum, het is een zijstraat van Marketstreet en hij is zeker een paar mijl lang. Op nummer 826 bevindt zich het redactiekantoor van “The Believer”, een nu al fameus tijdschrift voor kunst, filosofie en literatuur, dat sinds maart 2003 bestaat en waarop ik vanaf het derde nummer uit juni 2003 geabonneerd ben.

verrassend
Dat nummer was een verrassing, het zag er prachtig uit, kleurrijk, vrolijk, met wonderlijke illustraties en een misschien nog wonderlijker lay-out. De rug van het omslag bevatte de tekst ‘All is well’ en het nummer telde zeker vier artikelen die ik onmiddellijk las: een essay van Jyoti Thottam over metaforen die schrijvers voor besmettelijke ziektes gebruiken, een stuk over de aantrekkingskracht op schrijvers en dichters van grote stads ruïnes, een hilarisch artikel over de terugkeer van de ‘weepie’( films om bij te huilen) en een uitvoerig interview met Richard Rorty. Plus nog een vrolijk artikel van Tom Bissell: ‘Americans are all simulations, according to Baudrillard, Virginia Woolf, and the Nazis.’ En alle volgende nummers bleken even interessant, geestig, betrokken en zeer informatief. Je moest wel gek zijn als je je hier nìet op abonneerde. Zo’n blad kan dus wèl, al zou je dat niet zeggen wanneer je de Nederlandse bladen in dit genre bekijkt, voor zover ze er zijn. De bladen die hier verschijnen, zoals Metropolis M, Filosofie Magazine en literaire bladen als De Gids, De Revisor en Raster bevatten gewoonlijk plechtige artikelen waarin op plechtige wijze kunst, filosofie en literatuur nog verder worden gemythologiseerd dan ze toch al waren. Of waarin men met alle macht mee wil doen met ‘het actuele debat’, dat vreemd genoeg iedere drie maanden weer over iets anders gaat.

afspraak
Een tijdje geleden geleden e-mailde ik een bericht naar de redactie van “The Believer” dat ik eind mei, begin juni van plan was een weekje in San Francisco door te brengen (‘for a holiday’), dat ik een bewonderaar van hun blad was (‘I am a great admirer of your magazine’), dat ik artikelen schreef voor De Groene Amsterdammer (‘which is a widely spread weekly magazine in The Netherlands’) en of ik een interview mocht afnemen. Een paar dagen later kreeg ik een mailtje van Andrew Leland, managing editor van “The Believer” dat hem dit een prima idee leek (‘ I am looking forward to your visit’) en waarin hij voorstelde om vlak voor ik naar Amerika vertrok een precieze afspraak te maken. En dus maakten we maanden later die afspraak: maandagmorgen 24 mei om 12 uur in 826 Valencia Street. Managing editor, mij leek dit, zeker in Amerika, een begerenswaardige baan: je belt vanuit een glazen kantoor, ergens op de 34e verdieping, de hele dag schrijvers of hun stuk er al bijna is en je moet vaak op reis naar Florida en New York om je contacten nader aan te halen en in de juiste restaurants een hapje met belangrijke mensen te eten (op kosten van de zaak). Ik merkte dat ik van “The Believer” een enigszins overspannen verwachtingspatroon begon te ontwikkelen, ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik op een of andere manier al jarenlang de boot had gemist en nu eindelijk mijn bestemming gevonden had. De nummers bevatten vrijwel allemaal artikelen rond thema’s die je niet snel zou verwachten. Ze zijn vaak geschreven op de verbaasde toon van mensen die iets nieuws ontdekken en daarover zo snel mogelijk anderen willen informeren en ze trekken zich weinig aan van vaste denkpatronen waar we hier nogal snel last van hebben. Dus gaat het bijvoorbeeld nooit over ‘de dood van de kunst’ of de ‘nieuwe literaire avantgarde’ die zojuist in Noord- Engeland, of anders wel Rusland, ontdekt zou zijn, of over kunst die zich meer zou moeten engageren, of over het einde van de filosofie die nu binnenkort dank zij het nieuwste werk van Alain Badiou (nieuwe held) zal aanbreken. Maar wel bevatten ze uitvoerige artikelen met bijvoorbeeld een interpretatie van de roman “Black Beauty” van Anna Sewell, of over de komiek Jerry Lewis, of over hoe je met ‘onbegrijpelijke’ poëzie om moet gaan, over de vele boeken met cursussen hoe je een succesvolle schrijver kan worden, of een uitvoerige discussie over “The Underground Literary Alliance”, een groep jonge Amerikaanse schrijvers die stevig aan de poten zaagt van gerenommeerde veelschrijvers als Philip Roth en Jonathan Frantzen, of artikelen over de grote nadelen van een succesvol debuut (compleet met cijfers) en over Matthijs van Boxtels “Encyclopedia of Stupidity”. En niet te vergeten de uitvoerige interviews met mensen als Simon Stratchley, Pat Benatar, Ice Cube, Tracy Emin, Shirin Neshat en David Forster Wallace.

eigen toon en stijl
Dit blad verschilt in veel opzichten van andere Amerikaanse bladen op dit gebied. Men moet zich over het literaire leven in Amerika overigens niet vergissen: veel grote steden kennen een actief literair circuit en overal verschijnen literaire bladen. Alleen al in Minneapolis komen bijvoorbeeld twee goed verzorgde bladen uit over literatuur: “Rain Taxi” en “Ruminator Review”. Ze staan allebei iedere keer vol met besprekingen, beschouwingen en verhalen over hoofdzakelijk Amerikaanse schrijvers, maar ook Europeanen komen aan de beurt. In Berkeley, vlak bij San Francisco, verschijnt twee keer per jaar het krantachtige “Poetry Flash”, ‘a Poetry Review & Literary Calendar for the West’. Uit Ann Arbor (Michigan) stamt het veel gelezen “Poets & Writers” (twee maandelijks) dat de vorm heeft van een goed verzorgd magazine. En dan is dit nog maar het topje van de ijsberg: literatuur in Amerika leeft volop. Alle grotere boekwinkels hebben stands waar je bladen over literatuur (en kunst en filosofie) kunt kopen. Maar “The Believer” is een vreemde eend in de bijt. Het lijkt op geen van de al bestaande bladen, het bevat geen advertenties, geen opsommingen van subsidiegevers en leden van de ‘Board of Directors’, het bevat nauwelijks poëzie of literair proza, het bevat nauwelijks besprekingen van literair of filosofisch werk, vaak zijn de artikelen bijna onbeleefd lang, er zijn geen mededelingen over wat er allemaal op literair, filosofisch of kunstgebied gebeurt. Het is vrolijk, onrancuneus, niet wegwerpend of laatdunkend ironisch, het is er niet op gericht anderen de grond in te stampen. Hoe krijgen ze dit allemaal voor elkaar? Dit blad moet óf gevestigd zijn in een kerkgebouw voor op latere leeftijd bekeerde aanhangers van een nieuwe godsdienstige sekte óf in een twintig verdiepingen tellend kantoorgebouw waar men nu al plannen maakt om per 1 januari naar de beurs te gaan.
Maar 826 Valencia Street is een twee verdiepingen tellend pand in een rommelige straat, tussen rommelige winkels, boekenzaken, kralenwinkeltjes, eettentjes, tweedehands kleding en een winkel waar je binnen 24 uur Boeddhist kunt worden. Een pui met een onduidelijke etalage en daarboven een met vreemde plattegronden beschilderde witte buitenmuur. Bij de deur hangt nergens een gouden bordje met in sierlijke krulletters “The Believer” erop, er staat helemaal niks. We kijken door de ruit naar binnen, overal kinderen, er staan oude stoelen, er zijn zithoekjes en er staat dat het vandaag Piratendag is. Is dit een kindercrèche? Omdat we ruim een kwartier te vroeg zijn besluiten we aan de overkant in een hamburger tent een cola te drinken. Hoe zou Andrew Leland eruit zien? We speculeren er flink over: waarschijnlijk op Robert Wilson toen die nog niet wereldberoemd was, of anders op een in driedelig pak gestoken jonge versie van David Bowie. De cola smaakt vreselijk, maar dat kunnen ook de zenuwen zijn.

informeel
Om ongeveer vijf voor twaalf zie ik aan de overkant een jongeman met kort donker haar en een bril naar binnen gaan, iedere gedachte aan een driedelig pak ontbreekt bij hem: hij draagt een spijkerboek met daarover een donkergroen truitje. We wachten tot één minuut voor twaalf en lopen dan naar de overkant, ik hoop dat hij het niet erg vindt wanneer mijn vrouw bij het gesprek blijft, wie weet kan ze me aanvullen. Ik ben niet zo’n geschoold interviewer, ik heb een stel vragen voorbereid, die iedereen wel kan verzinnen: wanneer en hoe is het begonnen, hoe komen jullie aan de stukken, hoe werkt het, hoe krijgen jullie het voor elkaar, waarom doen jullie het zo, hebben jullie ruzies, wat schuift het, wie is de echte baas, hoe groot is de oplage etc. etc. Ik heb een kwarto schrijfblok bij me van de HEMA. Is het toch verstandiger een opname van het gesprek te maken? Ineens weet ik zeker van wel, maar het is nu te laat. Ik heb een artikel bij me dat een maand geleden in “The Guardian” verscheen en waarin Gordon Burn op nogal hoge toon tot de conclusie komt dat de hele Believerclub niet meer omvat dan een soort coterietje dat alles te danken heeft aan Dave Eggers die in 2001 plotseling rijk en beroemd werd met zijn roman “A Heartbreaking Work of Staggering Genius” en die nu alleen zijn vriendjes en vriendinnetjes aan de bak wil laten komen. Raar artikel, dat in Nederland goed in “Privé” zou passen maar dat geen enkele moeite doet preciezer naar de bedoelingen en de geschiedenis van “The Believer “ te kijken en naar wat hun relatie is met het door Dave Eggers opgerichte uitgeversbedrijfje en (internet)tijdschrift McSweeneys. Wie kent wie en wie doet het met wie, dat is de portee van dit flauwe, halfrancuneuze en zelfs overduidelijk jaloerse betoog.

Vendela Vida
We gaan naar binnen. Het is hier rommelig, half donker, de ruimte is verdeeld in allerlei compartimenten met tweede hands stoelen en banken, een soort zithoekjes. De zitting, of wat is het precies, is blijkbaar opgeheven, kinderen van een jaar of 12 lopen naar de uitgang, er zijn allerlei begeleidsters en we geven Andrew Leland een hand (‘So you are mister Hart? How do you like San Francisco?’), het is inderdaad de jonge man die net naar binnen is gegaan. Ongetwijfeld had hij gehoopt op een frisse jonge kerel uit Nederland, nu moet hij het doen met een oudere halfkale zenuwpees met een brilletje op, maar hij laat niets merken. We slagen erin de eerste moeilijke minuten van een kennismaking tussen onbekenden goed door te komen. Hij verontschuldigt zich gelijk voor de rommelige ontvangst, vertelt dat “The Believer” in een klein kamertje boven zit, maar dat ze net aan het verbouwen zijn. Dan wijst hij op een adembenemend gevaarlijk trapje achter me, niet meer dan een ladder, dat steil naar boven loopt. We schieten allemaal in de lach. Dus via die ladder kom je in de redactiezaal? De redactiezaal? Er is helemaal geen redactiezaal, ze hebben boven op de zolderverdieping een klein kamertje, er staat een computer, er is een tafel met wat stoelen en dat is het dan. Ik vraag of ik er even mag kijken, dan maar met gevaar voor eigen leven via dat trapje naar boven, maar Andrew slaagt erin me ervan te overtuigen dat ik daar niks aan heb, er is werkelijk niks te zien, alleen rommel. Ze krijgen binnenkort een iets grotere kamer, die ze ook via een achteringang kunnen bereiken, dan is dat laddertje niet meer nodig. Het is hier te donker om een foto te maken, anders had ik dat laddertje wel voor de eeuwigheid vast willen leggen. Vanuit de achtergrond komt een jonge vrouw bij ons staan, ik had haar al gezien bij wat kinderen en een begeleidster. Andrew stelt ons aan elkaar voor, dit is Vendela Vida, ze is een van de drie redacteuren van “The Believer”, zij is Interview Editor , ze is dus onder andere verantwoordelijk voor de interviews in het blad. Met haar zal ik het gesprek voeren. Ze heeft tamelijk lang halfblond haar, een smal oplettend gezicht, ze is een jaar of dertig. Ik weet dat ze de echtgenote is van Dave Eggers, maar ze slaagt erin dit tijdens het hele gesprek niet aan de orde te laten komen, al komt zijn naam wel ter sprake. Dit neemt me geweldig voor haar in, ze is blijkbaar niet van plan ooit mee te liften op het geweldige succes van haar man. Ze vertelt dat ze familie in Nederland heeft, een oom in Nijkerk, ze heeft een nichtje daar, en dat ze ook een keer bij het Crossing Border festival in Den Haag was, haar enthousiasme erover kun je van haar gezicht aflezen. Wanneer ik vertel dat ik helaas de eerste twee nummers van “ The Believer” mis, gaat Andrew ze onmiddellijk ophalen, ze hebben ze nog in stapels boven liggen. Ze zegt dat Andrew 22 is, een tweede jaars student van de universiteit hier, dat zonder hem “The Believer” nooit iets zou worden, hij doet administratief werk, regelt de afspraken en zorgt ervoor dat de redactie zo rustig mogelijk kan werken. We besluiten het interview in deze ruimte te houden, boven kan het nu niet en ik vind deze omgeving prima. Mijn vrouw mag er natuurlijk bij blijven. Dit hier is een schrijfschool voor volwassenen en kinderen, creative writing, vertelt ze, de begeleiders geven ook schrijfles aan scholen uit de buurt om schrijfplezier te propageren. “The Believer” staat er helemaal los van, ze huren alleen een ruimte boven. De schrijfcursussen zijn gratis, zelf geeft ze ook cursussen op scholen hier in de omgeving. Vandaag was hier een speciale sessie omdat kinderen hun eigen verhalen kwamen voorlezen. Thema: piraten. Het is vrijwilligers werk, sommige ouders en scholen geven wat financiële steun, maar van de overheid hoeven ze verder niets te verwachten: dit is Amerika.

droom
“The Believer” is begonnen als een soort droom van een stel vrienden dat met elkaar van 1993 tot 1995 een MFA-opleiding volgde aan de Columbia University van New York: een graad in Masters of Fine Arts, een tweejarige opleiding in ‘Creative Writing’. Heidi Juvalits, Ed Park en zijzelf dus. Nachtenlang praatten ze met elkaar over een nieuw blad dat opgewekt zou moeten zijn, er zou een dialoog over kunst literatuur en filosofie in gevoerd moeten worden, het moest open zijn, geen restricties kennen, het moest schrijvers en kunstenaars in hun waarde laten, het moest dialogisch van aard zijn en het moest eerder nieuwsgierig zijn dan de indruk wekken al te weten wat er te koop is. Lange tijd speelden ze met het idee om het ooit te beginnen blad “The Optimist” te noemen, maar dat leek toch net iets tè. De naam “The Believer” drukt goed uit wat ze willen, al zijn er nog steeds mensen die denken dat het blad iets met religie te maken heeft. Ze laat me de eerste bladzijde zien van het eerste nummer, ‘Notes about The Believer’: geen uitvoerig statement over kunst (‘wij vinden dat kunst meer blablabla’) maar een korte, puntsgewijze opsomming van een paar startpunten. Er staat onder andere: ‘We will focus on writers and books we like’. ‘We will give people and books the benefit of the doubt’. ‘On this page there was to have been an essay containing talk of the concept of the Inherent Good. Books are inherently good, the essay said, as are people marching to express a political opinion. In this magazine, we will never forget the concept of the Inherent Good’. ‘Interviews will be long and not very timely’. ‘The working title of this magazine was The Optimist.’ Vendela moet er nu nog wat om lachen, maar de uitgangspunten staan nog steeds als een huis, het blad moet uitdrukken dat ze met alle kracht geloven in literatuur, kunst en filosofie, dat het meer dan de moeite waard is daarover te schrijven en van gedachten te wisselen.

inhoud
Het is natuurlijk moeilijk om een blad van de grond te krijgen, maar begin 2003 kregen ze een kans: het (internet)tijdschrift McSweeneys, opgericht door Dave Eggers, bleek bereid de distributie van dit nieuwe blad op zich te nemen. Eggers bedacht de opvallende lay-out en Charles Burns maakt tot nu toe altijd de omslagillustraties. Het blad is goedkoop: een los nummer kost 8 dollar, een abonnement voor 12 nummers is 65 dollar. De driekoppige redactie komt zelden bij elkaar: Heidi Juvalits woont in New York, Ed Parks in Maine en Vendela in San Francisco. Overleg gaat via e-mail en dat werkt uitstekend. Zelf verdienen ze er niks mee, het is vrijwilligerswerk, alleen Andrew kunnen ze een klein salaris betalen. Ze leven van hun eigen werk, Vendela publiceerde tot nu toe twee boeken: “Girls on the Verge”, een bewerking van haar afstudeerscriptie, en de roman “And now you can go”. Het valt erg mee om kwalitatief goede stukken voor het blad te krijgen, schrijvers bieden zich vaak zelf aan, ze vinden het prettig dat hen geen restricties over de lengte van de stukken wordt opgelegd, dat is bij andere bladen wel anders. Maar ze bellen ook schrijvers op. Ze betalen voor de artikelen, maar het gaat niet om reusachtige bedragen, men wil graag voor het blad schrijven. Interviews komen meestal zonder al te veel moeite tot stand, ze laten zich informeren door vrienden, kennissen en andere betrokkenen, of iemand geeft een tip, en nemen dan contact op. Ze vragen interviewers te werken vanuit betrokkenheid met de geïnterviewden. Geen pogingen mensen in diskrediet te brengen of in een val te laten lopen, ze willen iedereen respectvol benaderen en in hun waarde laten. Op die manier slagen ze er in zeer diverse kunstenaars mee te laten werken. “The Believer” wil de zaken toegankelijk maken voor de lezer, zonder wegwerpend of populair te zijn. Nieuwsgierigheid, dat is belangrijk. Discussies over Heidegger (bijvoorbeeld in het interview met de filosofe Silvia Benso) worden niet weergegeven in Heideggeriaans jargon, of ingeleid met oeverloze toelichtingen, maar zo dat een lezer weet wat er aan de hand is. Men probeert academische taal te vermijden maar wil de lezer wel informeren over wat er zoal links en rechts speelt. Het gaat erom niet alleen de geïnterviewde te respecteren, maar ook de lezer. Ze nemen stukken op van ‘gewone’ lezers, zo is er een (fraaie) reeks over Amerikaanse motels, die uiteraard geïnspireerd is op de beschrijvingen van Nabokov in “Lolita”. Maar ook bijdragen van lezers over gewone belevenissen en mensen worden geplaatst, al moet je wel uitkijken dat dit soort bijdragen niet te grappig willen zijn. ‘These story’s have to talk for themselves, the fun should be in the story”, zegt Vendela, waarmee ze zo tussen neus en lippen door ongeveer 85% van de Nederlandse literatuur naar de prullenmand verwijst. Zelf maakt ze voor ieder nummer lijstjes waarin ze zich uitleeft op vreemde invalshoeken over literatuur, politiek, muziek en kunst. Bijvoorbeeld in het vierde nummer een ‘representation of incarceration’ (inkerkering), met opsommingen van memoires, films en boeken over gevangenschap. Of in nummer 9 ‘an interpretetive nonchronological genealogy of the how-to-write book , annotated with flap-copy promises, testimonials, & user reviews’, waaruit blijkt dat al in 1918 Strunk & White “The elements of style”( ye old stand-bye) schreven. En het allerlaatste nummer uit juni bevat een opsomming en indeling van bands wiens namen met “The” begint, met onder het kopje ‘Your worst fears’ namen van bands als “The Terrifying Experience”, “The Catheters”, “The Stranglers” en “The Hidden Cameras”.

geen recensies
In “The Believer” staan tot nu toe geen recensies van losse boeken, wel verzorgt de Engelse schrijver Nick Hornby in ieder nummer een vaak hilarisch, soms ook flauw, persoonlijk dagboek over de boeken die hij kocht en al of niet las. In de toekomst zullen er misschien meer recensies komen, dan vooral van uitgaven van kleinere uitgeverijen, die in Amerika bij honderden bestaan maar in de officiële circuits nauwelijks aan de bak komen. Erg geïnteresseerd is “The Believer” in herlezingen van boeken die tot het officiële culturele erfgoed behoren maar niet meer worden gelezen: zie bijvoorbeeld artikelen over het werk van Sewell en Jane Austen.
We zitten ondertussen al een uurtje met elkaar te praten, bladeren af en toe door wat nummers die Andrew gebracht heeft, Vendela wijst me op artikelen, op de illustraties (vaak van concrete voorwerpen: stofzuigers, auto’s, tandenborstels, machines), op een paar stukken die ze zelf erg bijzonder vond. Expliciete politiek komt er niet vaak in voor, wel was er een uitvoerig artikel over de campagne van de democratische kandidaten voor de voorverkiezingen van afgelopen winter en er zijn plannen om voor de presidentsverkiezingen van november met iets speciaals te komen. Ook het interview met Dawit Giorgis, voormalig leider van de marxistisch-leninistische junta die tussen 1983 en 1985 aan het bewind was in Ethiopië, het verscheen in nummer 13, is een uitzondering op de regel. De redactie kwam erachter dat hij tegenwoordig in Cape Town woont en dat hij wel terug wilde kijken, die kans liet men zich niet ontgaan. Er zal in komende nummers meer aan muziek worden gedaan (het nieuwste nummer, net verschenen, bevat een CD met 18 nummers van 18 verschillende Amerikaanse popgroepen, plus een interview door Dave Eggers met David Byrne).

geen hypes
Achter hypes zullen ze niet snel aanhollen, dus zullen ze niet snel een publicatie opnemen rondom een te verschijnen boek. Ook al omdat dit voor een maandblad niet goed te doen valt, je rent dan van de ene ‘interessante gebeurtenis’ naar de andere. Ik vertel dat bij ons de gerenommeerde ‘highbrow’ kranten en weekbladen zich zonder enige gène voor de commerciële karretjes van uitgeverijen laten spannen: een boek van een bekend schrijver wordt al weken voor de publicatie opgeblazen en uitgevent in uitvoerige interviews met de gevierde schrijver. Geld hoeven ze daar niet eens voor te betalen, het gaat allemaal vanzelf. Dit lijkt haar voor haar blad zo ongeveer de ergste nachtmerrie, ze wil nooit op hetzelfde moment met iedereen meedoen, The Believer hoeft niet speciaal voorop te lopen. Het gaat er eerder om de zaken toegankelijk te maken en open te houden dan lezers te informeren over de nieuwste modes en ‘events’ binnen literatuur en kunst. Ik wil haar het interview uit “The Guardian” geven, maar ze hoeft het niet te hebben, ze leest geen artikelen over “The Believer”, daar wordt ze alleen maar zenuwachtig van.
We praten nog even over oplagecijfers. Na een jaar was de oplage ongeveer 20.000 exemplaren per nummer, volgens mij is dat zelfs voor Amerika hoog, maar ze hoopt dat het de komende jaren nog veel meer wordt, het blad ligt nog lang niet overal in de boekwinkels. Ze weet niet hoeveel nummers en abonnementen er in Europa verkocht worden, wel dat het langzaam aan het groeien is. We nemen afscheid, ik krijg haar twee boeken, ze zet er een handtekening in, met een opdracht: ‘for Case & Euf’. We geven handen, ik wil zeggen dat ik haar ideeën en haar blad bewonder, dat ik er optimistisch van word en dat ik als ik het lees ineens het gevoel krijg dat ik meer dingen begrijp en zie dan vroeger, dat ik ineens ruimer kan ademhalen, alsof de lucht plotseling opklaart. Maar ik zeg natuurlijk niks.
Bij het laatste nummer, het viel een paar dagen geleden in de bus, zat een vrolijke brief waarin ik word opgeroepen mijn abonnement te verlengen. Er is goed nieuws: het jaarabonnement is verlaagd van 65 naar 55 dollar. Een verlaging van de abonnementsprijs? Ik heb dat hier nog nooit meegemaakt.

The Believer (ISSN 1543-6101), 826 Valencia Street San Francisco, CA 94110, USA, zie voor meer informatie: www.believermag.com

Vendela Vida, Girls on the Verge, St. Martin’s Press, New York 1999, 170 pagina’s, prijs: 19.95 dollar

Vendela Vida, And Now You Can Go, Alfred A.Knopf, New York 2003, 190 pagina’s, prijs 19.95 dollar

In: De Groene Amsterdammer, oktober 2004