Ronald Giphart, De Wake, Uitgeverij Podium , 2012, 212 blz, prijs 17.50

SCHRIJVEN ALS OMWEG

Wie het over paradoxen in de schrijfkunst wil hebben, kan heel goed uit de voeten met het werk van Ronald Giphart. Vanaf zijn debuut met het vermakelijke Ik ook van jou (1992) loert in zijn werk onder de oppervlakte van bravoure, schrijversgeluk en humor een peilloos afgrijzen over de leegte en de afgrond. De hoofdpersoon probeert bijvoorbeeld wanhopig iets te snappen van zijn vriendin Reza, niet alleen van haar onbegrijpelijkheid als meisje, dat ook natuurlijk, dat altijd als Giphart over meisjes schrijft, maar ook iets van haar adembenemende depressie. En dan kom je tegen het einde, niet alleen daar, ineens zinnen tegen als: ‘Het onbenoembaar treurige moment van in je deuropening staan en stilzwijgend kijken van de ene geronnen bloedplek naar de andere.’ Zelfportret. Beeld van maatschappelijk afgrijzen dat Giphart altijd probeert te verbergen achter literaire acrobatiek zonder vangnet, hoog in de piste van de literatuur of in de achterafzaaltjes van het cabaret.

cirkeling rond leegte
In het in de grond sombere Phileine zegt sorry (1996) dringt deze verborgen en onbenoembare leegte, die ten koste van alles verborgen moet blijven, zich steeds sterker naar voren. Het zichzelf diep verachtende meisje Phileine (het zusje van de Giph uit andere boeken) verschuilt zich, uit vrees aan de leegte van haar bestaan ten onder te gaan, achter een roes van onzin, halfslachtige geilheid en zichzelf overschreeuwende aandachttrekkerij. Als we de afgrond maar niet hoeven te zien. Tegen het einde van de roman lijkt ze wel tot inkeer te komen, maar zelfs wanneer ze dat inzicht in een merkwaardig pathetische scène van de daken schreeuwt, weet je dat ze nog geen begin heeft gemaakt met de invulling van de leegte van haar bestaan. Ze ontkent die leegte, dat is waar het om gaat. Ze cirkelt erom heen. Zoals het hele werk van Giphart erom heen cirkelt, niet aan ‘de’ kern wil geraken. Vandaar dat Giphart zich in zijn romans, beschouwingen en interviews altijd hoogst ambivalent tegenover ‘de’ hogere literatuur en ‘de’ hogere literatuurbeschouwer opstelt.
Literatuur met een L hoort bij hem tot de vijand omdat daarin voor je het weet de leegte benoemd wordt, vaak ook nog met grote woorden erbij als Illusies, Wanhoop, Eenzaamheid en Diepgang. Literatuur met een L benoemt volgens hem waar gezwegen zou moeten worden, ze ontrafelt, ze ondergraaft illusies, en ze heeft daar ook nog een grote bek bij, lees: eeuwigheids pretenties. Waar Literatuur in de ogen van Giphart de leegte letterlijk wil ont-dekken, opzoeken, openleggen, wil hij haar liever be-dekken, toedekken, aan het oog onttrekken. Hou je kop erover. Dit schrijfprogramma vormt de kern van zijn werk. Giphart ontkent in interviews en beschouwingen keer op keer het bestaan van enige ‘diepgang’ in zijn werk, er is alleen wat er staat, dat gegraaf naar onderlagen leidt tot niets, alleen tot hol gezwets. Er is geen diepte, er is geen kern. Hij probeert zijn programma consequent in zijn werk aan het oog te onttrekken. In gelach, in seksuele krachtpatserij, in woede, in parodie, in ontkenning.

paradoxaal
Dit levert uiteraard een paradoxaal schrijverschap op. Aan de ene kant wil hij geen Literatuur schrijven, hij laat dat liever over aan de piskijkers en sombermansen, aan de andere kant maakt hij zonder enige terughoudendheid gebruik van alle verfijnde literaire kunstgrepen die de literaire traditie kent. De brief, de terugblik, de zoektocht, de opstapeling, de verschillende vertelstandpunten, het ironische zelfbeklag, de montage, de tijdschakeling, het zelfmedelijden en de ontsnapping daaraan. Als er één schrijver in Nederland is die de literaire wetten en regels op zijn duimpje kent is het Giphart. Zijn hele werk, ook het meer recente, staat bol van de verwijzingen naar en reflecties over literatuur. Maar hij is er altijd ironisch over, wegwerpend, of quasi-eigenwijs, hij wil niet erkennen dat hij zelf met huid en haar tot de Literaire Wereld, die hij veracht, behoort.
Ook in zijn nieuwste verhalenbundel De Wake laat hij zien dat hij prima weet te werken met geavanceerde literaire narratieve middelen. In het eerste verhaal maakt een dode zijn eigen begrafenis mee. In het tweede reconstrueert een jongen, hij ligt in coma, een voorzichtige liefdesaffaire van zijn moeder, in het derde leven we mee met het hart van een overleden meisje dat in een ander lichaam wordt getransplanteerd. Alles ademt literatuur in dit werk. Zijn paradoxale anti-literaire houding nam overigens vroeger wel eens bizarre vormen aan. Zo publiceerde hij in 1993 samen met Bert Natter het ongehoord melige werk ‘De beste schrijver van Nederland waarin zo ongeveer alle Nederlandse schrijvers met naam en toenaam strijden om de trofee de gouden appel. In het voorwoord uit een hernieuwde uitgave van 2007, die ik las, neemt hij er terecht flink afstand van:’ Wie zonder jeugdzonde is, werpe de eerste steen’, staat daar. Maar blijkbaar vond hij het toch nog goed genoeg om het maar weer eens in de strijd te gooien: het bloed kruipt waar het niet gaan kan.

de gretige nieuweling
In een lovende recensie over Het Feest der Liefde (1995) typeerde Doeschka Meijsing (die bij Giphart uiteraard af en toe op schimpscheuten kon rekenen) de toon van de romanfiguren van Giphart treffend als die van ‘de opgewekte en gretige jongeling.’ De gretige nieuweling, ben ik geneigd te zeggen, iemand die de wereld wil ontdekken en het verdomd daarbinnen ooit op te groeien. Zijn helden lijden aan het Peter Pan complex, ze weigeren mee te doen aan de volwassenwording, en geven zich in plaats daarvan over aan allerlei omtrekkende bewegingen om het afgrijzen tot aan het bittere einde aan het oog te kunnen onttrekken. Liever apekooien en dan flink op de bek vallen dan naar kantoor. Niet voor niets dat veel van zijn romans zich in het studentenleven afspelen, een schijnwereld pur sang, die door Giphart als hoogst utopisch wordt neergezet. Waar drank, seks en vlotte kameraadschap zo op het oog de ingrediënten zijn die iedereen op de been kunnen houden. Maar waar de ‘fat lady’, om het met een term van Truman Capote te formuleren, opzichtig en overal loert.
Giphart’s wereld is een van de echte wereld afgescheiden speelplaats waar men zich weigert voor te bereiden op het ‘echte’ leven. Giphart’s leespubliek, dat vaak uit jongeren bestaat, herkent deze wereld en alle ingrediënten eruit. Men weet dat deze schrijver solidair ermee is, dat hier iemand naar hen knipoogt, niet om leuk te doen, maar om de moed er ook bij hen in te houden. Met Giphart kun je lachen en tegelijkertijd beseffen dat de verschrikkingen allemaal nog gaan komen, maar gelukkig nu nog niet, al weet je het nooit helemaal zeker. Giphart’s stijl sluit hierbij aan. Ze is verre van realistisch, de dialogen in zijn werk zijn gedroomde dialogen, utopische transcripties. Zo zouden vrienden en geliefden mòeten praten. Zo open, maar niet heus, zo verlangend, en tegelijk vertwijfeld met een omweg. Zo praat niemand, dat weten zijn lezers heel goed, alleen in Giphart Land kun je het horen en lezen en ervan genieten.

verschuivingen
In zijn meer recente werk blijft Giphart trouw aan zijn uitgangspunten, al zijn er kleine verschuivingen zichtbaar. In de zeer geslaagde roman Ijsland (2010) staat opnieuw een utopische wereld centraal, die van het cabaret, waarvan hoog wordt opgegeven. Ook hier weer de kameraadschap, de gulle gebaren, de lachbuien en het verlangen voor eeuwig in die wereld te mogen verkeren. Maar Giphart brengt nu een nieuw element naar voren. In ijzersterke en ontroerende scènes probeert de held tevergeefs zijn wanhoop (waarover hij zich verbaast) over de ernstige ziekte van een pas geboren kind van zich af te praten. Het fraaie van deze scènes is dat Giphart zijn held niet echt verandert, hij laat hem een gretige nieuweling blijven die deze keer in de wereld van de dood en de gezondheidszorg terecht is gekomen en daar verwilderd rondstapt. In het verhaal ‘Mooie Mamma’s’ uit de nieuwste bundel De Wake keert Giphart nog even terug naar zijn oude vertrouwde studentenwereld. En weer laat hij de kameraadschap daarvan zien, het verlangen daarnaar, de utopische kanten ervan, maar deze keer blijft hij meer op afstand. Een puberjongen ligt in coma en doet zijn best een voorzichtige relatie te reconstrueren van zijn moeder met een student. Alles is liefdevol aan dit verhaal, en sentimenteel, dat ook, gelukkig maar, voorzichtig probeert de schrijver zijn tranen te verbergen achter deze keer kleinere maar daardoor juist zeer effectieve grappen.

solidair
Met welk oeuvre zou je dat van Giphart kunnen vergelijken? Bij mij komt de Amerikaanse veelschrijver Garrison Keillor bovendrijven die met zijn Lake Wobegon mythologie (onder andere Lake Wobegon Days, 1985, Pilgrims: A Wobegon Romance, 2009) vergelijkbare geïsoleerde werelden en een vergelijkbare toon in stand probeert te houden. Bij hem gaat het om de illusies van de plattelandsbewoners in de Midwest van de Verenigde Staten. Geestig werk is dit, ironisch wegwerpend, alles in de stijl van de omweg en de omkering, uiterst sensitief en altijd solidair met zijn personages en net zo afkerig van de Literaire Wereld als Giphart. Ook het werk van de grote Engelse schrijver P G Wodehouse (1881-1975) doemt bij me op. Hij is vaak verguisd als oppervlakkige veelschrijver over de Engelse adel, maar dan doe je hem ernstig tekort. Een geestig, gevoelig, misschien zelfs overgevoelig en sentimenteel schrijver, zoals Giphart, maar net als hij altijd trouw aan zijn helden, ook al zijn het leden van de Engelse adel die net doen alsof hun wereld niet is ingestort. Ook bij Wodehouse de vertwijfelde en uiterst hardnekkige poging ( hij schreef meer dan 96 romans rondom dezelfde figuren) de verschrikkingen op een afstand te houden via een lichte, doorzichtige en hoogst efficiënte stijl.
Je kunt wegwerpend naar Giphart’s oeuvre blijven kijken, wat veel boekbesprekers ook nu nog doen, al mindert het wel. Of keer op keer vragen wanneer hij nu eindelijk eens een ‘echt’ literair boek gaat schrijven, wat ze ook niet nalaten te schrijven. Maar dan vergis je je in de hardnekkigheid van Giphart’s literatuuropvatting. We hoeven er niet op te rekenen dat hij ineens met een of ander hoog literair en experimenteel boek zal komen aanzetten, nee, ook gesoebat zal niet helpen. Dit is wat hij doet en zal blijven doen, en wij literatuurgekken en halve gare literatuuruitleggers moeten ons daar nu maar eens bij neer leggen en met onbevreesde en onbevooroordeelde blik naar zijn werk kijken. Hoe dan ook, naar ons gaat hij toch niet luisteren.

In: De Groene Amsterdammer september 2012