BRIEVEN VAN VINCENT VAN GOGH

Vannacht had ik een verschrikkelijke nachtmerrie. Vincent van Gogh bleek pas in 1948 op 95-jarige leeftijd, in aanwezigheid van zijn 91-jarige broer Theo, in Saint Tropez te zijn overleden. Hij was in 1890 door de Franse psychiater Jean-Martin Charcot (voorloper en leermeester van Freud) genezen van zijn psychoses en begon sindsdien samen met Theo aan een succesvolle opmars in de kunstwereld die hem reusachtige rijkdom en vooral waardering bracht. Verwilderde beelden van Rolls Royces en galadiners. Iemand dwong me een krantenbericht uit 1948 te lezen: ‘In Saint Tropez drommen de treurenden samen rond het streng beveiligde huis van de grote schilder. Alleen intimi worden toegelaten. Mensen leggen zonnebloemen tegen het hek, iedereen is bedrukt. Picasso is gekomen, Jean Cocteau, Ghandi, Thomas Mann, Dali, allemaal zijn ze gekleed in eenvoudige landarbeiders kleding, het handelsmerk van de altijd bescheiden gebleven meester. Koningin Wilhelmina heeft samen met Prinses Juliana een condoleance telegram gestuurd.’ Vertwijfeld schreeuwend schrok ik wakker, je moet er niet aan denken.

Mythe
De mythe rondom Van Gogh kon uiteraard alleen ontstaan dank zij het uitblijven van succes tijdens zijn leven. Dat is de kern en tegelijk ook de noodzakelijke voorwaarde ervan. Overigens was succes tegen het einde van zijn leven niet meer zo erg ver weg. Het eerste schilderij werd nog voor zijn dood, in 1890, verkocht, hij wist ervan. De eerste bespreking van zijn werk verscheen in hetzelfde jaar in Mercure de France, een heel behoorlijk blad. Hij las het artikel niet zonder een gevoel van onbehagen. Hij voelde aankomen waar het in de toekomst met hem heen zou gaan, de mythe begon zich al op te dringen, hij was er, achteraf gezien met reden, niet erg gerust op. Hij bedankte in een prachtige brief de schrijver ervan, Albert Aurier, die de eer toekomt voor het eerst de kracht van Van Goghs werk te zien. ‘Hartelijk dank voor uw artikel in de Mercure de France dat me zeer heeft verrast. Ik vind het erg goed als kunstwerk op zichzelf, ik vind dat u schildert met woorden; enfin, in uw artikel vind ik mijn doeken terug, maar beter dan ze in werkelijkheid zijn, rijker, betekenisvoller.’ Kenmerkende Van Gogh zinnen: zonder omhaal van woorden, overal kunst in zien, zelfs in een kunstbeschouwing, en altijd en eeuwig onzeker over zijn werk. Is zijn werk wel zo interessant als Aurier het in zijn stuk voorstelt, vraagt hij zich vervolgens in alle ernst af. Let op de zin die volgt: ‘Toch voel ik me niet op mijn gemak als ik bedenk dat hetgeen u zegt, eerder op anderen van toepassing is dan op mij. Vooral bijvoorbeeld op Monticelli.’ En verderop doet hij ook nog een goed woordje voor Gauguin. Hij vindt dat zijn eigen aandeel in de schilderkunst van de toekomst altijd ‘van zeer ondergeschikt belang zal blijven.’ Valse bescheidenheid? Wie weet, maar men dient te bedenken dat onzekerheid over zijn werk hem zijn hele leven teisterde. Zoals het uiteraard hoort bij kunstenaars.

schitterende brieven
De monumentale uitgave van Van Gogh’s brieven leggen daar een schitterende en opzienbarende getuigenis van af. Schitterend omdat die uitgave niet alleen te lezen is als een gedetailleerde inleiding op het werk van Van Gogh, maar ook als een encyclopedie van en een inleiding in de laat negentiende eeuwse schilderkunst in het algemeen. En opzienbarend omdat deze uitgave voor het eerst alle recht doet aan de meer dan voortreffelijke schrijfkunst van Van Gogh. Lees bijvoorbeeld in dezelfde brief aan Aurier wat hij te berde brengt over schilderijen van cipressen die hij onder handen heeft en die maar niet willen slagen, let wel, een paar maanden voor zijn dood. ‘Tot dusver heb ik ze niet kunnen maken, zoals ik het voel’, schrijft hij, ‘de emoties die zich bij de aanblik van de natuur van mij meester maken doen me bijna flauwvallen en dan is het gevolg dat ik zo’n veertien dagen niet in staat ben om te werken. Maar voor ik hier wegga, ben ik toch van plan nog een keer een poging te wagen om de cipressen aan te pakken.’ Prachtig proza, dat staat vast. Al moet je toegeven dat we een dergelijke natuurbeleving niet meer kennen. Natuur in Europa is iets geworden voor toeristen en bejaarden, iets voor tevredenen en legen, zoals de dichter zegt, maar dit zijn zeker niet de woorden van de een of andere half hysterische gek, zoals men Van Gogh meestal in biografische werken of in films aan ons probeert te slijten. Deze nieuwe uitgave van de brieven zet de mythe rond werk en leven van Van Gogh, waar ik, net als iedereen, mee opgegroeid ben, volstrekt op losse schroeven. Over Van Gogh hoeven we het in ieder geval niet meer te hebben, dacht ik altijd voor ik deze uitgave las. Zijn werk is iets voor de democratische kunstbeleving van de gewone man, in het leven geroepen door de amusementsindustrie. Deze uitgave bewijst het tegendeel, ze ontsluit een eeuw, een wereld, een schilder en een schrijver.
Natuurlijk waren er al eerdere uitgaven, ik bezit bijvoorbeeld een editie van de Wereldbibliotheek (WB) uit 1952, oorspronkelijk nog uitgegeven door J. Van Gogh-Bonger
de weduwe van Theo van Gogh. Daarin ontbreekt een register, de brieven in het Frans zijn niet vertaald, (dat zijn er nogal wat), er staan summiere tijdsaanduidingen in, en er is flink ingegrepen in spelling en eigenaardigheden. Heel wat brieven ontbreken. In deze nieuwste uitgave is men zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke brieven gebleven, de schrijfdatum is zoveel mogelijk achterhaald en er is een uitvoerig register, ik moet zeggen er zijn verschillende registers, alles is moeiteloos terug te vinden. Vincents eerste brief (aan Theo) is bijvoorbeeld in de WB uitgave gedateerd ‘Augustus 1872’ , in de nieuwe uitgave staat ‘Den Haag, [29 september 187]2,’ met in de marge een klein gedrukte verklarende noot. In de WB versie luidt de tweede zin: ‘ Ik heb je de eerste dagen gemist en het was mij vreemd je niet te vinden als ik ’s middags thuis kwam’. In de nieuwste versie staat: ‘Ik heb je de eerste dagen gemist & het was mij vreemd je niet te vinden als ik s’ middags t’huis kwam.’ Een paar regels verderop staat in de WB-editie ‘vreselijk weer’, terwijl in de nieuwe uitgave ‘vreesselijk weer’ staat. Die tweede weergave zit dichterbij de oorspronkelijke tekst, dat is duidelijk, de fouten staan er gewoon in, mij bevalt dat.

nieuwe editie
Deze verschillen zouden niet onoverkomelijk hoeven te zijn, maar wat de nieuwe editie onvergelijkelijk schitterend maakt, dit kan niet genoeg benadrukt, zijn de illustraties en de noten. Alle getekende illustraties in de brieven van Van Gogh zijn in facsimile weergegeven. Van ieder genoemd kunstwerk, of het nu van Van Gogh is of een ander, is een afbeelding toegevoegd, vaak in kleur, ook al komt het werk soms vele keren in de brieven ter sprake, steeds staat de afbeelding erbij. Ook als Van Gogh het over een bepaald schilderij heeft waaraan hij werkt, vind je er een fraaie reproductie van. Alle namen van vrienden, kennissen, schrijvers, schilders, musici, tijdschriften, adressen, plaatsen, boeken, bijbelcitaten, andere citaten, alle genoemde schilderijen van anderen, krijgen van de samenstellers, die vanaf nu mijn vrienden zijn, een verklarende noot. Het is allemaal heerlijk, je leest schitterende brieven, en tegelijkertijd krijg je een complete encyclopedie voorgeschoteld van wat in het leven van Van Gogh telde, of je het nu wilt weten of niet. En ik wilde het weten, ik ging langzamerhand kijken, denken en voelen zoals Van Gogh deed, tenminste die illusie kreeg ik. Soms neemt de volledigheidsdrang van de samenstellers bijna komische vormen aan. Van Gogh was een fervent verzamelaar van gravures uit tijdschriften, hij knipte zich rot, kocht op markten en in antiquariaten soms absurd veel van die tijdschriften en legde gigantische verzamelingen aan. Allemaal om van te leren, om te kijken wat anderen deden, om op de hoogte te blijven. Hij kon nu eenmaal niet naar alle tentoonstellingen (wat had hij dat graag gewild) en dus stelde hij zich dan maar tevreden met gravures naar het werk van Millet, of Daumier of anderen. Soms schreef hij Theo welke plaatjes hij aan de wanden van zijn kamer had geprikt, met naam en toenaam. De samenstellers stelden er een eer in al die plaatjes te achterhalen en ze in het boek af te drukken, zonder dat je de hele tijd heen en weer hoeft te bladeren. Het is natuurlijk van de gekke, maar ik heb er enorm van genoten. Dichterbij een schilder kun je niet komen. Deze minutieuze begeleiding van de brieven maakt deze uitgave tot een mijlpaal. Mijn WB-editie, die overigens wel een paar illustraties bevat, kan weggegooid, toch jammer, ik kocht hem een jaar of zes geleden in Brussel voor 125 euro.

belezen
Maar dan de brieven zelf. Tussen 29 september 1872 en 23 juli 1890 schreef Van Gogh 819 brieven. Meestal zijn ze uitvoerig, korter dan 300 woorden is een zeldzaamheid, langer dan 2000 volstrekt normaal. Daarbij dien je te bedenken dat hij sommige brieven in meerdere versies schreef. Toen hij zich op 27 juli door zijn borst schoot (twee dagen later overleed hij) droeg hij een versie van een brief bij zich die hij op 23 juli aan Theo had verstuurd. Schilderen was nummer een in zijn leven, dat spreekt vanzelf, maar daarna kwamen de brieven. Hij schreef ze niet voor de toekomst, niet met een half oog op hun eventueel latere ‘literaire waarde’, voor de verkoop dus, zoals schrijvers dat meestal doen. Op geen enkele plaats dringt hij aan op bewaring omdat ze ‘iets’ waard zouden kunnen zijn. Dit betekent dat hij zich niet geleerder, eigenwijzer of interessanter voor hoefde te doen dan hij toch al was. Voor standje hoog houden had Van Gogh nu eenmaal bitter weinig talent en dus komen ook zijn mindere karaktertrekken ruim aan bod. Hij ontpopte zich, na de wat schoolse brieven uit zijn jonge jaren, steeds meer tot een groot epistolair talent, wat iets te maken moet hebben met de geweldige hoeveelheid literatuur die hij las. Hij leerde zichzelf schrijven zoals hij zichzelf leerde schilderen. Je hoefde hem na enkele jaren niets meer wijs te maken over de juiste beeldspraak, de goede spanningsboog, de valse grap, de ironie, de zelfkritiek en de af en aan golvende rationalisaties over zijn werk en dat van anderen. En de oedipale problematiek uit zijn jeugd (eeuwige ruzies met zijn vader) bleef tot aan zijn dood een belangrijke inspiratiebron. Hij paste zich zelfs aan bij zijn lezers: de brieven aan zijn zus Willemien zijn evident minder vertrouwelijk en platvloers dan die aan Theo of aan kunstbroeders. Zijn natuurbeschrijvingen zijn vaak adembenemend, zijn zelfkritiek is snijdend, soms overdreven bescheiden, zijn commentaren op collega’s zijn opbouwend maar af en toe vernietigend, je gelooft dan je ogen niet. De onterechte beschuldigingen aan het adres van zijn broer zijn soms beschamend en ordinair zelfzuchtig, om je plaatsvervangend rot te schamen. Maar altijd zijn de brieven voortreffelijk geschreven, ruig, to the point en volslagen onbevangen. Hij is doodgewoon een groot schrijver. In kleine kring was dit al jaren bekend, maar na deze monumentale en unieke uitgave is de tijd gekomen zijn statuur binnen de internationale letterkunde voorgoed te bevestigen. Kom op, zet hem naast Zola, Proust, Whitman, Multatuli en Gorter.

dagelijks leven
Je loopt bij lezing tegen vele verrassingen aan. De grote verrassing is dat hij in niets het heilig warhoofd is zoals hij in veel biografische werken, films en documentaires wordt voorgesteld. Wat een opluchting. Hij opereert volstrekt rationeel, redeneert voortreffelijk, argumenteert uitvoerig, soms overdreven gelijkhebberig, hij stelt zich niet vaak aan, en gaat met tegenslagen om zoals ieder ander dat zou doen. Woedend, verdrietig, wanhopig en altijd bereid er toch weer tegenaan te gaan. Wanneer hij aan geestelijke inzinkingen lijdt schrijft hij geen brieven omdat hij heel goed weet dat hij dan in onzin vervalt. Ook verrassend is dat hij maar weinig verslag uitbrengt van zijn dagelijks leven, al valt er genoeg tussen de regels door te lezen. Hij spitst zijn brieven toe op waar het volgens hem om ging : zijn werk, studies, de familie, de kunst, boeken en geld. Slechts af en toe krijg je een inkijkje in de barre omstandigheden waarin hij meestal verkeerde, in zijn dagelijks menu bijvoorbeeld en hoe hij de dag doorbracht. Als er geen geld was, dronk hij enorme sloten slechte koffie en de aller goedkoopste wijn, daar kreeg je geen honger van, beweert hij, al brak het hem later flink op, hij leed aan ernstige maagklachten. Heel soms dringt, vooral na een paar vergeefse en jammerlijke affaires, in de brieven iets door over zijn grote verlangen naar vrouwen dat hij bevredigde door naar de hoeren te gaan, wat voor alleenstaande mannen aan het einde van de negentiende eeuw tot de normale gang van zaken hoorde. Van Gogh schrijft er nooit o la la brieven over, hij beschrijft gewoon zoals het is, hij is ook op dit gebied verrassend aards. Ja, hij klaagt vervaarlijk veel over uitblijvende geldzendingen van Theo, dat heeft ternauwernood iets te maken met zijn eigen armoe, maar zonder geld kan hij geen hij verf kopen en geen modellen inhuren. Dan ligt het werk stil. En Theo, aan wie uiteraard alle eer toekomt, stuurt hem braaf grote sommen geld. Soms geeft hij veel uit aan in onze ogen rare zaken, het verzameld werk van Dickens in het Frans bijvoorbeeld, terwijl hij toch echt voortreffelijk Engels las, of weer eens een grote stapel geïllustreerde bladen maar zijn broer (en ook ik) vergaf het hem allemaal. En hoeren kostten ook forse bedragen, hij heeft het over een ‘dikke hoer’ waarvoor hij 2 francs moest neerleggen. Over zijn gezondheid die de laatste jaren voor zijn dood zeer precair was, schrijft hij merkwaardig laconiek. Hij lijkt aan alle misère te willen wennen, hij vreest af en toe voor genezing omdat hij dan voortdurend bang moet zijn voor een terugval. Hij is zelfs in staat over zijn tijdelijk soms benarde geestelijke toestand grappen te maken. Zo schrijft hij ergens dat het voor zijn gezondheid misschien beter was geweest wanneer hij in een katholiek gezin was opgegroeid, maar ja, het is niet anders. En hiermee komen we bij de volgende verrassing. Van Gogh is meer dan eens geweldig geestig, al moet je er wel oog voor hebben, hij houdt van kleine, verborgen grappen. Hij heeft het bijvoorbeeld in een brief aan Theo uit 1889 over gewone mensen die kleurenplaten kopen en ‘sentimenteel naar draaiorgels luisteren’. Verderop beschrijft hij dan een doek waaraan hij werkt en dat hij net zo ‘alledaags’ noemt als ‘een van die kleurenprenten uit een bazaar die eeuwige nestjes in het groen voor verliefden voorstellen.’ En dan komt dit: ‘Je hoeft er- wat helaas ontbreekt bij kleurenprenten uit een bazaar en bij draaiorgels- alleen maar stijl in te brengen.’ En een paar maanden later schrijft hij aan Theo over een Hollandse amateurschilder die hem op heeft gezocht en waar hij duidelijk geen hoge pet van op heeft: ‘De Hollander werkt met tamelijk veel toewijding, maar maakt zich nog heel wat illusies over de originaliteit van zijn manier van kijken.’ Soms weet je niet zeker of hij het nu meent of niet. Hij schrijft Theo op een gegeven moment over plannen om in het Vreemdelingenlegioen te gaan, deze schrijft verschrikt terug dat dit hem helemaal niks lijkt, maar van Gogh houdt zowaar nog even vol, volgens mij duidelijk om Theo eens flink te zieken. Verrassend is ook de onverbloemd seksuele terminologie wanneer het over kijken naar schilderijen gaat. In een zeer geestige en onverbloemde brief aan collega Bernard van 5 augustus 1888 legt hij duidelijk een ironisch verband tussen schilderkunst en ‘neuken’ en een ‘stijve’ krijgen. Je kunt volgens hem beter niet teveel naar de hoeren gaan, want dat betekent dat alle ‘creatieve sappen’ wegstromen naar ‘waar de beroepspooiers en de eenvoudige, weldoorvoede klanten harder dan wijzelf werken aan de bevrediging van de geslachtsorganen van de geregistreerde hoer in dit geval’. Het gaat erom, schrijft hij gekscherend maar wel degelijk met een ernstige ondertoon, een stijve in je werk te creëren, niet daarbuiten: ‘Cézanne is juist een man die burgerlijk is getrouwd, zoals de oude Hollanders. Als hij een stijve heeft in zijn werk, dan komt dat omdat hij niet te zeer is aangetast door het losbandige leven.’
Het is niet nodig in Van Gogh op alle gebied een profeet te zien. Veel van de maatschappelijke ontwikkelingen waar hij met zijn neus bovenop stond gaan gewoon aan hem voorbij. Hij ziet niets in het socialisme, de naam Marx komt niet eens in de brieven voor. Maar op schilderkundig gebied hoefde je hem niks wijs te maken, hij weet alles wat er gaande is, zijn kennis van de bestaande schilderkunst is fenomenaal, niet voor niets dat schilders als Gauguin en Bernard veel waarde aan zijn oordeel hechtten. Ook op letterkundig gebied weet hij heel goed het kaf van het koren te scheiden.

veellezer
Hij was een reusachtige veellezer, hoe hij alles bij elkaar las, tussen het obsessieve geschilder door, mag een wonder heten, waarbij je dient te bedenken dat hij schrijvers als Dickens, Hugo en Balzac rustig in hun geheel herlas en dan noem ik maar een paar namen. Hij zag onmiddellijk de grootheid van het werk van zijn tijdgenoot Zola die hij las en herlas. Hij was altijd op zoek naar wat hij de ‘kern’ van deze schrijvers noemde, naar wat ‘de ziel’ en het `krachtige’ van hun personages uitmaakte. Zoals hij ook in schilderijen naar de ziel van het werk zocht, naar wat een werk ‘krachtig’ maakte, ‘natuurlijk’ en ‘gezond’. Deze begrippen vormden het instrumentarium waarmee hij naar kunst keek en literatuur las. Nederlandstalige literatuur las hij nauwelijks, al bleef hij wel trouw aan De Genestet, de lieveling van zijn ouders, en ziet hij de kracht van het werk van Hendrik Conscience, ondanks zijn kritiek op het sentimentele ervan. Tot mijn verbazing las en waardeerde hij gedichten van Walt Whitman waarmee hij in ons taalgebied tot een van de eerste lezers van dit werk behoorde. Daarover schrijft hij in 1888 (Whitman leefde nog!) aan zijn zus een schitterend en treffend commentaar. ‘Heb je de Amerikaanse gedichten van Whitman al gelezen? Theo zal ze wel hebben en ik raad je sterk aan ze te lezen omdat ze ten eerste echt mooi zijn en verder praten de Engelschen tegenwoordig er veel over. Hij ziet in de toekomst en zelfs in het heden een wereld vol van gezondheid, van onbekrompen en oprechte vleselijke liefde- van vriendschap- van arbeid (…). Eerst moet je erom glimlachen, zo onschuldig is het, en dan stemt het om dezelfde reden tot nadenken.’ Van Gogh moet in hem een zielsverwant hebben herkend. Hij kon niet weten dat Whitman net zo’n grote bewonderaar van de schilder Millet was als hijzelf, dit had zijn enthousiasme waarschijnlijk nog veel groter gemaakt.

monument
Deze uitgave is, dat zal duidelijk zijn, en ik herhaal het nog maar eens, een monument. En er is meer: op www.vangoghletters.org vind je een schat aan aanvullende informatie, die niet in deze uitgave kon omdat ze anders onhanteerbaar zou worden. Nu is ze een wonder van schoonheid èn van hanteerbaarheid. Deze editie is verplichte kost voor schilders, studenten van kunstacademies en schrijvers en voor alle andere in kunst geïnteresseerden. Je bent er ruim een week mee onder de pannen: eindelijk verlost van alle dagelijkse prietpraat en het gedoe. Het hield bij mij de moed erin, ik wilde zo snel mogelijk aan een mooie roman beginnen. Koop het, zo duur is het niet, laat me niet lachen, dan maar een paar avonden minder naar het café of een minder duur pak of dure jurk. Lees het, je durft weer helder om je heen te kijken als je deze brieven gelezen hebt. Ze zijn om te lachen en om te huiveren. Om te huilen ook, omdat we nu, achteraf, alles beter menen te weten en alle uitkomsten kennen. Ik leefde met Van Gogh mee als een bakvis met haar eerste vriendje en hierbij beloof ik plechtig hem nooit meer te zullen vergeten. Ik begon me steeds meer te schamen voor alle vooroordelen die ik me ooit heb aangemeten of laten aanpraten. Ik was er ontdaan van, ik geloof dat dit de meest rake omschrijving is van wat me tijdens het lezen beving. Deze uitgave stelde me in staat me te ontdoen van alles wat ik meende te weten over het leven en het werk van deze grote schilder en schrijver.

Vincent van Gogh, De brieven, zesdelige uitgave, onder redactie van Leo Jansen, Hans Luijten en Nienke Bakker, 2240 pagina’s, Amsterdam University Press, prijs 325.- euro

in: Ons Erfdeel 2011