HERMAN GORTER's GEVOELSENGAGEMENT

Wat een rare kerel was die Gorter! Cricketer, voetballer, schaatser. En dan ook nog gedichten schrijven waar iedereen van verbazing van achterover viel. Wat hij schreef voelde bij de jongens van tachtig ( jongens waren het…) niet eens aan als dichten, verdorie dat kon toch niet, zo’n sportjongen met zo’n sportjongens bebop kop met haar die zulke dingen zomaar schreef. Sporten was al raar, al had het destijds nog weinig te maken met de verdwaasdheid van tegenwoordig. Het was toen nog een uiting van lichamelijkheid, een groot verlangen daarnaar. En hij was geen bohemien, dat was toch het minste geweest. Volgens Willem Kloos zag hij er eerder uit als een voetballer dan een dichter, ook hij vertrouwde het niet helemaal. Hoe kon zo iemand zulke gedichten schrijven? Je kon Gorter, leraar klassieke talen nota bene, in de tijd van Verzen zien (en horen!) hardlopen in de straten van Amersfoort. ‘Hij rook naar hooi en Noord-Westen-wind’, schrijft een oude vriend veel later. Hij rook gewoon naar sport, hij voelde naar sport. Hij was een sporter in poëzie, een dichter van lichamelijkheid, ontegenzeggelijk, is-ie altijd gebleven ook, hij schreef met de mentaliteit van een topsporter. Hij oefende zich in poëzie zoals een sporter doet, hij oefende in Aischylos, in Shelley, in Homerus. Uit dankbaarheid voor hun werk want dankbaar was hij altijd. Sport was het oefenterrein van zijn poëzie, de gewaagde vangbal achter het wicket was de voorloper van zijn krankzinnige metaforiek in Verzen. Alles staat in Verzen in het teken van lichamelijkheid. Zijn goals bij voetbal en het gejuich dat daarbij hoorde, waren bouwstenen van zijn werk. In de biografie van Herman de Liagre Böhl (1996) ontbreekt vrijwel iedere verwijzing naar zijn sportcarrière die in de tijd toen hij Verzen schreef een hoge vlucht nam. Hij zat in het bestuur van de Cricketbond, richtte cricketclub ‘Run’ op, was aanwezig bij de oprichting van de eerste Nederlandse Voetbalbond, was fameus wicketkeeper, speelde als voetballer liefst midvoor, maar was geen groot voetbaltalent.

Wie over Gorters poëzie wil schrijven, moet het toch ook, misschien zelfs vooral ook, over lichamelijkheid, over sport hebben. Enno Endt schrijft er in zijn inleiding bij de uitgave van de Verzen uit 1977 niks over, wel in zijn onvolprezen Herman Gorter Documentatie. Gorter sportte altijd, uit lichamelijk verlangen, en ook nog uit principe, bij hem was het nu eenmaal altijd alles of niks. O, maak van Gorter geen filosoof, en red hem, red hem van de metafysica! Men heeft nu eenmaal de neiging van dichters boekenwurmen te maken, fletse figuren op een zolderkamertje te midden van stapels boeken. Geen straatjongens of straatmeiden. Geen deelnemers aan het maatschappelijke. Ja, natuurlijk, dichter, dat was hij ook, en achteraf gezien de grootste van ons allemaal. Maar dat is achteraf. Vooral Gorter was altijd meer dan dat, hij verlangde naar meer dan dat. Hij zocht het op, hij had die gedichten nooit kunnen schrijven als er geen ander leven was geweest, een leven in de breedte. Een gewoon leven, een toevallig leven, een leven met verveling, kleedkamers, rondgelummel, met cafébezoek, met rondlopen met een verlangend lijf, met lachen met sportvrienden over een gemiste kans of een duivelse free kick. Een dichter is ook toevallig dichter. Of alleen maar toevallig. Gorter was een jongen met een helder dichtershoofd, vergezeld door jongensbeelden, een mannenlichaam en jongensgeluk. Aan Kloos schrijft hij in de tijd van Verzen de prachtige, treffende zinnen waarin zijn hele poëtica doorklinkt: ‘Hoor eens ouwe kerel, jij die er mee begonnen bent, oude geluidgod, je moet niet denken dat ik de ouwe geboden vergeet. Voor ik schrijf, wacht ik tot het klinkt in mijn ooren, en als ik ophou is het omdat mijn ooren òp zijn. Geloof dat maar al zie je me rare dingen doen. Ik doe nooit anders. Verder kan ik er niks aan doen, dat weet je.’ Prachtig, voor ik schrijf wacht ik! Credo van dichterschap: wachten, wachten, wachten. Het was bij hem geen logica, geen causaliteit: niet eerst Homerus lezen en dan gedichten schrijven. Het was rare dingen doen en luisteren. En verder kon hij er niks aan doen.

Over zijn gedichten praatte hij niet graag, hij kreeg iets stuurs, vertellen tijdgenoten, als hij er toch over moest praten, als ze naar een ‘ betekenis’ vroegen of wilden weten hoe het allemaal zo in zijn kop gekomen was. Maar àls hij er over praatte dan op de toon en met de terminologie van iemand die altijd honger en dorst had geleden en nu eindelijk voedsel tot zich nam. ‘Er zijn veel jaren geweest, veel te veel, waarin ik lang en lang, honger had. Toen werd mijn ziel dor,als grond in de zomer, ik liep rond dof en moe, als een hongerig wild dier, zoekend of er nergens wat was dat ik kon eten.’ Hij las Mei voor alsof het proza was, schrijven toehoorders verbaasd. Wat zullen de boekenwurmen en poëziekenners van die dagen raar hebben opgekeken toen ze in Mei deze regels lazen:

En door dien toren liep een doorgang door,
Daar liep ze door, terwijl hoog van een koor
Bij die gewelven jonge stemmen zongen.

Vier keer ‘door’ in twee regels, dat is geen poëzie, dat deugt toch niet, dat is toch, dat is toch… hij lijkt wel knettergek. Velen vonden dat ook. En dat was dan alleen nog Mei, in Verzen werd het allemaal nog erger. Want Gorter was de dichter die het roer omgooide, alles moest altijd anders, Mei was niet genoeg, er moesten Verzen komen. Nog voetballeriger, verlangeriger, nog bloeddorstiger moest het. En na Verzen moest het weer anders. ‘We hebben aardig gepraat’, schrijft Albert Verwey in een brief aan zijn vriendin, ‘ maar ’n gekke jongen dat-i is en een idee van zijn eigen!’ En een paar weken later schrijft hij: ‘Ik heb vanochtend nog een beetje in Gorter gelezen.’t Is een lief mannetje.’ Ze waren jaloers natuurlijk, maar vooral verbaasd en er verlegen mee. En die verbazing en verlegenheid bleef in later jaren altijd rondzingen. Ook in mij. Ik ben en blijf toenemend verlegen met deze gedichten, deze gevoels -en lichaamserupties, ik heb ze nu weer gewoon voor me uit gelezen, steeds stiller en verlegener, ik verklaar me er toenemend solidair mee. Ik ben steeds vaker Gorter in het diepst van mijn gedachten.

En het bloedproeven begon,
het wijnroodbloede -
en het volgroeien begon
en hartstormwoede
en het heenlopen en het wederkeeren
en het wrange gepijn, het diepe zeere
leeg zijn en hongeren heel alleen,
en het zacht neerzinken
van willend lachen om het lijf heen.

En zo komt hij ook nu weer bij me staan: hongerige jongen, dromerig, wachtend, altijd wachtend, bijna stikkend van lichamelijk verlangen. En lacherig, er wordt vaak, en vaak zelfspottend, gelachen in Verzen:

’t is om te stikken
in deze oogenblikken
het kriebelend lachen
ik kan het haast niet verdragen,
ik stik
in dit krankzinnige lichte deftige oogenblik

Ik had die jongen wel willen zijn of nog liever worden. Wat zou ik graag zijn stem willen horen schallen over een voetbalveld of hem horen juichen bij een geslaagde vangbal bij cricket. Of druipend nat van het veld willen zien komen. Die stekelkoppige jongen met de stem en de mentaliteit van een topsporter en het verlangen van een dorstige matroos. En dan later ook nog prachtige marxistische gedichten schrijven, die door iedereen werden uitgekotst. Mooie en lieve Gorterpoëzie. Wie als dichter niet uitgekotst wil worden is geen knip voor zijn neus waard.
En leesbaar dat-ie is! Je kan hem nu nog steeds lezen, omdat hij een jongen is die nog dichtbij kan komen staan. Ik bedoel niet dat je zijn Verzen zomaar bladerend in de trein kan zitten lezen, een beetje heen en weer, en mooi vinden (nooit mooiig, of eigenlijk wel mooi, of toch wel mooi) maar Mooi uit verlangen en uit vrolijke lachbuien. En zo open als een rivier in breed laagland. En dan zeggen tegen je medereiziger, moet je hier kijken wat-ie nou weer schrijft. Zal ik het je voorlezen?

Ik heb mijn kamer zoo in de stad
waarom kwam toch niet wat

en dit:

Zij is zoo stil en zoo zacht
als gij en niet onverwacht
zijt ge voor haar- zóó is
het water voor een zwemvisch

Zwemvis? Dat kan toch niet, dat is om te proesten van het lachen. Maar het staat er. Zwemvis. Een vis zwemt altijd, dit is toch fout? Gorter liet het staan, hij stond zichzelf toe het te laten staan. De grootste dichter is de dichter die zichzelf het meeste toestaat. Dit is tegelijkertijd het leesbare van zijn poëzie, in de betekenis die Roland Barthes daar aan gaf. Gorter schreef geen vraag en aanbod gedichten, zoals verreweg de meeste Nederlandse poëzie nu, hij schreef poëzie die poëzie mogelijk maakte, hij bood poëzie aan, aanbodspoëzie, om taal mogelijk te maken, taal die ongehoord en dus leesbaar was. Geen consumententaal. Omdat hij het gekkige zomaar liet staan, midden tussen, of liever naast het tintelend mooie, het seksuele en lichamelijk raadselachtige en het volmaakt onzuivere onmaatschappelijke dat juist daarom maatschappelijk is. Gorter is in Verzen verreweg de meest geëngageerde onmaatschappelijke dichter van ons allemaal. Hij engageert zich met zichzelf, wie dat kan is uitverkoren.

Gorter is ook leesbaar omdat hij zag en voorzag wat wij nu nog kunnen zien en voorzien. Gedichten van een dichter als Nicolaas Beets (1814-1903) kunnen we nauwelijks meer lezen omdat het gevoel van zijn maatschappelijk verlangen niet meer tastbaar is. We kunnen zijn zintuiglijk bestaan niet meer navoelen. De Beetsgeluiden zijn er niet meer, de Beetsblik op straat ontbreekt, omdat de Beetsstraat ontbreekt, het Beetsverlangen is weg, we herkennen zijn rituelen niet. We kunnen hem alleen nog lezen als we hem vergelijken met zijn tijdgenoten, dan kunnen we het destijds actuele van zijn stem nog kennen en wie weet herkennen. Maar Gorter is nog steeds kenbaar voor elke stem en elk gehoor, hij is empirisch waarneembaar, hij zag wat wij nu nog zien. Beets stierf stokoud in 1903, heeft hij Verzen in 1890 nog gelezen? Ik zit daarover te glimlachen, ik stel me ineens voor hoe Beets de zinnen stuk voor stuk las, hoe zijn oude lichaam in een stoel zat en hij voorzichtig las:

Ik was toen een arme jongen
met te groot verlangen.

Lange luchten kwamen gevaren
als lichte zeeëbaren
over mijn hoofd, over mijn hoofd –
mijn licht weenend hoofd.

Ineens komt Beets voor me staan. Voelde hij het maatschappelijk en lichamelijk verlangen van deze regels? Maar in Verzen klinkt alles al dat nu nog steeds in onze oren, ogen, handen zoemt en trilt. Het lawaai op straat, het gegalm in de havens, de treinen, het geruis van stemmen tussen de zichtbare dingen in warenhuizen, de doorleefde abstracties, het eigen lichaam, het seksuele drijven, de stemmen van meisjes en jongens in kleedkamers op sportvelden, de vergeefse emancipatie, de klassen en hun illusies, de stemmen in balletscholen, op pleinen, de mooie en lieve meisjes in trams, die naar elkaar roepen, waar was je nou, de grote en norse mannen op de bouwplaatsen. Gorter beluisterde het en wilde de essentie ervan in woord brengen, het hoogste wat er is, niet via een verdubbeling of een weerspiegeling en zeker niet via kritisch commentaar, wat het gemakkelijkste is, omdat dat altijd achteraf komt. Wat een schitterend arrogant poëzieverlangen: de essentie van het lichamelijk en maatschappelijk bestaan met eigen oren gaan beluisteren! De eigen essentie, ongehinderd door anderen. Hij stond zichzelf in Verzen toe radicaal dit eigen gevoel te exploreren, zonder daarover een theorie te omhelzen. Hij beschouwde zich als een doorgeefluik van het heersende maatschappelijk verlangen. Meer kon ( en kun) je als dichter niet doen. De Gorter uit Verzen is de dichter van het gevoels en het lichaamsengagement. Alle gedichten eruit bezingen het eigen lichamelijke. Je kunt als dichter niets anders doen dan stil luisteren naar je eigen kloppend hart. Je een kloppend hart toe staan. Geen wetenschap, geen filosofie, geen religie. Alleen nog poëzie. Aan zijn moeder en een paar vrienden schrijft hij dat hij stil op zijn kamer zat te wachten tot de poëzie hem helemaal doordrong, pas dan was hij in staat te schrijven. En dan schreef hij zomaar wat weg, zoals hij zelf beweert, totdat hij er raar van werd, en zijn oren op waren. Je kunt deze heiligverklaring van het eigen gevoel, deze bloedmooie Gorter-arrogantie in Verzen op iedere bladzijde zien en voelen. De metaforiek van het luisteren, het gehoor en het gevoel barst van de pagina’s. Vaak begint alles met stilte, pas daarna opent zich het luisteren van het zelf:

Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.

of

Gij zijt een stille witte blinkesneeuw,
gij zijt een blinke zeeë tintelzee.

of

De boomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs

Gorter is nooit filosoof die achteraf de dingen benoemt en erover rationaliseert, hij is empiricus van het gehoor en het gevoel. Met de doortrapte naïviteit van een schooljongen. En Shelley is in Verzen zijn voorbeeld, wie anders, hij is de held van zijn jongenskamertje, Gorter draait altijd Shelley op het pickupje van zijn dichterlijk verlangen. Zoals alle grote dichters hongeren naar voorbeelden, beelden die letterlijk voorafgaan aan hun eigen beelden. Shelley maakte Gorter mogelijk, hij bood zich aan, zoals Gorter het beste van de Nederlandse poëzie mogelijk maakte (en nog steeds maakt), zich aanbood. Hij vertrouwde rücksichtslos op zijn eigen arrogante bloedgevoel. In zijn gedichten klinkt de arrogantie van de topspits die zijn mandekker voor de derde keer op rij zoek speelt. Zomaar schreef hij nooit, wat hij ook moge beweren, hij ging dwars door de poëzie van zijn tijd, lapte alle bestaande conventies aan zijn laars, zette hoge dichtkunst, banale onzin en rijmelarij naast elkaar, schreef regels die aan versjes uit poesiealbums doen denken, beschreef schaatstochtjes als Homerische heldenreizen, zonsopgangen naast hevige opgewonden seksuele ervaringen. Hij zette alles op alles, letterlijk, alles boven op alles, bij hem geen middelpuntzoekend schrijven, maar alomvattend schrijven, schrijven in de breedte. Luisterend, tastend en kijkend schrijven, hongerig en bloeddorstig schrijven. Hij barstte uit zijn eigen lichaam.

In De Groote Dichters (1935) laat hij zien dat hij zijn gevoelsengagement, zoals ik het hier nu maar noem, altijd trouw bleef. In de inleiding schrijft hij: ‘Poëzie noem ik de klare en precieze wedergave, in woorden en rhythmen, van diepe gewaarwordingen, ontroeringen en hartstochten.’ En begin ik opnieuw te lezen.

Nog altijd kan ik ’t niet zeggen,
mijn arme verlangen niet zeggen,
mijn leegte en mijn begeer
grooter en meer en meer.


- De citaten uit brieven komen uit Herman Gorter Documentatie 1864-1897, samengesteld door Enno Endt, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1986
- Herman Gorter, De Groote Dichters, (posthuum uitgegeven studie) Uitgeverij Querido, Amsterdam 1935

In: Herman Gorter, Verzen, Atheneum 2010