IN MEMORIAM DOESCHKA MEIJSING


‘Ik was kansloos gelukkig.’ Deze wanhopige verzuchting staat op p.13 van Over de Liefde (2008), Doeschka Meijsing’s laatste en meest succesvolle roman. Wat een geweldige zin! Meijsing hield van dit soort zichzelf tegensprekende zinnen waarmee een held of heldin zich in de wereld zet. Haar personages proberen altijd, soms tegen beter weten in, de wereld te betreden, een positie te verwerven, om vervolgens op te lopen tegen problemen, misverstanden, ongelukkige verhoudingen en in het algemeen het gedoe van het leven. Iets verderop staat weer zo’n echte Meijsing zin: ‘Er daalde een serene kalmte over mijn schouders, er was niets meer te vrezen, de teerling was geworpen, er moest nu alleen maar geleefd worden en zo nu en dan een wasje gedraaid.’ Dat wasje draaien direct in verband brengen met serene rust: in zulk soort rake, tegenstrijdige, geestige formuleringen was ze een meester.
Vanaf het begin van haar schrijfcarrière was deze buitengewoon inventieve schrijver op zoek naar zinnen die je van verbazing aan je stoel gekluisterd hielden. Hoe moet je het zeggen: tintelzinnen, misschien is dat het woord, zinnen die een lachbui inhielden en tegelijkertijd haar mensvliedende wereldvisie in beeld brachten. Neem haar beschrijving van kippen uit haar debuutboek uit 1974, De hanen en andere verhalen. ‘De kippen gedragen zich belachelijk. Ze schrapen met hun poten de bosgrond opzij, doen twee waggelende stappen achteruit en turen of er iets te vreten valt. Soms zijn ze ook stiekem in de weer in de struiken.’ Wie hier niet om schatert snapt niks van literatuur. En even verderop de hanen natuurlijk. ‘De kammen fier omhoog zijn ze voortdurend waakzaam: Wat banaliteiten? Waar schuilt het kwaad? Wie is de schuldige? Om dan de hals te rekken en het kwaad in de wereld te bejubelen.’
Misschien vormen deze twee zeer treffende en oergeestige beschrijvingen al een eerste formulering van haar schrijfprogramma. Stiekem in de weer zijn in struiken en het kwaad bejubelen. Dit zijn nog eens beelden. Je leest er meestal overheen omdat wij lezers altijd op zoek zijn naar het verhaal, de psychologie en het al of niet bittere einde. Hoe loopt het af, willen we weten, niet hoe een schrijver het allemaal voor elkaar gekregen heeft. Maar Meijsing is een schrijver, ik heb er moeite mee om over haar in de verleden tijd te schrijven, die haar uiterste best doet je neus op het schrijven zelf te drukken, op het gekunstelde daarvan, het belachelijke en het tragische. Op het eeuwig falen van schrijven. Haar personages zijn altijd een soort halve waarnemers van de werkelijkheid die zich er druk over maken hoe je naar die werkelijkheid moet kijken. Een soort schrijvers dus. Vooral in haar vroege werk staat bij haar de kunst van het schrijven voorop. Ze problematiseerde graag herinneringen en waarnemingen van haar personages. Zag ‘ik’ het wel goed? Waren ‘ze’ echt stiekem in de weer, of wist iedereen het? Wie bejubelde het kwaad? Hoe zat alles in godsnaam in elkaar?
Literatuur was bij haar een middel om mogelijkheden van falen te laten zien. Zo kon het geweest zijn, maar ook zo, en zelfs zo. En altijd bij haar personages die halve of hele mensenvrees, mensenhaat soms, dat verlangen naar isolement, naar niet mee doen, naar verdwijning. Hernieuwd kijken, dat was het beslissende uitgangspunt van haar schrijven.
In haar latere werk bleef ze trouw aan haar uitgangspunten, maar haar aanpak, haar stijl veranderde. In 100% chemie (2002), mijn lievelingsboek, nemen verhalen het over, niet voor niets heeft dit bittervrolijke boek als ondertitel, ‘Een familieverhaal.’ De opzet is die van de autobiografie, in de uitwerking staat de uitvergroting voorop. Ze zoemt minder in op het kleinburgerlijke, minieme detail, op het kijken naar wat er is, maar probeert de stijl uit van de overdrijving, de wanhopige hyperbool. Alles is groot geformuleerd. ‘God, dat is Else, met die zin kwam een overweldigende hartelijkheid ons leven binnen, die door niets of niemand ooit is overtroffen.’ Dit is de kinderlijke blik van iemand die met terugwerkende kracht de realiteit van de kindertijd opnieuw inricht en mythologiseert. ‘Zolang we ons konden herinneren had mijn vader een pijp in zijn mond. In een grote houten kist bewaarde hij honderden pijpen, en elke verjaardag kon je hem geen groter genoegen doen dan hem een nieuwe geven.’
In dit meesterwerk denderen de zinnen als een losgeslagen meute jonge honden voort en voort: nog een nieuw verhaal, weer een herinnering, weer een tante of een oom. Maar soms zet ze ineens de rem erop en dan komen ze weer, de Meijsing tintelzinnen die je een tijdje peinzend uit het raam laten staren. Neem die beschrijving van tante Lina, die ‘zo mooi, zo teer (was), met blosjes op haar doorschijnende wangen, als een meisje dat het praten had verleerd.’ Of de beschrijving van de maasballen. ‘Het licht brak erin en ketste ertegen, het waren juweeltjes van onschuld die omhoog werden gehouden, duizendkleurige alibi’s voor de onoplettendheid van de meisjes.’
Dit zijn de gelukkige beelden waar je als schrijver altijd naar op zoek bent. Doeschka vond ze.

IN: NRC Handelsblad 2011