Anne Wadman: Friese schrijvers en de Friese beweging

In juni 1978 werd ik als docent Nederlands aangenomen bij de lerarenopleiding “Ubbo Emmius”; ze bestaat niet meer, de lerarenopleiding is nu een onderdeel van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden. De Friese schrijver Anne Wadman (1919- 1997) werd mijn chef. Hij had niet in de sollicitatiecommissie gezeten en dus leek het me een goed idee met mijn vrouw naar zijn woonplaats Sneek te reizen en me aan hem voor te stellen. Het leek hem ook een goed idee, we spraken telefonisch af, op een zaterdag om 12 uur bij hem thuis, mijn vrouw en ik zouden blijven lunchen. Ik was behoorlijk onder de indruk, ik kende van hem een paar in het Nederlands vertaalde romans, onder andere De Smeerlappen (1963) en ik had ook zijn prachtige essays over Simon Vestdijk gelezen, het beste wat er over Vestdijk geschreven is. Anne, ik mocht hem direct Anne noemen, was een lange, slungelige man, onhandig, verlegen, hij liet de gezelligheid en de conversatie vooral over aan zijn vrouw Hylkje Goïnga (bekend Friese schrijfster!) die zich uitermate uitsloofde om er een geslaagde bijeenkomst van te maken. Met elkaar spraken ze Fries.
Daar zaten we dan, hij in een leunstoel voor het raam en ik in de buurt, allebei niet goed wetend wat we zouden zeggen. Om een uur of een kwam de drank op tafel, Anne schonk zichzelf een jenever in, ik nam een wijn. We zwegen vaak en lang. Meestal keek hij naar buiten en leek dan mijn aanwezigheid te zijn vergeten. Maar ineens zei hij een zin die ik niet ben vergeten, hij zei die niet een maar twee keer. Hij zei terwijl hij naar buiten staarde: ‘Het is allemaal niks.’
Het is allemaal niks. Misschien vat deze zin de wereldvisie samen waarmee Anne Wadman in die tijd, maar wellicht ook veel eerder en later, de wereld in keek. Je kunt er om lachen natuurlijk, en we lachten er ook wat om, maar toch. Hij was zes jaar mijn chef, in 1984 ging hij met pensioen, daarna heb ik hem nog een keer in een ziekenhuis in Sneek opgezocht toen hij een been had gebroken. Wat een merkwaardige kerel was het, in de grond verlegen, maar altijd geestig tot op het cynische af, en een zeer precieze docent die op academisch niveau historische taalkunde gaf en zich weinig bemoeide met de onenigheden op onderwijsgebied die op de lerarenopleiding uitbraken, net nadat ik was aangesteld. Zijn notulen van vergaderingen waren bizar en zeer vermakelijk: dicht betypte (er waren nog geen computers) en felgekleurde A4- tjes, gelardeerd met kleine, vaak geestige intermezzo’s. Over zijn boeken heb ik nooit met hem gepraat, daar praatte hij met niemand over. Ik hoorde van anderen dat hij er zeer wegwerpend over was, het was allemaal niks, het stelde niks voor, allemaal onzin. Maar hij bleef schrijven, helemaal nadat hij met pensioen ging. Drie jaar voor zijn dood verscheen nog de Friestalige roman In okse nei de slachtbank (1994).
Kort geleden promoveerde Joke Corporaal met een interessant proefschrift over de rol die Anne Wadman in het begin van zijn leven speelde in de Friese literatuur. Grimmig eerlijk, Anne Wadman en het probleem van de Friese literatuur. Corporaal schreef geen biografie, haar proefschrift houdt in 1963 op toen Wadman min of meer gedesillusioneerd raakte over zijn rol als schrijver binnen de Friese context van die tijd. Ze vraagt zich af hoe het mogelijk was dat Wadman toen zijn schrijverscarrière als mislukt beschouwde. Ze schrijft dit voor een deel toe aan karakterologische eigenaardigheden van de figuur Wadman, maar vooral aan de specifieke literaire omstandigheden in Friesland. Wadman schreef in het begin zowel in het Nederlands als het Fries en koos in de loop van de tijd voor het Fries, een keuze die hij later hartgrondig betreurde, ook al schreef hij aan het eind van zijn leven hoofdzakelijk toch weer in het Fries. Ze focust op de periode 1945- 1963, toen de Friese literatuur een grote bloei doormaakte en Wadman daarin een belangrijke rol speelde.
Een paar maanden na Corporaal’s promotie verwierf Johanneke Liemburg (voormalig lid van de Tweede Kamer voor de PvdA en nu burgemeester van de Friese gemeente Littenseradiel) de doctorstitel in de godgeleerdheid met een al even interessant proefschrift over de kleurrijke Friese dichter, journalist en politicus Fedde Schurer (1898-1968). Titel: Fedde Schurer (1898- 1968): Biografie van een Friese koerier. Liemburg legt in haar uitvoerige en prima gedocumenteerde boek de nadruk op Schurer’s rol in de Friese beweging, een politieke en culturele beweging die sinds de eerste helft van de negentiende eeuw pleitte voor emancipatie van de Friese taal en de Friese volksgemeenschap. Ook zijn rol binnen de Friese literatuur komt uitvoerig aan de orde. Liemburg kwam er tijdens het schrijven, zo stelt ze in haar inleiding, steeds meer achter dat het lastig is, tot vrijwel ondoenlijk, de Friese beweging en de Friese literatuur van elkaar los te koppelen. Vrijwel alle voormannen van de Friese beweging waren ook literator, literatuur en politiek waren in Friesland sterk met elkaar verbonden.
Wadman en Schurer kenden elkaar, Schurer kwam weliswaar uit een oudere generatie maar hij zag al snel Wadman’s kwaliteiten, al is er tussen deze twee figuren altijd animositeit blijven bestaan. Ze werkten samen in het door Schurer na de oorlog opgerichte gerenommeerde literaire en culturele Friestalige tijdschrift De Tsjerne (de karnton), dat tot het begin van de jaren zestig een grote rol speelde in de Friese literatuur en de Friese beweging. Maar ze botsten ook, er waren nu eenmaal grote verschillen en die hadden niet alleen te maken met hun verschillende karakters. Schurer was onderwijzer, hij kwam uit een gereformeerd milieu, Wadman kwam uit een SDAP-milieu, hij ontpopte zich tot een typische academicus, die zich ook in zijn geschriften duidelijk als intellectueel liet gelden. Schurer, die zich overigens intellectueel steeds meer schoolde, was meer een volksman, die zich soms wat laatdunkend uitliet over Friese intellectuelen.
Wadman beschrijft in een brief aan een vriend zijn eerste ontmoeting met Fedde Schurer, beter is hun verhouding niet onder woorden te brengen: ‘Mijn eerste ontmoeting met Fedde Schurer vond plaats op een bijna symbolische plaats: op de nachtboot van Lemmer naar Amsterdam ( moet zijn van Amsterdam naar Lemmer, voegt Corporaal hier aan toe-KtH), in ’39 of ’40. Mijn naam had toen al heel wat keren onder min of meer geslaagde literaire misbaksels gestaan in bladen en tijdschriften en toen ik mij, nogal onhandig neem ik aan, bekend maakte, werd dat direct een vrolijke boel in die sombere, stinkende kajuit. Toch zat er, zo staat mij bij, toen direct al een element in van geïntimideerd-zijn. Bij al zijn vrolijkheid en kameraadschap was Fedde Schurer nooit je (ik bedoel natuurlijk: mijn) gelijke. Van dat gevoel heb ik mij nooit los kunnen maken, en dat zal minstens zoveel aan mijzelf als aan hem hebben gelegen.’ Een typerende Wadman tekst, altijd zijn eigen werk omlaag halen en zichzelf in een underdog situatie manoeuvreren. Men dient hierbij te bedenken dat Schurer in die tijd een echte Friese held was, een volkse voorman, die volgens Liemburg een sterk charisma had en over grote communicatieve vaardigheden beschikte en zich vast en zeker geen enkele zorgen maakte over eventuele concurrentie van het aanstormende talent Wadman. Deze verlegen Friese jongen die niet bepaald een groot causeur was en zich in gezelschap altijd wat op de achtergrond hield.
Ze werkten later lange tijd op literair en cultureel gebied samen, maar echt van harte ging het niet altijd, beide proefschriften laten het helder zien. Niet alleen in karakter en generatie verschilden ze, maar ook liepen hun inzichten over de rol van de Friese literatuur binnen de Friese beweging uiteen. Voor Schurer waren die twee in principe onlosmakelijk met elkaar verbonden, Wadman pleitte na de tweede wereldoorlog, onder invloed van het internationale modernisme, waar hij duidelijk een aanhanger van was, voor een meer autonome positie van de Friese literatuur. Men moet deze verschillen van inzicht overigens niet overdrijven, Liemburg laat helder zien dat Schurer later in deze kwestie, ook door zijn contacten met Nederlandstalige schrijvers en intellectuelen, genuanceerder ging denken. Hij schreef na de oorlog in het eerste nummer van De Tsjerne een opzienbarend artikel , ‘De bining forbritsen’ (de verbondenheid verbreken) waarin hij pleitte voor een nieuwe verhouding tussen de Friese literatuur en de Friese beweging. Maar in de grond verschilden ze van mening over de autonome rol van literatuur in het maatschappelijk debat.
De Friese beweging was (en is) een emancipatorische beweging die zich sinds de eerste helft van de negentiende eeuw bezig houdt met het behoud van de Friese cultuur en literatuur. Ze heeft duidelijk politieke wortels, al zette de roep om politieke onafhankelijkheid van Friesland nooit echt door. Dit soort min of meer nationalistische bewegingen ontstonden tegelijkertijd in taalgebieden in heel Europa waar de eigen taal en cultuur werd achter gesteld of onderdrukt. Een van de grote mannen in Friesland was Douwe Kalma ( 1896- 1953), die op Fedde Schurer grote invloed uitoefende. Schurer maakte als jonge gereformeerde Fries in 1918 met zijn werk kennis en later ook met de man zelf. Liemburg beschrijft Kalma als een sterke persoonlijkheid die anderen enorm wist te inspireren. Hij was ook in de Nederlandstalige literaire wereld niet onbekend. ‘Kalma vestigde met zijn publicaties en lezingen ook de aandacht van niet-Friezen op zijn provincie,’ schrijft Liemburg. Ze meldt dat Johan Huizinga hem in 1922 beschreef als ‘iemand van opmerkelijke begaafdheid, een geestdriftig temperament en een gevaarlijke gemakkelijkheid van productie.’ Hij had grote invloed op de Friestalige jeugd, stelt Liemburg. ‘Jonge Friezen (zoals Fedde Schurer-KtH) raakten bezield door het Jongfriese gedachtegoed, gingen naar zomerkampen, volgden cursussen in de Friese taal, schreven sonnetten, hielden voordrachten, speelden toneel bij het Jongfrysk Toaniel en zongen in het Jongfrysk Sjongkoar. Een echte ideologie had de Jongfryske Mienskip (gemeenschap) niet. Kalma liet zich al naar gelang de omstandigheden inspireren door het nationalisme, het socialisme en de religie, maar deze vaagheid werd hem meestal vergeven.’
Er ontstonden al snel conflicten over de ideologie van de beweging, waarbij Schurer een sterk voorstander was en bleef van een beweging die brede steun bij de bevolking genoot. Ook zijn opvattingen over literatuur sloten hierbij aan. Hij vatte literatuur in principe op als een voortbrengsel van het volk, daarin lag de ziel van het volk, dichters vertolkten opvattingen die allang onder het volk leefden. Het was de bedoeling dat het volk die in het werk herkenden, daarin school het eventuele succes ervan. Hij probeerde, niet altijd succesvol, de verschillen tussen de christelijke, socialistische en nationalistische fracties van de beweging te overbruggen en hij liet zich in een interview kort nadat zijn eerste bundel gedichten (Fersen, 1925) was verschenen, niet onbetuigd over de positie van de Friese taal. ‘Staatkundig zijn wij Nederlanders, geestelijk zijn wij zelfstandig. Dat uit zich het sterkst in onze taal, en daarom staat die voorop in onze Friese strijd.’
Het gaat te ver hier een volledig beeld te schetsen van ‘de’ Friese beweging tussen de wereldoorlogen, Liemburg laat overtuigend zien dat er geen sprake was van eenheid. Schurer speelde een steeds grotere rol, zijn pleidooien voor voorrang van de Friese taal sloegen bij de bevolking aan. Vlak voor en tijdens de tweede wereldoorlog ontstond binnen de beweging een scherp debat over het nationaalsocialisme. Moest men zich daarbij aansluiten? Een aantal meer radicale voorvechters van het Fries en de Friese cultuur zoals Douwe Kalma en Rintsje Sybesma kozen inderdaad voor het nationaalsocialisme, Schurer niet. Liemburg geeft een genuanceerd beeld van deze kwestie, zoals ze in haar proefschrift steeds een afgewogen beeld van Schurer en diens positie binnen de Friese verhoudingen probeert te schetsen. Ze laat zien dat ook Schurer in een aantal opzichten, net als veel van zijn medestanders, niet erg ver af stond van sommige nationalistische opvattingen binnen het nationaalsocialisme en dat de verschillen van inzicht over de uiteindelijke keuze binnen de Friese beweging diepe sporen trokken die tot ver na de oorlog zichtbaar waren. Schurer probeerde na de oorlog een lans te breken voor Douwe Kalma, overigens tevergeefs, toen die door de autoriteiten tijdelijk een publicatieverbod kreeg opgelegd,
Anne Wadman hield zich tijdens de oorlog afzijdig van deze discussie, wel tekende hij als student Nederlands aan de universiteit van Groningen een ‘loyaliteitsverklaring’ waarin hij verklaarde zich afzijdig te zullen houden van alle tegen de Duitse bezetters gerichte handelingen. Dit werd hem na de oorlog niet in dank afgenomen, ook zelf had hij later spijt over deze volgens hem uit ‘lamlendigheid’ geboren ondertekening, maar verdere gevolgen had het na de oorlog niet. Wel had hij zich al vlak voor en tijdens de oorlog sterk gemaakt voor een Friese literatuur die zich los zou maken van haar ‘boeren-imago’.
Na de oorlog zette hij deze discussie voort. Zijn aanvallen op de door hem gesignaleerde middelmatigheid van de Friese literatuur waren scherp en gevreesd. Veel reputaties sneuvelden onder zijn scherpe, soms sardonische en cynische pen. Vooral zijn privé-blad De Teanewâdder ( de tenentrapper) dat in een kleine oplage verscheen maar door veel schrijvers werd gelezen, was berucht. Hierin viel hij bijvoorbeeld de streekroman, een destijds geliefkoosd genre in de Friese literatuur, scherp aan. Hij stoorde zich er ook aan dat in Friesland literatuur ‘doorgaans nog volgens morele maatstaven werd beoordeeld.’ Hij verzette zich tegen het romantische en idyllische beeld dat in literatuur vaak van Friesland werd gegeven en pleitte voor een beoordeling van Friese literatuur op basis van literaire argumenten. Ook maakte hij bezwaar tegen de dubbele standaard die critici over Friese romans hanteerden. Critici hadden destijds in zijn ogen de neiging Friese literatuur op grond van buitenliteraire argumenten hoger te waarderen dan Engelstalige of Nederlandstalige romans. ‘Veel lui willen graag de romantische idylle van het reine en zedige Friesland bewaren, dat voor hun een (verloren) paradijsje is (…). En het eigenaardige is, dat sommige van die lui de seksuele openhartigheid van Claus, Mulisch, Vinkenoog, Vaandrager en Wolkers zonder protest aannemen (of hoogstens met een afkeurend gebaar), maar voor de Friese lettertuin de seksuele deuren willen dichthouden…’ ( vertaling van het Fries door Joke Corporaal). Ook deed hij aanvallen op de vermeende oubolligheid van het blad De Tsjerne waar hij lange tijd zelf redacteur van was. Fedde Schurer liet zich overigens eigenaardig genoeg vol lof uit over de eerste nummers van De Teanewâdder, terwijl hij toch moet hebben beseft dat Wadmans aanvallen op het vooral morele gehalte van de Friese literaire kritiek ook op hem betrekking hadden. Later zou Schurer Wadmans roman De Smearlappen op grond van morele en ethisch argumenten scherp veroordelen.
Wadman had er lange tijd vertrouwen in dat er in Friesland ondanks alles een publiek te vinden zou zijn voor kwalitatief hoogstaande literatuur. ‘Er is een lezerspubliek,’ schreef hij in 1961 nog. ‘Te weinig om er gelukkig mee te zijn, te veel om ermee op te houden, en juist genoeg om de illusie te koesteren, dat het eenmaal beter zal worden, dank zij meer onderwijs-in-eigen-taal, sterkere bewustwording van zijn eigen aard (die internationale gerichtheid niet behoeft uit te sluiten), meerdere erkenning, ook bij hen, die hoewel niet Friestalig of van Friese afkomst, hun stoffelijke en geestelijk bestaan in deze provincie vinden’ (vertaling van het Fries door Joke Corporaal). In 1961, kort na bovenstaande ontboezeming, schreef hij nogal pathetisch aan een vriend:’ Ik kan alleen mijzelf zijn, d.w.z bitter,agressief, eerlijk en intellectueel. Dat maakt mij hier onmogelijk, ik weet het, en de nieuwe roman waaraan ik werk (hij bedoelt De Smearlappen die in 1963 verscheen-KtH), zal, als hij ooit uitkomt, daarvoor wel een nieuw bewijs zijn, maar ik kan niet anders en ik wil niet anders’(vertaling Joke Corporaal). Uiteindelijk gaf hij volgens Corporaal inderdaad de moed op, onder andere ook na een scherp conflict over Wadman’s waardering voor de vijftigers, hij had voor deze nieuwe Nederlandstalige dichters een pleidooi gehouden, Y.Poortinga, een redacteur van De Tsjerne had hem hier over aangevallen.
Corporaal suggereert in haar proefschrift dat Wadman genoeg kreeg van zijn dubbelzinnige positie binnen de Friese literatuur. Aan de ene kant wilde hij zijn Friese wortels en sympathieën niet opgeven, aan de andere kant kreeg hij in zijn ogen te weinig steun voor zijn streven naar een kwalitatieve verbetering en een meer autonome positie van de Friese literatuur. Bovendien kreeg hij het gevoel dat zijn niet geringe rol in de Nederlandstalige literatuur, hij was jarenlang redacteur van het gerenommeerde literaire blad Podium, hem in de ogen van veel Friestalige schrijvers ‘verdacht’ maakte. Enige reden daartoe had hij wel: zijn schitterende roman De Smeerlappen kreeg in Friesland een matig onthaal.
Wadman was (en is) een belangrijk criticus en schrijver. Zijn Friese en Nederlandstalige kritieken (hij schreef er honderden) zijn nu nog steeds de moeite waard. Hij was gevreesd voor zijn scherpe en analytische blik, hij nam geen blad voor de mond wanneer zijn minder begaafde Friestalige collega’s weer een minderwaardig product hadden afgeleverd. Hij schreef persoonlijk, vaak sterk polemisch, maar altijd argumenteerde hij uitvoerig en voortreffelijk. Over Vestdijk schreef hij, zoals gezegd, het beste wat ooit in Nederland verscheen (zie: Handdruk en handgemeen. Leesavonturen met Simon Vestdijk, 1965). Zijn pogingen Friese literatuur naar het niveau te tillen van het Europese en Amerikaanse modernisme hadden uiteindelijk veel invloed, je kunt zeggen dat hij aan de wieg stond van de emancipatie van de moderne Friese literatuur. In 1990 en 1994 verschenen gelukkig toch nog twee boeken waarin een deel van zijn kritieken en beschouwingen zijn opgenomen. It kritisk kerwei (1990) en Oer oarmans en eigen (Over anderen en mezelf). Maar er ligt nog veel meer werk van hem op uitgave te wachten.
Ik heb voor deze gelegenheid een aantal van zijn romans, ook de meer recente, gelezen en opnieuw gelezen. De Smearlappen blijft na herlezing een zeer geslaagd boek, dat zonder meer vergeleken kan worden met het beste werk van bijvoorbeeld de vroege Hugo Claus en andere top auteurs uit West-Europa en Amerika. Ook een roman als It rammeljen fan de pels uit 1970, in 1983 vertaald als Een klein sadistisch trekje is voortreffelijk. De roman De verkrachting (1984)kan een vergelijking met andere Europese romans moeiteloos doorstaan en lijkt vooruit te lopen op het postmodernisme. Hij vertelt hierin het verhaal van een man die getuige is van een verkrachting en de dader per ongeluk doodt. Uiteindelijk slaagt Wadman er in alle feiten die de lezer zeker meent te weten op losse schroeven te zetten en eindigt de roman in een knap uitgewerkte impasse over de ware toedracht. In Nederland werd deze roman maar matig ontvangen, de grote bladen besteedden er helemaal geen aandacht aan, Wadman was geheel uit beeld geraakt. Anton Brand bekritiseerde in Nieuwsblad van het Noorden volkomen onterecht de volgens hem ‘ondeugdelijke structuur.’ Gerrit Jan Zwier had er in de Leeuwarder Courant nog wel enige lovende woorden voor over. Alleen Johan van Iseghem was in het Belgische dagblad De Standaard zeer lovend in een uitvoerig artikel. Wadman’s ijzersterke laatste roman In okse nei de slachtbank ( een os naar de slachtbank) uit 1994 kreeg alleen in Friesland nog enige, niet onverdeeld gunstige belangstelling. Terwijl deze roman in mijn ogen een meer dan voortreffelijk verslag is van de ondergang van een wethouder in een kleine stad. Af en toe hallucinerend, dan weer scherp beschrijvend en niets ontziend zet Wadman ons het mislukte leven voor van een man die ondergaat aan zijn eigen illusies.
Wadman’s hoofdfiguren zijn altijd losers, mensen die verkeerde keuzes maken of hebben gemaakt, meestal spelen de romans zich hoofdzakelijk af in de breinen van de hoofdkarakters, maar even gemakkelijk zorgt hij voor ingrepen van andere vertelinstanties. Wadman laat in zijn romans altijd zien dat een roman een gekunstelde weergave is van illusies over de werkelijkheid. Hij demonstreert in zijn romans zonder dat het al te zeer de boventoon voert, het kunstige en onnatuurlijke van de romankunst. Hiermee toont hij zich een typische vertegenwoordiger van het modernisme en postmodernisme.
Na de jaren zestig was de grote bloei van de Friese literatuur , die na de tweede wereldoorlog was ingezet, alweer voorbij. Jonge Friese schrijvers van de generatie na Wadman, zoals Trinus Riemersma en Josse de Haan, zochten steeds meer aansluiting bij de avant gardistische stromingen uit West-Europa. Wat dit betreft had Wadman een vooruitziende blik. De taalstrijd werd (en wordt) in Friesland niet meer zo hartstochtelijk gevoerd als in het verleden. Liemburg stelt aan het einde van haar proefschrift dat de ideeën van Schurer na de jaren zestig aan urgentie inboetten. ‘Zijn uitgangspunt dat niet-Friezen de Friese taal wel zouden willen leren als de Friezen zelf maar aangaven dat het de moeite waard was, sprak niet tot de verbeelding. Om maatschappelijk te kunnen functioneren hebben Nederlandstaligen in Friesland het Fries niet nodig. De maatschappelijke ontwikkeling vraagt van de Friestaligen echter wel dat ze zich het Nederlands eigen maken.’
Het lijkt er tegenwoordig op dat de Friese literatuur kwantitatief in een verdomhoekje terecht is gekomen. De oplagen van Friese literatuur lopen terug. Maar kwalitatief is er geen sprake van achteruitgang: de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga neemt in de internationale dichterswereld een unieke plaats in met de voordracht van zijn zangerige, geheimzinnige en bijna mystieke gedichten. Veel jonge Friese schrijvers publiceren ook in het Nederlands, zie bijvoorbeeld het werk van Tsead Bruinja, Albertina Soepboer en Elmar Kuiper. Waren er in de jaren zestig en daarvoor verschillende elkaar hartstochtelijk bestrijdende Friestalige literaire tijdschriften, er is er nu nog maar een: het maandblad De Moanne , algemien-kultureel opinyblêd , dat in 2001 werd opgericht en waarin het literaire tijdschrift Trotwaer is opgegaan. In het oktobernummer van 2010 stond onder andere poëzie van Ate Grypstra, Arjan Hut en Yva Hokwerda, Hidde Boersma besprak een Friestalige thriller van Frans en Tineke Steenmeijer, Moard yn ‘e Médoc.. Ook staan er Nederlands talige columns en korte beschouwingen in, twintig jaar geleden zou dat in een Friestalig literair blad niet mogelijk zijn geweest. Grote ambities gaan van dit nummer niet uit, geen beschouwingen over de stand van zaken van de Friese literatuur, geen vlammende betogen over, om maar iets te noemen, de mogelijkheden van Friese geëngageerde literatuur. Sinds enige tijd bestaat in Friesland ook het internetblad ensafh, een samenvoeging van het internetblad Farsk en het gedrukte blad Hjir. Het verschijnt ook in papieren vorm.
Er bestaat in Friesland in ieder geval wel een groeiende belangstelling voor het eigen recente literaire verleden, daarvan zijn de twee hier besproken proefschriften het bewijs. Joke Corporaal schreef geen ‘echte’ biografie, haar studie over Wadman eindigt zo ongeveer in 1963. Dat vind ik jammer, ik denk dat de tijd rijp is voor een net zo uitvoerige en goed gedocumenteerde biografie over deze interessante figuur en grote schrijver als Johanneke Liemburg schreef over Fedde Schurer. Anne Wadman verdient niet alleen in Friesland uitvoeriger aandacht dan hij tot nu toe gekregen heeft. Je kunt zeggen dat hij zelf alle aandacht afwees, dat hij koos voor een zelf opgelegd isolement, dat hij de geringe waardering voor zijn werk zelfs koesterde. Hij stelde zich nu eenmaal graag op als underdog. Maar dit eigenaardige karaktertrekje mag de grote kwaliteit van zijn werk niet aan het oog onttrekken. Fedde Schurer’s verzamelde poëzie is al in 1974 onder de titel Samle fersen fraai uitgegeven. Wordt het niet tijd ook het verzameld werk van Anne Wadman uit te geven? Eindelijk alle romans en beschouwingen van deze meer dan bijzondere literaire grootheid bijeen? Soms heb ik een droom en daarin zie ik in mijn boekenkast een fors tweedelig dundruk werk staan, uitgegeven met zware subsidie van de provincie Fryslân, net zo fraai vorm gegeven als de Pléiade Reeks in Frankrijk. Dat zou een daad van gerechtigheid zijn. Titel: Anne Wadman, Samle Werken I en II.

-Joke Corporaal, Grimmig eerlijk; Anne Wadman en het probleem van de Friese literatuur, Fryske Akademy, Leeuwarden 2009, 391 blz, met uitvoerig notenapparaat
- Johanneke Liemburg, Fedde Schurer 1898-1968, Biografie van een Friese koerier, Uitgever Friese Pers Boekerij, Leeuwarden 2010 429 blz, plus uitvoerig notenapparaat.
- De Moanne, algemien-kultureel opinyblêd, Jiergong 9, nummer 8, oktober 2010, 56 blz., útjouwer Stifting De Moanne.
- ensafh, uitgave Stichting Hispel, Wiewerd, www.ensafh.nl