Hans Olink, Dronken van het leven, A. Den Doolaard, zwerver, schrijver journalist, Uitgeverij Atlas, Amsterdam 2011 392 blz. prijs 39.95

A den Doolaard, Druivenplukkers, Querido Amsterdam, 2005 diverse 2e hands uitgaven 192 blz, prijs 4.95

Over A den Doolaard ( pseudoniem van Cornelis Spoelstra,1901-1994) heb ik in de loop van de tijd een flinke hoeveelheid op niets berustende vooroordelen ontwikkeld. Zijn boeken las ik niet, daar kon het dus niet aan liggen, zelfs niet toen ik ze tegenkwam op de literatuurlijsten van mijn eindexamen leerlingen, ik was een tijdje leraar Nederlands op een middelbare school. Vooral De Herberg met het Hoefijzer (1933) was geliefd, ik stelde er op het mondeling examen geen vragen over. Ik was en ben meer iemand van schrijver schrijvers, de verteller schrijvers kwamen er altijd bekaaid van af. Toch herinner ik me heel goed dat ik als jongen van een jaar of zestien Hollands Glorie van Jan de Hartog verreweg het beste boek vond dat ik ooit gelezen had. Op De Drie Musketiers na dan. Maar van mijn leraar Nederlands mocht het terecht niet op de eindexamenlijst omdat het geen literatuur was, ik begon daar toen meer en meer begrip voor te krijgen. Een begrip dat zich tijdens mijn studie Nederlands steeds verder tot een literatuuropvatting ontwikkelde waarmee ik in kringen waartoe ik wilde horen een heel behoorlijke status wist op te bouwen. Theun de Vries dat las je niet, Vestdijk, dat was het.
Den Doolaard bleef dus voor mij iemand uit de verte die over de Balkan schreef en over zigeuners. Die in de oorlog vanuit Londen dappere radio-uitzendingen verzorgde waarin iedereen in Nederland een hart onder de riem werd gestoken. Mijn ouders hadden een geweldige hekel aan deze Engelandgangers, zij hadden makkelijk praten (ik schreef bijna ‘lullen’), vonden ze. Ik geloof dat ik mijn moeder nooit een boek van hem zag lezen. Ook dit hielp niet mee om een beetje normaal naar hem te kijken en nu ik het voorafgaande nog eens overlees zie ik dat ik over hem tot nu toe alleen een beetje de ironische schmierder uithang. Daar moet maar eens een einde aan komen.
Ik heb voor deze gelegenheid De Druivenplukkers (1931) gelezen, zijn eerste grote roman, daarvoor waren een paar dichtbundels en reisbeschrijvingen verschenen. Het viel mee, niet honderd procent, maar het viel wel mee. Wat een ongepolijst boek is dit en wat een schrijflust en schrijfverlangen komt je eruit tegemoet. Beginnende schrijvers van tegenwoordig weten heel wat meer over compositie, verhaalopzet en stijl dan deze jongeman, maar moet je eens kijken met wat een vuur hij schreef. Met deze roman vergeleken is het meeste wat nu verschijnt pijnlijke mooischrijverij. Taalhonger, dat dreef hem, begeerte naar het grote gebaar, vol verlangen zich te bevrijden van wat volgens de officiële literatuur van die tijd moest. Ter Braak vond het later niks natuurlijk. So what.
Den Doolaard, wat een pathetisch pseudoniem trouwens, schreef er gewoon als een halve gare op los en hij bleek het nog te kunnen ook. Grote avonturen met grote woorden van mensen met grote plannen en dito verlangens. Je moet heel veel opzij durven zetten voordat je zo wil schrijven. Ik merkte dat ik tijdens het lezen jaloers op hem was, eerlijk is eerlijk. Dit type verwilderd schrijven, ik kan het niet en ik wil het niet maar bij hem valt er ineens heel veel voor te zeggen. En het heeft niets met een trucje te maken, het is zoals het is en het is de moeite waard het te lezen.
Het verhaal is volkomen ongeloofwaardig, dat nam me al gelijk ervoor in. Geldt dat niet voor alle behoorlijke literatuur? Dat je denkt, hoe is het mogelijk, hoe krijgt hij of zij het bij elkaar verzonnen en ik pik het ook nog gewoon. Alles in de roman berust op toevalligheden. Twee bevriende landarbeiders gaan druiven plukken in het wijngebied van een Markies en wat blijkt? André, een van die twee, een woesteling met één oog (ook dat nog), was tijdens de Eerste Wereldoorlog soldaat in de compagnie van de zoon van de Markies. Ze vochten om een hoer en André belandde in de gevangenis. De zoon sneuvelde later. André vertelt de stervende Markies erover en die komt tot het inzicht dat zijn zoon niet de edele figuur was waar hij hem altijd voor gehouden heeft. Het is allemaal zo evident larmoyant dat Den Doolaard het allemaal niks meer kon schelen. Hij had beelden in zijn hoofd, geen subtiele verhalen, het ging om grote gebaren, grote tegenstellingen, krachtige karakters en het moest eruit. Schrijven maar.
Ook over de compositie van het geheel valt heel wat te klagen. Pas op ongeveer een derde komt die Markies tevoorschijn. Daarvoor krijgen we niet veel meer dan wat sfeerbeelden rond mannen en vrouwen op het boerenland waar men hard werkt en elkaar beloert en bespringt. En met de Markies komt ook de weduwe van die zoon het verhaal binnen, de mooie en koele Marguerite die ooit bijna op het punt stond een verhouding te beginnen met een Duitse edelman die op het kasteel geïnterneerd was. Die later… Maar ik moet nu beslist ophouden het verhaal na te vertellen, als je dat doet beland je in een moeras van larmoyante sentimentaliteit en tuthola damesromannen gedoe over aantrekking en afstoting tussen mooie maar ontoegankelijke mannen en vrouwen. Die niet willen toegeven aan ‘de begeerten van hun hart’. Ineens zijn die twee druivenplukkers waar het allemaal mee begon uit beeld verdwenen, pas tegen het einde duiken ze weer op. Het is om te lachen natuurlijk, vooral omdat het allemaal zo ernstig is opgeschreven en bedoeld, maar toch heb ik het boek helemaal uit weten te krijgen.
Dit zit ‘m in de krachtige natuur en sfeerbeschrijvingen, Den Doolaard leeft zich uit in een soort vitalistisch natuurproza waar je niet in kunt afstuderen, je gelooft erin of niet en deze schrijver gaat er helemaal in op. ‘De lucht was opgeklaard. De wolken die in rode rijen over de hemel lagen, wezen naar boven. Morgen zou het beter zijn. Met dat al spuugden ze de hele avond stukken zwarte stof. Vladja was nog even naar de bron gegaan om te drinken. Het water stroomde langzaam langs de algen in de stenen bak.’ Nu ik dit overtik weet ik toch ineens niet zeker meer wat ik er precies zo aanstekelijk in vind. Ik denk die wolken ‘in rode rijen’ en het langzaam stromende water ‘langs de algen in de stenen bak.’ Met dit soort details die overal in de roman te vinden zijn weet Den Doolaard zijn verhaal boven het al te schematische en melodramatische te laten uitstijgen. En je vindt ze ook in De Herberg met het Hoefijzer en De Oriënt Express (1934) die ik nu eindelijk ook las. Uit de gedetailleerde biografie die Hans Olink over Den Doolaard schreef komt mooi naar voren dat hij heel goed wist dat zijn schrijfkunst het van dit soort details moest hebben. ‘Hij moest reizen om te kunnen schrijven,’ schrijft Olink, ‘anders deed hij geen ervaringen op, hoorde hij geen verhalen.’ En wat hij zag en hoorde of beluisterde in de vele hutjes en herbergen waar hij tijdens zijn leven logeerde verwerkte hij in zijn romans. Dit maakte ze geloofwaardig, gaven er een laat ik zeggen empirische wending aan. Den Doolaard schreef op wat hij gezien had, daarom is dit boek nu nog steeds goed verteerbaar.
De literaire kritiek in Den Doolaards tijd keek bij De Druivenplukkers enigszins verbaasd toe. Men kende hem tot dan alleen van hoogdravende gedichten die helemaal bij de dichterlijke mode van die tijd pasten. En dan ineens dit. Martinus Nijhoff vond dat de schrijver ons ‘met teveel nadruk van al de innige roerselen en tederheden’ probeert te overtuigen. Hij prijst de ‘kinderlijke zinnelijkheid’ en we maken ‘inderdaad de druivenpluk op de gloeiende berghelling mee.’ Er zijn volgens hem ‘goede beelden’, maar hij had liever gezien dat de schrijver van zijn helden wat meer ‘gewone mensen’ had gemaakt. Als lectuur voldoet het ‘van begin tot eind’, voegt hij er vals aan toe.
Albert Helman schreef in De Groene van 14 november 1931: ‘Het heeft een breede zwaai, het heeft een prachtig tempo, het is scherp en plastisch in zijn beelding en zuiver in zijn taal.’ Hij vindt het ‘geen meesterwerk’ omdat het ‘de diepzinnigheden mist welke men in ons land voor “groot” houdt’, (die kan ik in mijn zak steken) maar al met al vindt hij het een prima boek waarin de personages ‘op hun eigen wijze zoeken naar een transcendentale rechtvaardigheid.’
Den Doolaard bleef tot op hoge leeftijd pissig over de kritiek die altijd zeurde over het geringe ‘literaire gehalte’ van zijn werk en over de oppervlakkige karaktertekening. De eerste druk van Orient Express liet hij vooraf gaan door een inleiding over het verschil tussen literair en journalistiek proza. Hij stelt dat sommige critici hem ‘journalistiek getint’ proza hebben aangewreven. Ze hadden misschien ook kunnen zeggen dat ze daarmee ‘niet literair-vervelend proza’ bedoelden, stelt hij geestig. En vervolgens zet hij zichzelf tamelijk pathetisch neer binnen een anti-modernistische, puur romantische traditie. ‘Het souverein recht der eerlijke critiek erkennend, treed ik nederig voor hun vierschaar, in het bewustzijn van al mijn tekortkomingen, maar bovendien (in sommiger oogen een zwaar vergrijp!) belast met de geboortevloek der romantiek, die ik echter, alle schrale moderniteit ten spijt, toch tot mijn dood toe verdedigen zal.’ Je voelt gewoon dat hij hierbij aan Ter Braak zat te denken.
Hans Olink gaat in zijn biografie gelukkig gedetailleerd in op de meer dan merkwaardige fratsen van deze womanizer, die het in zijn jeugd soms op één avond met verschillende meisjes deed. Alweer iets om jaloers op te zijn. Ook komt zijn dubbele moraal met volle kracht in het licht te staan. Hij mocht alles, je had het als vrouw maar te pikken, maar als zijn vriendinnen vreemd gingen waren de rapen gaar. Dit leidde bijvoorbeeld in Macedonië tot een regelrechte moord, meer kan Olink er niet van maken. ‘Terwijl hij (Den Doolaard) met koorts in bed lag,’ schrijft hij, ‘vermaakte Daisy zich met Sisic, die, zo wist inmiddels iedereen in het gehucht, haar minnaar was.’ Toen deze minnaar hem een paar dagen later op zijn ziekbed bezocht, hij had het pistool van Den Doolaard gerepareerd (!) en kwam het terugbrengen, ging dat ‘per ongeluk’ af en de ongelukkige minnaar stierf een paar dagen later. Tegen de politie verklaarde Den Doolaard doodleuk dat hij niets wist van een verhouding (ja, morgen brengen), het was absoluut een ongelukje, het pistool ging zomaar af, zijn vrouw bevestigde dat, maar zij deed kort daarop wel een paar zelfmoord pogingen. Den Doolaard kwam met zijn volstrekt onwaarschijnlijke verhaal weg, volgens Olink omdat men in Macedonië geen vervelende politieke verwikkelingen wilde.
Tot op hoge leeftijd bleef hij trouw aan zijn vitalistische literatuuropvatting die hij voor het eerst in De Druivenplukkers gedreven in beelden wist om te zetten. Verlangen naar de ongerepte natuur, heimwee naar de onbedorven edele wilde die zich een voelde met de natuur en zich door instincten liet leiden. Navelstaarderige romans van latere schrijvers over hun moeilijke jeugd, hun seksleven en dat van hun vrienden verwierp hij. ‘Denk erom lieve lezer’, zei hij tijdens een herdenking op zijn vijfenzestigste verjaardag, ‘ik ben geen exhibitionist, maar ik beoefen bekentenisliteratuur en niemand kan schrijven zoals ik.’ Met dat laatste had hij gelijk.