HET FENOMEEN JAN CREMER


Een tijdje geleden interviewde ik Jan Cremer in het Fotomuseum in Den Haag. Ik ontmoette hem voor het eerst en het was een mooie avond. Na afloop stond er een lange rij bezoekers om boeken te laten signeren en Jan nam rustig zijn tijd. Een oudere man met witgrijs haar, was de laatste in de rij, het was duidelijk dat hij hiermee een bedoeling had. Toen hij bij Jan kwam, klonk er ineens enthousiast geroep, ze kenden elkaar blijkbaar, Babet werd erbij geroepen en later ik ook. De man had een oude ansichtkaart bij zich, misschien uit 1950 of nog eerder. ‘Groeten van Jan’, stond erop. Ze hadden elkaar ontmoet in een jeugdtehuis en hij had zich destijds min of meer over Jan ontfermd. De man had de ansichtkaart altijd bewaard. Later die avond zaten Jan, Babet en de man aan een tafeltje oude herinneringen op te halen. Ik was ontroerd, plotseling was Jan Cremer’s jeugd waarover hij onder andere in De Hunnen schrijnende verhalen schreef dichterbij dan ooit. Jan Cremer was ineens echt.

schrijfheld
Jan Cremer was altijd mijn schrijfheld. Ik las zijn formidabele Ik Jan Cremer (1964) toen ik twintig was en moet toen intuïtief hebben begrepen dat hier iets bijzonders aan de hand was. Ik wilde uiteraard ook schrijver worden, en dacht toen nog dat je daar heel lang voor moest studeren en buitengewoon knap moest worden en dat je pas daarna erg ingewikkelde boeken kon schrijven. Maar dan ineens deze merkwaardige, brutale, maar toch ook leuke jongen, het was nog maar een jongen, dit fenomeen, die deze prachtige verhalen zo dwingend en direct vertelde. Zoveel ongeremde, ongepolijste vrolijkheid, jongensachtigeid, banaliteit en humor. Ik las het boek ademloos, vergat al mijn goede voornemens en wilde me direct aanmelden bij het Vreemdelingenlegioen, maar dat werd niks in verband met praktische bezwaren. Mijn bewondering steeg toen veel leden van de officiële schrijfwereld tegen Cremer in het geweer kwamen: het was allemaal viezigheid, het was niet eens echt gebeurd en schrijven kon hij ook niet. Ik vond dat ze er helemaal naast zaten, die viezigheid bestond helemaal niet, als er iemand is die geestig over seks kan schrijven is het wel Cremer, dat het allemaal niet echt gebeurd was leek me volkomen onbelangrijk, wat heeft echtheid toch met literatuur te maken. En schrijven kon Cremer als de beste, dat zag ik gelijk. Nee, voor liefhebbers van het gevoelige boek over gevoelige mensen die het liefst genieten van hooggestemde gevoelens en mooie landschapsbeschrijvingen in Toscane, of wegdromen bij warme intermenselijke familierelaties waarmee het allemaal goed komt, is Cremer natuurlijk niks. Die snappen niks van de zeggingskracht en het verlangen van Literatuur, die zoeken in literatuur troost en rust. Gelukkig bleken gerenommeerde schrijvers als W.F.Hermans en Simon Vestdijk het ook voor hem op te nemen en later veel anderen. Cremer was en is doodgewoon een groot schrijver, daar helpt geen lieve moedertje aan.

precies schrijver
In het begin dacht ik dat hij zijn boeken altijd zomaar in een ruk opschreef maar later kwam ik erachter dat hij veel preciezer opereert dan het lijkt. In Ik Jan Cremer, derde boek ( 2008) doet hij daar een interessant boekje over open wanneer hij zich kwaad maakt over de manier waarop men met de vertalingen omgaat. Hij werkt keihard aan de juiste zeggingskracht en de juiste effecten Zijn boeken zijn altijd een belevenis, een literaire belevenis, echte Cremerboeken, en hij blijft zichzelf altijd trouw. Hij weet hoe en wanneer je het juiste beeld moet inzetten, hij weet hoe je moet schakelen van sentiment naar verlangen, van romantiek naar banaliteit, van ernst naar verschrikkelijke lachbuien.
Jan Cremer toont in zijn literaire werk, trouwens ook in het beeldende, zijn eigen gedroomde leven. Soms schuw en ironisch en in zichzelf gekeerd, dan weer brutaal schreeuwend en aandacht eisend. Hij was vanaf het begin van zijn carrière tegen Hogere Kunst die alleen maar wil deelnemen aan een Stroming tussen de ander Stromingen in de stoffige musea van de literatuur en de kunstboeken. Kunst en Literatuur moeten een knal in het gezicht zijn van gewone mensen en niet iets voor rustige contemplatie achteraf van geleerde letterdames en letterheren. Hij wil literatuur die in de wereld staat, die een voorbeeld stelt, literatuur die een pad baant. Cremer’s werk is altijd didactisch. Hij had en heeft een missie en aan die missie zitten mystieke, bijna religieuze kanten die wortelen in een romantische visie op kunstenaarschap. Het gaat hem niet om onsterfelijke roem, of om de eeuwigheid, het gaat hem om Navolging en het creëren van een Exempel, hij wil een lichtend voorbeeld zijn. Hij vindt dat iedere kunstenaar deze ambitie moet hebben. Daarbij is zijn eigen bestaan uitgangspunt, iets anders is er nu eenmaal niet. Zie bijvoorbeeld zijn smartelijke pose als motorrijder op zijn eerste boeken die overduidelijk, zij het ironisch, verwijst naar een bijna Messias-achtige symboliek. Een kunstenaar stelt altijd zichzelf ter beschikking. Walt Whitman schreef ooit in Leaves of Grass (1855) de regels: ‘I celebrate myself’, fraaie regels die zonder meer van toepassing zijn op het literaire werk van Jan Cremer. Het verbaasde me daarom niet dat Cremer een paar bewonderende en uitermate geestige brieven aan Gerard Reve schreef, die hem even geestig beantwoordde.

mystiek
Reve’s gedroomde en dus onhoudbare positie van Volksschrijver van Nederland komt sterk overeen met Cremer’s evenzeer mystiek te noemen verlangen namens en voor het Volk te mogen en te moeten schrijven. Ook bij Cremer ontstijgt dit verlangen de ironie. Hij schrijft voor het Volk en daarom dringt hij er bij zijn uitgevers altijd op aan niet alleen te adverteren in deftige media als De Volkskrant en de NRC, maar ook in kappersbladen als De Lach en Panorama, tegenwoordig zouden dat de Story en de Privé zijn. Dit is niet alleen een kwestie van grotere oplagen en van Geld. Ware kunst komt aldus Cremer uit het Volk voort, en kan dus alleen gemaakt worden door mensen uit het volk, zoals hij. Ware kunst moet dus ook van het Volk zijn. En dit romantische idee bracht de geweldige Ik Jan Cremer boeken voort en later de andere werken waaronder ook het formidabele en in de kritiek sterk onderschatte De Hunnen.
Cremer’s literaire werk heeft een veel sterkere symbolische lading dan tot nu toe is gedacht. Veel van zijn boeken zijn zowel te beschouwen als pogingen te ontsnappen aan het dagelijkse banale bestaan als ook aan de huichelarij die de Hogere Kunst met zich meebrengt. Ze staan daarmee in de traditie van de Romantiek. Cremer is altijd op zoek naar het geluk maar dat is alleen buiten de hogere kunstwereld te vinden. Hogere kunst draait mensen namelijk een rad voor ogen, ze maakt oneerlijk, ze is oneerlijk, dus moet je haar vernietigen. Maar juist deze vernietigingsdrang functioneert tegelijkertijd als motor van het hele werk van Cremer en maakt het zo aantrekkelijk. Hij wil een einde maken aan Hogere Kunst, dat is zijn zelf gegeven opdracht, maar daarbij staan hem alleen de middelen ten dienste van die kunst zelf. Alleen zijn literatuur kan Literatuur vernietigen. Hogere Kunst hoort bij hem altijd tot het onzuivere, het verachtelijke; het ‘ kunstleven’ is altijd veel minder dan het eerlijke leven tussen eskimo’s, honden en zeelieden of wanneer hij op reis is met geliefde mede nomaden. Maar je kunt dat eerlijke leven alleen beschrijven met middelen van de kunst zelf. En precies deze paradox is de motor van het kunstenaarschap van Jan Cremer. De Rolling Stones formuleerde het fraai in Street Fighting Men’: ‘what can a poor boy do, except to sing in a rock ’n roll band.’

in : De Groene Amsterdammer 2008