In memoriam Jan Wolkers
In 1984 publiceerde Jan Wolkers zijn laatste grote roman, De onverbiddelijke tijd. Een brievenroman over vriendschap waarin hij een paar thema’s van zijn werk uit de jaren die nog volgen prominent aankondigt: natuurbeleving en dood. In 2005 verscheen nog onverwacht de vrolijke novelle Zomertijd, het boekenweekgeschenk van dat jaar. Na 1984 kwamen er, behalve vele herdrukken van zijn romans, nog documentaires, essaybundels, columns, dagboeken en poëziebundels van hem uit. Geen grote romans meer, maar toch bleef zijn nieuwe werk en vooral zijn leven in de belangstelling staan. De essays werden alom bewonderd door de enthousiaste toon, de dagboeken en de poëzie door de directheid van formulering en beeldspraak. Slechte recensies kreeg hij nauwelijks meer, alles wat hij schreef werd in de landelijke pers uitgelicht en uitvergroot, zonder noemenswaardig debat over de literaire kwaliteit ervan. Zijn meningen, ook op buitenliterair gebied, begonnen ineens mee te tellen. Wolkers werd een icoon, een leermeester over maatschappij en leven. Hij gaf daar ruimhartig aan toe, liet zich vele malen interviewen, trad vaak op voor de televisie, werd een familieman en bracht het zelfs tot de status van een door cabaretiers met graagte geïmiteerde Bekende Nederlander.

opvattingen
Het zal je maar gebeuren als oudere schrijver: iedereen begint alles wat je zegt en schrijft even prachtig te vinden, je wordt zelfs, tegen wil en dank hoop ik dan maar, een succesnummer van de literaire pers. Dat kan en mag uiteraard de bedoeling niet zijn van je literatuur, geen schrijver die dit beter wist dan Wolkers. Kunst moet altijd controversieel zijn. Het zal hem wel eens dwars hebben gezeten, hij moet beseft hebben dat zijn werk in het altijd en eeuwig rondzoemende literaire debat in de wandelgangen, in de collegezalen, in de literaire tijdschriften, in de café’s, na 1984 geen grote rol meer speelde. Wolkers hield zich zijn hele leven afzijdig van dit ‘literaire debat’ tussen de in zijn ogen literaire pausjes en schrijvertjes met hun opgeklopte meningen die na een paar maanden alweer achterhaald bleken te zijn. Laat ze het mooi zelf maar uitzoeken. Maar toch. Ik heb me er wel eens over verbaasd dat hij zich keer op keer leende voor interviews over zijn leven en denken, waarbij hij zelden nog een nieuw element over zijn literaire werk toevoegde. Al kwam hij vaak uitermate geestig uit de hoek. Zo hoorde ik hem voor de radio ooit een pleidooi houden voor een schrijversopleiding waarbij studenten de eerste drie jaar van de opleiding alleen gedichten van grote dichters als Shelley, Gorter en Shakespeare dienden over te schrijven.
Over zijn eigen schrijversschap ging het langzamerhand niet tot nauwelijks meer. Wel over zijn opvattingen over seksuele bevrijding, calvinistische benepenheid, vitaliteit en de schoonheid van de natuur. Wolkers werd in de pers de allure aangemeten van een vitalistische opa en profeet, hij werd een ster met een sterrenmening waar ik me altijd een beetje opgelaten bij voelde. Recent nog schreef Martin Bril in een column plechtig over hem: ‘Denken aan Jan Wolkers is denken aan het leven zelf’. Zo kan ie wel weer. En altijd maar weer die lofzangen op Wolkers pleidooien voor ‘bevrijding’ van benepenheid, van calvinistische onderdrukking en van geremde seksualiteit. Ik kreeg het er wel eens benauwd van, laat mij dan maar liever onbevrijd en geremd zijn, begon ik steeds vaker te denken. De potsierlijkste zin trof ik aan in De Standaard van een paar jaar geleden: ‘De schrijver Jan Wolkers is gek van vrouwen in al hun lichamelijkheid, maar ook van voetbal, kunst en cultuur.’ Wat zal hij daar over gelachen hebben.

romans
Maar verdomme, wat schreef hij een mooie romans! Serpentina’s Petticoat (1961), Kort Amerikaans (1962), Gesponnen Suiker ( 1963), Een roos van vlees (1963), De Hond met de blauwe tong ( 1964), Terug naar Oegstgeest (1965). En kort daarop de andere boeken. Wat een uitbarsting van meesterwerken, waarvan ik Een roos van vlees de mooiste vond en nog steeds vind, ik zette het op de literatuurlijst van mijn HBS-B examen (mocht gewoon) en ik heb het nooit vergeten (en nog recent herlezen). En dan Turks Fruit. Tegenwoordig gaat het alleen nog over de zeer matige verfilming ervan waarin een soort banaal en schaamteloos vitalisme het overduidelijk wint van de wanhoop die in dit boek zo superieur is uitgebeeld. Wat een mooi boek is dat! Wat bezielde deze schrijver om in een zo razend tempo deze voortreffelijke boeken af te leveren? Ik vroeg en vraag het me natuurlijk al jaren af maar wil het tegelijkertijd helemaal niet weten. Het staat bovendien allemaal in die boeken zelf, de urgentie van deze verhalen en romans spat van de bladzijden af. Later bleef ik ook zijn andere romans lezen maar de krankzinnige schoonheid en het wilde, ongepolijste verlangen van de eerste boeken is me toch altijd het meeste bij gebleven. En nog later begon de schrijver Wolkers steeds meer te verdwijnen achter de figuur Wolkers via kleine en grotere ‘affaires’ waarin hij een rol speelde: politieke kwesties, weigering van prijzen, gedoe met jury’s, scheldpartijen over collega schrijvers. Dat speet me altijd, schrijf nou maar een godverlaten boek, dacht ik wel, dat kun je als geen ander en laat ze verder gewoon barsten. Laat ze je werk haten en liefhebben, liefst tegelijkertijd. Maar zo ging het dus niet.

waardering
Kees Fens en Hella Haasse schreven alweer een tijdje geleden de beste essays over Wolkers. Fens in Literair Lustrum uit 1966. Aan de hand van het oudste verhaal van Wolkers, De verschrikkelijke sneeuwman demonstreert hij een paar steeds terugkerende thema’s uit zijn werk. Bijvoorbeeld de uitgestotenheid van de hoofdfiguur en de wraak op de fantasieloze omgeving via getreiter, gepest en dierenmishandeling die altijd tot toenemend isolement van de hoofdfiguren leiden. Pesten is bij hem vaak een vorm van onmacht tegenover de dood waarbij de verbeelding wordt aangegrepen om het onverklaarbare (van de dood) te verklaren. Volgens Fens zijn deze thema’s vooral in Kort Amerikaans volkomen gaaf uitgewerkt, maar je kunt ze ook in zijn later werk terugvinden. Fens demonstreert ijzersterk verschillende stijlprocédés waarmee Wolkers de onaangedaanheid van de wereld laat zien en de lezer ertoe verplicht zijn visie op de wereld aan te nemen. Hella Haasse schreef twee voortreffelijke essays over hem. In 1966 Ogen om te zien en in 1985 Een netwerk van beelden, in dit laatste artikel geeft ze een indringend leesverslag van zijn hele werk. Ze stelt dat al in Wolkers vroegste verhalen ‘een schokkende waarnemings-en ervaringswereld zonder concessies aan welk taboe dan ook onder woorden wordt gebracht, maar – en daar gaat het om- juist doordat hij tot die waarnemingen en ervaringen al werkende afstand neemt, ze omzet in zelfstandige elementen, krijgen ze de kracht van symbolen.’ Gruwelen zijn bij Wolkers altijd een onrustbarend teken. Volgens Haasse verbindt Wolkers in zijn beste werk het triviale, het gewone met het onbegrijpelijke, verschrikkelijke. Geweld en dood vertonen zich in zijn werk als ‘alledaagse verschijnselen’. Wolkers laat in zijn werk zien dat ‘de werkelijkheid door de mensen zelf tot ongerijmdheid, afschuwelijkheid en belachelijkheid gedacht en misvormd kan worden, dat het ongerijmde, afschuwelijke en belachelijke van mensen en dingen in een ander verband niet zonder zin is.’ Zij beschouwt Wolkers als een waarnemer in optima forma. Ze verbindt zijn grote ordenende kracht met zijn verlangen (ze noemt het ‘begeerte’) naar gaafheid en zuiverheid. Dit beschouwt zij als de kern van zijn werk: ‘Het verschrikkelijke en afstotende (…) betekenen altijd: de wereld, gezien in zijn genadeloze zo en niet anders zijn, door onbevangen ogen, vanuit een in wezen onschuldig gemoed.’ Zij wijst er ook op dat Wolkers in zijn werk altijd met dezelfde constellaties en attributen werkt, waarbij hij zich volgens haar niet herhaalt, maar steeds met andere rangschikkingen werkt. Ze wijst wat dit betreft op de relatie met beeldende kunst. Ze schrijft bewonderend over Wolkers vermogen om zaken die men altijd grof en weerzinwekkend vindt toch functioneel en aanvaardbaar te maken binnen een trefzekere compositie en altijd aangestuurd door een ‘onmiskenbaar eigen betrokkenheid’.

herziening
De literaire kritiek gaf over Wolkers’werk altijd vol gas. Graa Boomsma stelde in 1983 twee boeken samen ( Over Jan Wolkers: beschouwingen en interviews I en II) met verzamelde kritieken en voorzag ze van prima inleidingen. Het zou een daad van rechtvaardigheid zijn ze opnieuw uit te geven. Zijn boeken laten zien welke controverses er in de loop van Wolkers’carrière over zijn werk speelden: niet alleen op moreel en seksueel gebied, maar ook over zijn compositie en stijl. Er werden in de pers bijvoorbeeld regelmatig harde noten gekraakt over Wolkers vaak als ‘te bloemrijk’ beschreven stijl, vooral van zijn latere werk. Wolkers zelf liet zich overigens niet onbetuigd. Als je een slechte recensie over zijn werk schreef, kon je vaak op hoogst gepikeerde reacties rekenen, een teken dat hij zich toch niet te groot achtte voor het literaire debat. Maarten ’t Hart vond bijvoorbeeld De Kus (1977) een vooral moreel verwerpelijk boek en schreef daarover een niet eens al te nare recensie. In een ingezonden brief in NRC-Handelsblad reageerde Wolkers sterk ironisch, hij vergeleek zichzelf met een arend die zich gewoonlijk niet kan bezighouden met het gekakel van ‘het bijziende pluimvee’. Ondertussen gaf hij in de brief een mooi inkijkje in de freudiaanse achtergrond van zijn werk. ‘t Hart had bezwaar aangetekend tegen de wreedheden ten opzichte van dieren. Wolkers stelde dat die altijd een functie hebben: in de scène waarin de hoofdpersoon de kop van een snoek afhakt, hakt hij daarmee symbolisch het hoofd van zijn vader af. Hij verwijt ’t Hart deze symbolische vadermoord niet te hebben begrepen.
Veel minder bekend is dat Wolkers zich uitermate consciëntieus met zijn eigen werk bleef bezig houden. Kort Amerikaans verscheen in 1962, in 1979 liet Wolkers een ‘herziene druk’verschijnen. Compleet herziene druk zou hier een betere benaming zijn. Wie alleen de eerste pagina’s leest ziet direct dat de schrijver hier wel zeer grondig aan het herschrijven is geslagen. Vrijwel alles is veranderd. De uitvoerige beschrijving uit de eerste druk van Peter’s handpositie is vervangen door het eenvoudige ‘en klopte genotzuchtig op zijn kruis’. Als je doorleest zie je dat vrijwel alles is veranderd. De zinnen zijn korter, de toon is anders, omslachtige omschrijvingen zijn tot essenties terug gebracht, op hun kop gezet of gewoon weg gelaten. De hele stijl is minder bloemrijk. Maar er is meer, ook op compositorisch gebied. In de nieuwe druk wordt al op de eerste bladzijde de broer van Eric ( met een c, in de oude was het nog met een k) geïntroduceerd. In de oude druk staat nog dat Erik postzegels gaat kopen, in de nieuwe dat hij postzegels moet hebben om een brief aan zijn broer te kunnen sturen. De oude versie bevat geen motto, de nieuwe wel, een tekst van Raymond Chandler: ‘There is no trap so deadly as the trap you set for yourself.’ Ook voegde hij een opdracht aan ‘Karina & Rosita’ toe. Wolkers herschreef het hele boek, vrijwel alle zinnen zijn anders, er zijn stukken toegevoegd en weg gelaten. Plaatsbepalingen in Leiden zijn gepreciseerd, de geschiedenis rond de broer is verduidelijkt, de sterfscène van de broer is grondig veranderd, de seksuele scènes zijn onverbloemder en de karakters zijn veranderd. Eric is gestoorder dan Erik. Waar in de oude druk Erik ‘recht in het gezicht’wordt geschoten, kijkt hij in de nieuwe druk de man die schiet ‘lachend’ aan. Sommige figuren zijn minder weerzinwekkend, d’Ailleurs bijvoorbeeld is in de nieuwe druk duidelijk sympathieker. Ook De Spin krijgt meer kleur. Het gevolg is dat Eric veel scherper wordt uitgelicht, hij is kwaadaardiger. De fixatie op het litteken is in de nieuwe druk beter verantwoord, terwijl de rol van religie is terug gebracht. Kortom, Jan Wolkers kwam in de loop der tijd tot sterk gewijzigde opvattingen over zijn schrijversschap.

commentaar
Veel aandacht is er tot nu toe niet aan de herschrijving besteed. Het wordt tijd, als je beide versies naast elkaar legt krijg je een verbluffend inzicht in Wolkers langzaam evoluerende schrijversschap. Alleen August-Hans Den Boef schreef er op 11 november 1979 in De Volkskrant een kort artikel over dat in een van Boomsma’s verzamelbundels is opgenomen. Wolkers zelf klaagde in het marathoninterview van 19 december 1986 voor de VPRO radio over de geringe belangstelling voor deze herdruk. Je kunt er volgens hem aan zien hoe laag het niveau is van neerlandici. In dat interview gaat het zeker tien minuten over de nieuwe versie en Wolkers is hier ineens zeer openhartig over zijn schrijversschap. De interviewer, Ronald van den Boogaard, bekent dat hij eerst een beetje kwaad was over de veranderingen. Hij vond het destijds een prachtig boek en nu is het ineens veranderd. Waarom herschreven? Wolkers vertelt dat hij altijd wel ‘een zeker voorbehoud’erover heeft gehad. Dramatisch klopte het volgens hem niet, ook de dialogen zijn nu veel beter. Hij meent dat hij nu het werk heeft gedaan dat in Amerika door redacteuren van uitgeverijen wordt gedaan. Volgens de interviewer hoorden die ‘tekorten’van vroeger er gewoon bij, toen waardeerde je juist zaken die nu ineens ‘verbeterd’zijn. Wolkers houdt voet bij stuk, hij vindt dat bepaalde ‘opgekookte emoties’ van de hoofdfiguur er terecht zijn uitgehaald. Natuurlijk blijft volgens hem het oude boek bestaan, hij schaamt zich daar helemaal niet over, hij noemt het ‘een verschrikkelijk goed boek’. Ook nu nog, maar uit de oude versie zijn ‘jeugdfouten’ en bepaalde ‘geëxalteerde dingen’weggehaald.
Wie zelf schrijft, of wil schrijven, heeft met deze twee versies een schat aan materiaal in handen. Op schrijversscholen zouden ze verplicht moeten zijn. Je kunt letterlijk zien hoe schrijven werkt, hoe een voorbeeldig schrijver als Wolkers eenzelfde scène op verschillende wijze voorziet van toon, kleur en zeggingskracht en welke effecten hij hiermee wil bereiken. Ook voor de verdere bestudering van de ontwikkeling van het schrijversschap van Wolkers zijn ze onontbeerlijk. Wat waren de literaire uitgangspunten bij de eerste en wat bij de tweede versie? Gefundenes fressen voor studenten Nederlands. De nieuwe versie bevat duidelijk minder ‘literaire’omschrijvingen, vrijwel alle beeldspraak is versoberd. Er ligt meer nadruk op het verhaal dan op de taal. Hij versobert het geëxalteerde, terwijl hij aan de andere kant het sentimentele (de sterfscène van de broer) sterker aanzet. Hij wil hiermee bij de lezer sterkere emoties oproepen. Het gaat bij Wolkers in deze fase van zijn schrijversschap niet meer om de emoties van zijn hoofdfiguur of van de schrijver maar om die van de lezer. Laten we hem blijven herlezen.

In: De Groene Amsterdammer 2007