THE VERY BEST

In de winter van 1989, mijn dagschrift meldt de precieze datum niet, het moet ergens in februari zijn geweest, kreeg ik een uitnodiging om in Zuidhorn (Groningen) te komen voorlezen. Andere deelnemers waren onder andere Lieve Joris en Arjen Duinker. Ik was invaller, August Willemsen was ziek geworden. Op het affiche staat mijn naam niet, ik werd drie dagen voor het begin van het kleine literaire festival uitgenodigd, mijn debuutboek was vlak daarvoor uitgekomen. Ik ken Arjen Duinker dus ruim 21 jaar. Het was koud, het had gesneeuwd, ik reed destijds in een Lancia Thema 2000 die ik van mijn schoonvader had gekregen en waarmee ik af en toe 190 kilometer op Duitse snelwegen had gereden. Arjen reed met me mee van het ontvangsthuis naar de optreedzaal. ‘Een beetje schrijver rijdt in een patser auto,’ zei ik. Hij was het hier mee eens.
Toen ik vertelde dat mijn familie van mijn moeders en vaders kant uit Delft komt, was het ijs gebroken. Arjen spreekt niet heel erg Delfts, hij kan het mooi imiteren, ik vertelde over mijn tantes, die wel prachtig Delfts praatten. Mijn moeder sprak het alleen als ze bij haar familie was. Oom Henk, Oom Wim, Tante Marie, dikke Tante Cor, andere tante Cor, bij de laatste logeerde ik vaak. Op de Gasthuislaan, het huis is afgebroken, er staat nu een modern huizencomplex, de gracht is nog steeds schitterend, de brug naar het Oosteinde meesterlijk. Bij oom Wout, schoenmaker. Tante Cor en Oom Wout hadden vier kinderen: Leny, Wim, Jan en Corrie. Wim is dood, ik was een jaar geleden op zijn begrafenis, hij was een fanatiek korfballer bij Fortuna. Mijn grootvader van moederskant heette Willem Rougoor, hij woonde ook op de Gasthuislaan, vlak bij Tante Cor dus, zijn huisje is er nog. Mijn andere grootvader woonde op de Vrijebanselaan. Als je met tram lijn 1 vanuit Den Haag Delft binnenkomt, is het rechts, nummer 3, het huis is nog onveranderd. Ze waren allebei smid en werkten in ijzerfabriek Reineveld . Jan ’t Hart was in Delft de eerste wethouder van de SDAP. Over dit soort zaken hadden we het.
Na afloop van het voorlezen (het ging bij mij buitengewoon slecht) werden we onthaald bij een van de organisatoren van het festival. Zijn achternaam weet ik niet meer, maar ook nu nog hebben Arjen en ik het vaak over ‘kleine Meneer Kees’: de gastheer was klein en heette Kees. We zetten daar onze gesprekken over Delft voort, over poëzie hadden we het niet. In de maanden die volgden staat over Arjen niks in mijn dagschriftjes, maar we begonnen elkaar brieven te schrijven. Die heb ik nog. Ze gaan vaak over biljarten, de familie ’t Hart in Delft (er wonen behalve mijn familie, nog ettelijke andere ’t Harten, vaak werkzaam in de schilderindustrie en in meubelbedrijven, of ze zijn betrokken bij duistere zaken), sport, rekenkunst, ‘de werkelijkheid als doorslaggevend argument’, twijfel, Delft, zuipen, klaverjassen, Willy Alberti en Feijenoord. Citaat: ‘Overigens werkt in Café Altijd Gezelligheid mijn favoriete ober, Leo Arkestein, uit Schipluiden. Zijn vader en moeder heetten daar De Beer en De Zeug, omdat ze leefden van de prestaties van hun fokvarken. Maar Leo Arkestein werkte tot voor kort nog in Café Sint Joris en de Draak, ook wel Café Overgaag, ook wel Rooie Willem, want Willem Overgaag had peentjes op zijn hoofd.’
In begin 1991 zochten Euf en ik Arjen op, hij woonde toen nog aan de Oranje Plantage, hij keek uit op de Schie, waarin ik vroeger had gevist. We praatten toen ook over gedichten, hij liet me een lang gedicht zien dat bestond uit de steeds terugkerende zin: ‘de zon schijnt mooi’, later moest het gepubliceerd worden.
We maakten een wandeling door Delft. Liepen in de richting van de Verversdijk, waar mijn moeder op nummer 121 gewoond heeft, en langs het huis van Jan Schoonhoven. Arjen groette een man met verwilderde haren, die kende hij uit café De Klok. Ik vertelde dat ergens in Delft nog een neef van me moest wonen, een zoon van tante Jeanne, een zus van mijn moeder, hij geeft les aan de TH, ik had hem al een tijd niet gezien. Misschien ken je hem wel. Hoe heet die man, vroeg hij. Nanning Waning. Hierop bleef hij stilstaan, greep me bij mijn arm, keek me grijnzend aan. Die man die ik net groette, zei hij, die man met die verwilderde haren, weet je wie dat was? Nee. Dat was dus Nanning Waning. Later die middag ontmoette ik hem in café De Klok. In Delft is alles mogelijk.

Desmet 19 april 2003
(dagschrift: ‘De Heer Bunt Desmet aaneengeslotenschrijven op straat: blinken dat ding’)
Op 19 april 2003 lazen Arjen en ik in Amsterdam, in de Desmet studio van de VPRO voor het eerst samen een van Arjen’s dialoog gedichten voor. De Zon. In het onvolprezen programma De Avonden van Wim Noordhoek. Hoe het allemaal begon weet ik niet meer, het staat nergens. Ik stel me voor dat Arjen zei: zullen we ‘De Zon’ een keer samen doen. En dat ik ‘ja’ zei. Zo gaat onze samenwerking, woorden zijn niet nodig. Vanaf die dag hebben we, schat ik, twintig keer voorgelezen. Hierbij breng ik verslag uit. Ik put daarvoor uit herinneringen en mijn dagschriften, waarbij men zich niet al te veel moet voorstellen. Sinds mijn twaalfde jaar schrijf ik af en toe gegevens van de dag in een schrift, voor ieder jaar één schrift (ik schrijf nu dus in mijn 44e schrift). Het zijn onbruikbare aantekeningen, of er staan alleen een paar kreten. Van persoonlijke ontboezemingen is zelden sprake, schrijfinvallen ontbreken, soms staan er woorden waarbij ik me geen enkele voorstelling meer kan maken. Op 18 oktober 1962: ‘-fietsband drie keer-onvoorstel-gewelddadig manoevreren- betrapt op nepbril’ En op 16 februari 1972:‘zwarte radioaansluiting, kabouter op straat- dingen voor de deur gelegd, John Wayne gedichten, morgenvroeg taalbeheersing vanaf 09.15 bij jan gerritsen, Tuschinsky.’
Op de dag van onze wandeling door Delft ( 14 april 1991) staan alleen de woorden ‘Delft’, ‘Nanning’ in het schrift. Al bij de eerste keer organiseerden we, zonder dat we ook maar iets organiseerden, een vaste optreedprocedure. Zonder procedure geen optreden. Eerst controleren of we allebei de juiste tekst hebben. Nachtmerrie: de verkeerde tekst. Nooit gebeurd. Arjen leest altijd de linker regels, ik de rechter. Dus ook blaadjes tellen en nummeren. Kijken of de blaadjes niet aan elkaar plakken. Nachtmerrie: Arjen heeft p.11 onder ogen, ik p.12 (wegens plakken). Nooit gebeurd. Dan controleren op doorlopen. Soms gaan de regels op de volgende pagina door, dus moet je dan snel het blaadje wegschuiven en achter de andere blaadjes opbergen. Meestal niet meer dan twee of drie doorlopen. Mijn angst: ik krijg de blaadjes niet snel genoeg weg, sta te hannesen, ze plakken, ik rommel, blaadjes wapperen in het rond, vallen. Nooit gebeurd. Arjen’s angst: weet ik niet. De eerste keer in Desmet oefenden we, daarna nooit meer gedaan. Leesafspraken: geen. Nooit leesafspraken. Arjen staat links van me, ik rechts van Arjen. Kijk je vanuit de zaal, dan staat Arjen rechts en ik links. Zo gaat het. Er moeten twee staande microfoons zijn. Opkomst, blaadjes in hand, Arjen kijkt naar me, zullen we?, ja?. Hij begint. We lezen, we versnellen, we vertragen, we mompelen, we roepen, we wijzen, we kijken, we fluisteren, vertragen, versnellen. Einde. Elkaar een hand geven. Wim zorgde die eerste keer voor een opname!Geen geld. Reiskostenvergoeding.

Desmet 16 juni 2003
(‘dagschrift:-‘Desmet orkestleden ginnegappen bont tafelkleed.’ )
We lezen ‘De Wereld’ voor publiek, rumoerig, het wordt live uitgezonden. Dit was de eerste keer live. ‘De Wereld’ duurt ongeveer 22 minuten, we drinken vooraf na de voorbereidingprocedure een paar glazen bier. Die ginnegappende orkestleden herinner ik me nog. We zaten in een live-show van De Avonden, onder andere met Frans Thomése en Wim de Bie. Achter ons is een orkestje, de voormalige begeleidingsgroep van Ischa Meijer (hoe heetten ze destijds ook alweer: ‘De Ischa’s’, ‘De Meiers?.’) Tijdens ons voorlezen toenemend geroezemoes, wat we fijn vinden, later ook afkeurend geroep in de zaal, gevolgd door aanmoedigingskreten. We vinden zowel afkeuring als aanmoediging volkomen terecht. Ik herinner me de glimlach op het gezicht van Wim Noordhoek, ergens in het duister van de zaal. Zo ziet hij het graag. De band ginnegapt en maakt ongein. Volkomen terecht. Wanneer we klaar zijn slaat de drummer een roffel. Applaus. Reiskostenvergoeding.

Vredenburg, vrijdagnacht 16 januari 2004
( dagschrift: ‘schilderwerk, decor, Vredenburg 23.30, oud meisje, kristalsuiker als woord’). Het oud meisje was een ex klasgenote van me van de middelbare school, ik ontmoet haar beneden in de verblijfsruimte van Vredenburg. In verschrikkelijk helder licht. Dit is bij een grote avond over lezen van de VPRO. Over Lezen? Lezen? Niet De Nacht van de Poëzie. Het programma loopt uit, we moeten ook een fragment van de Finnegans Wake vertaling van Bindervoet en Henkes voorlezen. Te vergelijken met watertrappen met kleren aan: ‘Van wiens gepreaggraveerde plultibast, volgens piersies o’rekkelijke theologieën ( er warena genoegdhoertig heroens in die alrasjiele oordoorsteexe drake), zij algelijk in de stelling waren te zeggen, met betrekkingen van ducomans nummin een (…)’. Grootscheepse haatgevoelens en jeuk. ’s Nachts om een uur of twee lezen we pas. Verdrijven de tijd met ouehoeren. Weinig geld: 200 de man. De Wereld. Halfvolle zaal. Na afloop luid geschreeuw.

Haarlem, 14 februari 2004.
(dagschrift: ‘Harlem’)
Vooraf in zaal bij elkaar zitten, The Bluebird. Weinig publiek. Veel of weinig publiek: het is allemaal volkomen terecht. 250 de man.

Amsterdam, 18 april 2005.
(dagschrift:ontbreekt)
Arjen is genomineerd voor de VSB-prijs. We lezen in De Rode Hoed op een soort voor-avond een fragment uit De Zon. Grote leessnelheid. Geen geld.

Amsterdam, 22 april 2005
(dagschrift: ‘ingezonden brief, steltvogel, spaanse stem belt op, vanavond vsb-prijs, bij de OU-deur probeert een man me een vogelkooitje te verkopen, dankgewas, geëngageerd denken, wie zei het.’)
Arjen wint de VSB-prijs. We lezen hetzelfde fragment. Rumoerige avond met Mieke van der Weij. Geen geld. Geen consumptiebonnen.

Leeuwarden, zaterdag 3 juli 2004.
(dagschrift: ‘zes punten kunnen niet verbonden worden’)
We lezen ‘The Bluebird’ in het restaurant van het Fries Museum, ter gelegenheid van de opening van Euf’s vogeltentoonstelling. Microfoons ontbreken, dan maar wat harder praten.
Listen
Listen look
There is a bluebird
Sure there is a bluebird
Great sure bluebird
In history
Great sure bluebird
Bluebird in history
No waterfalls around
Because of no mountains
around the bluebird
History without mountains
Listen to history
Without waterfalls the bluebird
On every battlefield in the distance
Incredible distance
Incredible bluebird
Red
Black
Singing on southern shores
Red


Na afloop probeer ik uit te leggen dat we zo Amerikaans mogelijk Engels praatten omdat de ‘Bluebird’ een Amerikaanse vogel is. Dat van die zes punten herinner ik me. Wanneer je twee rijen van drie punten met elkaar probeert te verbinden, de bovenste rij met de onderste, moeten altijd twee lijnen elkaar kruisen. Altijd 300.
. . .
. . .


Middelburg, maandag 5 september 2005.
(dagschrift: ‘beroepsprof, wortelneusbehandeling lijkt richting opgave procedure, snelheid, reünie-uitnodiging van Willemien.’)
We lezen voor met veel Querido-schrijvers in een grote tent op het mooie plein bij de Abdij. Bernlef, Anne Vegter, Veel tentjes met boeken, drank, waaiende bomen boordevol bladeren. Ik loop vlak voor we opmoeten achter de tent onophoudelijk heen en weer, ineens op van de zenuwen, er is iemand voor ons (naam vergeten) die veel te lang doorgaat. Zal ik nog een gedicht doen? Zegt ze steeds. Margot is haar voornaam. Het podium is hoog, ik sla per ongeluk twee regels over, lees een regel van Arjen, hij daarna een van mij. Het publiek zit erbij en kijkt er zwijgend naar. Volkomen terecht. Na afloop vertellen we een man dat we erg vaak oefenen, anders wordt het niks. Hotelkosten vergoed.

Assen, woensdag 8 december 2005
( dagschrift: ‘Assen’)
Ergens in oktober belt een oude dienstvriend me op, nog van de luchtmacht. Hij was beroeps, werd uiteindelijk brigade-generaal, ik zag hem in juli in Nijmegen tijdens de binnenkomst van de Vierdaagse omdat mijn broer meeliep. Hij liep ook mee, in uniform, met zijn rang erop. Ik rende naar hem toe, we praatten even. ( ‘Jezus, je bent generaal’, zei ik). Hij had ons in Haarlem zien voorlezen. ‘Erg mooi.’ Zouden we dat een keer voor soldaten willen doen? In het kader van vorming. Culturele Vorming. Nee, we waren niet de enigen, allerlei mensen uit de culturele wereld. De zanger Maarten van Roozendaal, schilder Peter Klashorst, filmer Pieter Verhoeff. In allerlei zalen van de Johan Willem Friso Kazerne in Assen waar landmacht soldaten hun eerste opleiding krijgen. 600 Euro de man.
Ik voel er niet veel voor, wat moeten we daar, ze blazen ons van het podium maar Arjen is direct enthousiast. We doen het, zegt hij. Dit is een grote kans. Ik op van de zenuwen. Grote zaal in de kazerne, van het station gehaald in een Volkswagenbusje. Grote vrolijkheid met de chauffeur die thuis drie dichtbundels heeft: Nijhoff, De Genestet en Schierbeek. Verschrikkelijk met hem gelachen. In de kazerne ontvangen als helden. Zeker vierhonderd mannen en vrouwen in de zaal, tamelijk opgewonden sfeer, we lezen na een optreden van een orkest met blazers. Ze spelen stukken uit ‘L’Histoire du Soldat’. Militaire band? We hebben geen idee. Aan ons vooraf gaat een korte introductie waar we niks van verstaan. We doen ‘De Zon’. Veel applaus bij opkomst en toenemend gelach tijdens de voordracht. Echte bevrijdende en verwarmende lachbuiten. Geweldige respons, we lezen als een trein.

Antwerpen, zaterdag 28 januari 2006
(dagschrift: ‘`situatie gewijzigd’ gebruiken, om Droste-effect uit leggen, Gödel en Bach, Verstappen, de negenproef’).
De negenproef is een volkomen sluitend systeem om te controleren of vermenigvuldigingen correct zijn. Marc Verstappen is de organisator van ‘De Nachten’ in Antwerpen. Of we daar ‘De Wereld’ willen brengen. Er is geld, 400 de man. Grootscheeps literatuurfestival in Antwerpen. Het vindt plaats in De Singel, gebouwencomplex, we lopen rond tussen letterlijk duizenden jonge mensen, die in de wandelgangen met elkaar staan te praten, overal zalen. We hebben een eigen kleedkamer. We zijn in de grote zaal gepland, na Annelies Verbeke en voor Kamagurka. Tijdstip 21.15 uur. De zaal is vol, zeker 1500 man en vrouw, hoofdzakelijk jong. We zijn het er mee eens. Achter het podium loop ik weer heen en weer, de zenuwen, het moet dan maar, Marc komt even langs om ons gerust te stellen. ‘Hier gaat alles altijd goed,’ zegt hij. Bij opkomst schrik ik van de hoeveelheid mensen. We lezen. Langzamerhand toenemend geluid vanuit de zaal, gelach, geschreeuw, boegeroep, aanmoedigingen, alles dwars door elkaar. Later horen we van Euf dat bij haar in de buurt de jongens en meisjes zich met de zin: ‘jongens en meisjes roepen maar wat’ uitstekend vermaken. Ze zeggen het na, schateren ervan, zeggen steeds zinnen na. Na afloop grootste applaus en boegeroep ooit. Er valt veel voor te zeggen. Sterk tekort aan Consumptiebonnen. Na ons Kamagurka, we verstaan niet wat hij over ons zegt.

Landgraaf, 23 april 2006
(Dagschrift: ‘Tarski in Amsterdam, Krasnapolsky, volboeken op de markt, willen jullie daar eens mee ophouden, dempen, geel licht, domheidsjongen (?)’).
We rijden gezamenlijk met de auto. Mooie heuvels. Kunnen de zaal van het festival met moeite vinden, Lizette Duyvendak van de Open Universiteit is er. Een harmonieorkest drinkt bier op het terrasje van het café waarachter de voordracht zaal is. We genieten van de stemmen en de uniformen. Esther Jansma geeft bij al haar gedichten vooraf een uitvoerige toelichting die langer is dan de gedichten zelf. We gaan een boek maken met inleidingen bij voor te lezen gedichten. ‘Ik schreef dit gedicht toen ik 32 jaar was en tijdens een vakantie op een straathoek in Toledo aan mijn moeder dacht. Het neonlicht dat genoemd wordt, was inderdaad lichtroze. De sirenes in het gedicht zijn een verwijzing naar de sirenes die op 11 september 2001 in New York klonken. Dit gedicht is niet op rijm.‘ The Blue Bird. Geld weet ik niet meer, haast niks.

Delft, 16 oktober 2006
( Dagschrift: ‘betonvlechten’)
We lezen voor betonvlechters, om 12 uur ’s middags, in een bouwput aan de Kloosterkade. Allebei een helm op en beschermende kleding aan. Veertien mannen. Koffie vooraf. Na afloop napraten en ongelofelijke pret. De vader van Natasha, vrouw van Eltjo, is betonvlechter (Natasha haar broer trouwens ook). Zeer aardige man, vol van jazz, weet alles over de Amerikaanse avantgarde saxofonist John Zorn. Hij heeft me een keer tijdens een feestje bij Arjen tips gegeven over cd’s die ik van hem wel en niet van Zorn moet kopen. Hij vroeg Arjen of we niet een keer konden voorlezen voor de jongens. Leuke jongens. Geen microfoons, niet nodig. De jongens en mannen zitten, wij staan. De Zon.

Nijmegen, 3 december 2006
(Dagschrift: ‘computer gebint te fucken, per ongeluk Amsterdam’)
Wintertuin in Nijmegen. Zwaan en Zazie zijn mee, ze zitten in de kantine van het culturele centrum op Mariënburg te tekenen. Het lezen gaat fabuleus. Geen idee waarom. Het publiek is muisstil, licht in de zaal is poederig, kaarslicht ergens? Geld vergeten, 200 de man? Na lezen snel in de auto terug.

Delft, 3 maart 2007
( Dagschrift: ‘Delft opening, beurt fiat’)
Fantastische opdracht: we treden op bij de opening van de grote tentoonstelling ‘Contour/Continuïteit, Heden en Verleden’. Gemaakt door Jaap van den Ende en Jan Hein Sassen. In onder andere Museum Prinsenhof. We schrijven er een speciaal gedicht voor: Fantastische Lippen. In de weken vooraf stuurt Arjen steeds via e-mail woorden, zinnen, mogelijkheden, kansen, alles moet mogelijk zijn. Barentszee, geheimen, Klukluk. Ik reageer, voeg toe, zet voor, vergelijk. Vergelijkend schrijven. Zie ‘Buurtkinderen’ p. 123-132.

Dit is een geheim
Stemmen zijn geel en licht gepoederd
Kun je een geheim bewaren

Stemmen zijn geel en licht gepoederd
Tequila
Ja dit is een geheim
Hey kijk naar me kijk naar me

De opening is in de Oude Kerk van Delft, de Oude Jan. We gaan er vooraf heen, microfoons staan bij de preekstoel. We lezen een klein stukje om het geluid te testen. Ik ben trots en verlegen, weet zeker dat al mijn voorouders vandaag meeluisteren. De Oude Kerk in Delft! Mooier kan niet. Het is ijskoud in de kerk, iedereen houdt de jassen aan, wij niet. Er daalt grote rust in ons neer, we zijn experienced. We gaan ze gek maken, die kunstenaars. Eerst toespraken, dan wij. Ik zie de gezichten, we zijn volstrekt onverstoorbaar. 800 euro de man. ‘Een gedicht moet mogelijkheden scheppen’, zegt Arjen na afloop. In De Klok is Cees Nooteboom. We vragen of hij mee wil doen aan ons boek: ‘Inleidingen bij Gedichten.’

Rotterdam, 29 september 2007
(dagschrift: ‘astroloog Robby Padameus te Rotterdam, 16.00 uur Jacob, Willem van Maanen, de als woord, teddy bear vertalen voor de Zappa band, inleiding in de astrologie kopen’). We lezen ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Surrealisme’ in het Boymans Museum (het Godfried Bomans Museum). Plaats van lezing de kantine van het museum. Tijdstip 12.00 uur ’s middags. Geld nauwelijks. Ik herinner me 100 de man. Andere lezers zijn Astrid Lampe, Anne Vegter en Alfred Schaffer. Het geluid in de kantine is abominabel slecht, het publiek eet begrijpelijkerwijs broodjes en soep. Het surrealisme als kantineevenement. We hebben geen bezwaar. Ook niet tegen de voor en de nadelen. We lezen Fantastische Lippen, het geluid is wat beter geworden.

Minneapolis, 12 oktober 2007
(dagschrift: …)
We zijn uitgenodigd om op het Rain Taxi Bookfestival in Minneapolis voor te lezen. We logeren bij Nor Hall. Bij aankomst op het vliegveld van Minneapolis een paar dagen eerder ,is Arjen door een douanier uit de rij geplukt. Hij waarschuwde Euf en mij al, hij is vrijwel altijd de klos. Wanneer ik zeg dat wij bij hem horen ( ‘we are his friends’) moeten we ook uit de rij komen. We wachten in een klein kantoor: samen met anderen. We zijn de enige witten. Arjen moet uitleggen wat hij precies in Minneapolis komt doen. Voorlezen op uitnodiging van The Book Festival. Enig ongeloof bij de douane. Voorlezen op een festival? Yes, sir. Arjen is enorm beleefd. Maar wat doet u dan precies. ‘I am a poet.’ ‘What kind of poetry do you write?’ ‘The very best.’ Hij mag weer gaan zitten, we moeten nog een half uurtje wachten, dan mogen we het land in.
We treden op in een kleine zaal van een groot zalencomplex. We lezen The Bluebird ’s ochtends om half elf voor. Na afloop wil iedereen iets tegen ons zeggen. Dat de stemmen goed bij elkaar passen, dat we zeker wel vaak oefenen, dat we voor de nationale televisie moeten optreden. We krijgen het gevoel hier welkom te zijn. Ieder jaar organiseren Eric Lorberer en zijn vrouw Kelly Everding dit literair festival. Overal staan stalletjes van uitgeverijen in Minneapolis/St Paul en omgeving. Zeker zestig. De avond tevoren leggen we aan een vrolijk gezelschap Amerikaanse dichters en schrijvers en Eric en Kelly in café ‘Joe’s Garage’ het Wilhelmus uit. Vrolijker kan niet. Geen geld voor optreden, reis is door het Fonds betaald.

Utrecht, 19 april 2008
(dagschrift: ‘Heerenveen-Excelsior, Feest Bernard, keizer en jonkvrouw’)
We lezen in Café Hofman op het Jans Kerkhof. Veel Utrechtse dichters. De introductie van de gedichten is bij de dichters opnieuw langer dan de gedichten zelf. Feestelijk lezen. Na afloop praat Arjen langdurig met een paar vrouwen die zeggen dat ze regelmatig schilderen. Waren we hier met de auto of met de trein. Totaal onbekende reis. Geld 200 de man? Rode consumptiebonnen.

Den Haag, 6 juni 2008
(dagschrift: ‘honkbal’)
Marie Jeanne vraagt ons speciaal voor de opening van Den Haag Sculptuur in de Stadsschouwburg een gedicht te maken. De weken en dagen ervoor gaan we aan de slag. Dezelfde procedure als bij ‘Fantastische Lippen’. Mailen, plezier maken, ‘That’s a par five/Make yourself comfortable.’ Zinnen heen en weer schuiven

Take a picture
Om iets mogelijk te maken met
nieuwsgierigheid
Do you get the picture
Ik zie een doosje dat is waar
Mogelijk met een droom
Ja daar verlang ik naar
Als a dan b
Ja daar verlang ik naar

Zie de catalogus van ‘Den Haag Sculptuur 2008’. Ik kan de zaal inkijken. Ik lees ineens niet verder, waarom weet ik niet, Arjen pakt het op. Het hoort er allemaal bij. Er hangt duisternis in de zaal, toch zie ik verschillende ogen. Een paar blaadjes plakken aan elkaar. Alles loopt goed af. Bij de borrel in Pulchri maken we kennis met de culturele attaché van Peru. Hij complimenteert ons met de voorstelling en geeft Arjen zijn kaartje. Later zien we een foto waarop op de achtergrond een trompettist op het podium zit te luisteren. 600 de man.

Delft, 27 november 2008
(dagschrift: ‘blauw meisje paardenstaart tripte, pulpliteratuur, eerste stijl all’)
We maken een opname van ‘Fantastische Lippen’ en The Blue Bird’ in het DOK in Delft. Door bemiddeling van Landa van Vliet. Een aardige jongen geeft technische steun, hij schrijft gedichten, heeft nog nooit iets opgestuurd. The Blue Bird wordt in Australië gepubliceerd, in Going Down Swinging. Een paar maanden later heb ik het boekje en de cd. Geen geld.

Zutphen, 12 maart 2010
(dagschrift: ‘Hier is iets, LAB, naar upload, denderen, fietstocht wassenaar’)
Vierhonderd de man. In de Buitensociëteit in Zutphen, bij de uitreiking van de Ida Gerhard prijs. Mooie oude galerijzaal, waarin tafeltjes staan. Doet me denken aan de concertzaal in Minneapolis. Oude kennissen, we voeren de voorbereidingsprocedure uit in een kleedkamer achter het podium. Ook nu weer voorzien veel optredende dichters hun voordracht van inleidingen (‘ik hou van landschappen, dit gedicht is daar een weerslag van’). Ons boek neemt steeds vastere vormen aan. We lezen een fragment uit De Wereld. Na afloop vertel ik de man naast me in de wc dat we bijzonder vaak oefenen, zeker drie keer in de week. Hij vroeg ernaar. Anders wordt het niks, zeg ik. We vinden dat Alfred de prijs moet winnen. We rijden ’s avonds naar huis, komen vlak langs Brummen. Rijden even langs de IJssel.

Rotterdam, 14 april 2010
( dagschrift: … )
We zitten in de jury van een dichtersfestival voor scholieren. Het heet v e r s Revue. Vandaag is de prijsuitreiking en we treden in Theater 222 op met een fragment uit Fantastische lippen. Eerst jureren. Er zijn 42 inzendingen, dit is al een verdere selectie. De scholieren lazen op school gedichten van prijswinnaars van de VSB prijs, ze mochten zich daar door laten inspireren. ‘Dit gedicht is geïnspireerd op een gedicht van Nachoem Wijnberg’, staat er dan bij, of van Arjen Duinker of Tonnus Oosterhoff. Wie weet is dit een goeie opzet, maar het ontneemt al van te voren ruimte en mogelijkheden. Kansen! Er moeten meer kansen gecreeërd. Volle zaal scholieren, ik ben weer op school, voel me direct thuis. Arjen presenteert zwierig de prijswinnaars, hij buigt voor de meisjes en de jongens. Stoere knapen worden in de zaal luidruchtig toegejuicht, stille lieverds met hoofddoekjes dragen schitterend voor. O, de blikken… de in ontvangst neming van de bloemen en de prijzen… de schitterende felicitaties van de klasgenoten. We krijgen na afloop een mooie kleine zaklamp, geschikt voor op de camping! Ik wil er nog een. Die wordt me twee weken later per post toegezonden. 265 de man.

Lelystad, 20 juni 2010 06.30 uur
(dagschrift: ‘boeken weggeven lijstje maken, Gorter Pan tien minuten, 13.00 uur Bob’)
Vierhonderd de man. We rijden vrijdagmiddag 19 juni naar Lelystad, we logeren in Apollo Hotel Lelystad. Zaterdagdagochtend om half zeven gaan we De Zon voorlezen op het Festival Sunsation op het terrein van het ‘Observatorium’, een land art werk van Robert Morris. Onderweg ontdekken we dat we allebei bij het ontbijt van radijsjes houden. We rijden ’s middags naar het terrein en eten er. Op de terugweg in een volkswagenbusje vertelt een van de organisatoren dat men het festival wil uitbreiden. Er moeten workshops komen en cursussen. We kijken naar buiten. In het hotel kijken we naar voetbal: Engeland-Chili. We slapen bij elkaar op de kamer. We zetten wekkers. We rijden zeer vroeg, half zes, naar het observatorium. Wanneer we daar aankomen begint het verschrikkelijk te regenen. De organisatoren maken zich nergens druk over, het is hier altijd slecht weer, in de 29 jaar van het festivalbestaan is het pas een keer mooi geweest. Het blijft verschrikkelijk regenen. Het publiek zit in de openlucht, onder jassen en paraplu’s, de dichters staan onder een afdak. Voor ons treedt Tsead Bruinja op. Hij geeft eerst uitleg bij de gedichten die hij daarna voorleest. Het begint droog te worden als we beginnen te lezen, later valt het weer bij bakken. Het loopt als een trein, de blaadjes plakken niet, af en toe met vingers wijzen. Om half acht rijden we terug naar Den Haag en Delft.

In: Parmentier 2010