In memoriam Louis Ferron (1942-2005)
'Wat een godvergeten derrie, excellentie.'

Van Louis Ferron had ik al negen romans, nu heb ik er dus tien: zijn nieuwste is net uit. Het is zijn laatste, Ferron overleed op vrijdag 26 augustus. Ik haal zijn boeken uit mijn kast en leg ze op mijn bureau. In zijn laatste boek, Niemandsbruid, staat een opsomming van alle publicaties: 38 werken. Tussen 1974 en 2005 schreef hij achttien romans tel ik, bijna iedere twee jaar één. Ik heb één dichtbundel van hem, “Grand Guignol”, ik leg het bij mijn stapel. Hij schreef essays en toneel maar voor mij was Ferron vanaf het begin romanschrijver. Zijn eerste heette Gekkenschemer, zeer treffende titel die als je het goed bekijkt op al zijn romans past. Hij zocht de schemergebieden op, vooral van de geest maar ook van het landschap. Vaak beschreef hij veraf gelegen wouden, heuvellandschappen en bossen, liefst in Duitsland, waar af en toe een dier in doodsnood schreeuwt. Of we belandden met een van zijn ongelukkige helden in donkere kamers waarin nauwelijks geluid doordringt en alleen een kaars flakkerend brandt. Daar waar illusies over menselijk gewoel en gedoe het meeste kans van slagen hebben zich ten volle te ontplooien. Zie op p. 138 van Gekkenschemer zo’n benepen ruimte: ‘Het was, zoals gewoonlijk, schemerduister in het vertrek. Voor het Heilige Hartbeeld wiegelde een flauw vlammetje dat de spaarzaam aanwezige voorwerpen in rusteloze deining bracht, geheel in overeenstemming met het onregelmatig en altijd weer onverwachte steunen, kreunen en giechelen van Zuster Anna. Vertrouwde beelden, vertrouwde geruchten’. Toen al, in zijn eerste boek dus, deze golvende zinnen, die natuurlijk toen nog niet vertrouwd waren omdat je pas later besefte dat Ferron er patent op had: het schemerige en de menging van het platvloerse en het hogere. Zet me een zin voor en ik weet of het er een van Ferron is.
Ik blader door zijn boeken en daar staan ze. Neem in Niemandsbruid op p.166 weer zo’n typisch Ferroniaanse ruimte, helemaal in stijl neergezet. ‘Diep in de bossen, had Ottilie bij geruchte vernomen, huisde een kolenbrander met zijn gezin. Een duister volkje, het liet zich raden. Dat zich met allerhande tovenarijen bezighield: reed op de vreemdste momenten paard, goochelde met loog, tangen, klisma’s en zeepsop, heulsappen en dolle kervel. Het sneed scherpe punten aan dunne twijgen’. We zijn weer thuis, dacht ik toen ik het las en nog niet wist dat Ferron dood was. Helemaal Ferron: zeker als je even doorleest. De heldin laat zich door dit ruwe volkje aborteren, waarbij een babbelzieke hoofdfiguur, ‘de geheimraad’, in wie we allemaal allang Goethe hebben herkend, het geheel in goede banen leidt. Ferron maakt er een mooie scène van waarbij het bloed je om de oren spuit zonder dat hij dat met zoveel woorden zegt. Liever geeft hij de gevoerde gesprekken van de aborteurs weer want hij weet dat je daarmee een veel indringender resultaat bereikt dan met gedetailleerde beschrijvingen. Goed schrijven doe je via een omweg, als er een was die dit wist was het Ferron. En dus schrijft hij: ‘Een van de slagers mompelde: ‘Wat een godvergeten derrie, excellentie.’’ De woorden ‘excellentie’ en ‘derrie’ direct naast elkaar, wat zal hij daar van genoten hebben! Naar zulke toevalstreffers zocht hij in zijn hele werk. Ineens in twee woorden het hele oeuvre bij elkaar! Het banale en het verhevene, alleen gescheiden met een komma. Ik heb er keihard om gelachen. En even verderop laat hij de ‘geheimraad’ zeggen: ‘Die teil had allang onder de tafel moeten staan, stuk ongeluk’. Die teil? Welke teil? Ineens zien we het in alle verschrikking voor ons: o ja, die teil natuurlijk. Waar het in terecht komt. En ik wist vrijwel zeker dat Ferron er langs associatieve weg bij gedacht moet hebben aan de teil van de geschiedenis waarin we uiteindelijk allemaal belanden.

voetnoten
Ferron’s proza wil voetnoten zetten bij de geschiedenis. Wie bijvoorbeeld bij Goethe denkt aan verheven drama’s en verzen, gespeeld of voorgelezen in verheven gezelschap, moet het laatste werk maar eens lezen. Franse troepen zijn begin negentiende eeuw Duitsland binnengevallen, de bevolking in paniek. Moet je voor of tegen zoiets vaags als ‘vrijheid’ en ‘broederschap’ zijn? Juist in dit soort onduidelijke historische periodes van machtig opspelend idealisme, waar de geschiedenisboekjes vol van staan, en misschien nog machtiger eigenbelang voelt Ferron zich het beste thuis. Die vormen het bordkartonnen decor van zijn romans. Waarbij oeverloos gedroomd wordt maar er allemaal niets van terecht komt. ‘Men droomde allerlei dat niets met de werkelijkheid te maken had; eerder met een verleden dat zich nooit had afgespeeld. Zó kon men ook gelukkig worden’. Perfecte samenvatting van de kern van Ferron’s hele oeuvre. In al zijn romans strooide hij bijna terloops met dit type kernachtige uitspraken, die zijn uitgangspunten nog eens samen vatte. Het is niks, het was niks en het wordt niks, maar je kunt er wel lekker over dromen. In de laatste roman staat er nog zo eentje: ‘Zoals alles welbeschouwd een godsschandaal is.’ Ook in zijn eerdere werk kom je ze steeds tegen want Ferron wilde liever niet onbegrepen zijn. Op het einde van Werken van Barmhartigheid (2003) staat: ‘Op zijn best heeft hij van de goden clowns gemaakt en de clowns tot goden verheven’. En zo doet Ferron dat in zijn hele werk. Zo ‘deed’ Ferron dat, moet ik hier natuurlijk schrijven, maar ik kan me er maar niet toe zetten.

parasieten
Veel had hij niet nodig om aan de slag te gaan. Een huisknecht, een kampbewaker, een ver familielid van een historisch figuur, een aan lager wal geraakte journalist. Plus een context waarbinnen roddel, broeierige seks en gemankeerde ambitie vrij spel hebben: een pension, een hotel, een filmset, een boudoir, een vervallen landgoed. Altijd een held of heldin die in de schaduw leeft van beroemde figuren of beroemde gebeurtenissen en die daarop parasiteert. Een clown dus. Een clown met ambities die tot de goden wil behoren, maar hij komt van een koude kermis thuis: want de goden zijn allemaal allang clown geworden. De clown in “Niemandsbruid” heet Adèle Schopenhauer, ja, ze is de zus van de filosoof. Ze leert Ottilie kennen, aanstaande schoondochter van de god Goethe, die hier een eindeloze babbelkous is en zich aan kwalijke zaakjes over geeft en in eigen dunk zwelgt. Schopenhauer, nog zo’n god, is een gewiekst zakenman die incest pleegt. En verder vult Ferron zijn boek met allerlei zelf bedachte of in oude historiën opgedoken personages die niet van plan zijn te voldoen aan wat in de officiële geschiedschrijving netjes is gedocumenteerd. Ambitieuze kletsmeiers en warhoofden zijn het en vervolgens maalt hij met deze ingrediënten met veel plezier de geschiedschrijving aan gort. Gemankeerde clowns en gemankeerde goden. Helden met gefnuikte ambities, mensen die het net niet maken, of zich bij de verkeerde partij aansluiten. In Gekkenschemer bij Wagner en Ludwig van Beieren, in De Keisnijder van Fichtenwald bij de hele Duitse nationaalsocialistische santenkraam, in De Gallische Ziekte bij Nietzsche en in zijn laatste boek dus bij Goethe en Schopenhauer.

dood en verderf
Als je aan een boek van Ferron begon wist je van te voren dat het uiteindelijk allemaal op de dood zou uitlopen, of op een smadelijke vlucht of op een groteske nederlaag die alleen door de held zelf als een overwinning kon worden uitgelegd. In zijn laatste boek sterft de heldin vergeten en versmaad. De schoondochter van Goethe krijgt het laatste woord en zij beschrijft het moeizame sterfbed van Adèle. Ferron verraadt zijn heldin niet, ik bedoel hij neemt geen afstand van haar, lacht haar niet uit, hij weet uiteraard dat hijzelf Adèle is want Ferron is altijd zijn eigen held. Juist in dit soort scènes, wanneer zijn helden uiteindelijk de waarheid onder ogen moeten zien, toont zijn werk, toonde zijn werk moet ik natuurlijk zeggen, zijn betrokkenheid met zijn clowns. Ja, meelopers en jaknikkers, warhoofden en geknakten, alles goed en wel, maar in de steek laat hij ze niet. In zijn latere werk nam Haarlem langzamerhand steeds meer de plaats in van het mythische en tegelijkertijd verderfelijke Duitsland. Duitsland werd Haarlem. In deze laatste roman toch weer een terugkeer. Maar de helden bleven hetzelfde. Het bleven randfiguren van de geschiedenis die er, dat is een verschil, steeds heftiger in het wilde weg op los schelden. Langzamerhand verdwenen de ‘grote’ historische figuren en in zijn helden verenigde hij steeds vaker de god en de clown in één figuur.

ongevaarlijk
Waarschijnlijk heeft Ferron er in de loop van zijn carrière van gedroomd dat hij ooit gevaarlijke boeken zou schrijven. Schandelijke boeken waarover men ingezonden brieven zou schrijven waarop hij dan zou reageren met vernietigende polemieken. Of boeken waarover vragen gesteld zouden worden in de Tweede Kamer. Het allerliefste natuurlijk boeken die verboden zouden worden, zoals werk van de door hem zo grenzeloos bewonderde Céline. En af en toe ontstond in Haarlem ook wel even rumoer wanneer iemand zichzelf in zijn romans meende te herkennen. Wat zal hij daar plezier aan hebben beleefd. Ook al kwam er toch niet echt een rel van. Maar gevaarlijk is literatuur allang niet meer, dat moet hem gespeten hebben. De bijbel en de koran zijn nog de laatst overgebleven gevaarlijke boeken, daar moeten we het mee doen wat dit betreft.
Gevaarlijk kon zijn werk natuurlijk nooit worden omdat hij in de stijl ervan altijd dubbelzinnig wilde zijn, misschien wel móest zijn. Zijn romans zijn te lezen als dubbelzinnige litanieën tegen de verbeelding. Hij viel haar aan omdat in de verbeelding de illusies over het bestaan altijd de overhand proberen te krijgen, hij verdedigde haar omdat zij zijn eigen bestaan uitmaakte. En de stijl waarin hij dit deed is het blijvende van zijn werk. De onnavolgbare Ferronstijl. Waarbinnen het ernstige en het komische, het verhevene en het banale, het pathetische en het concrete om voorrang vechten. Vechten schreef ik, niet vochten want Ferron’s stijl is zijn levende bewijs.

In: De Groene Amsterdammer 2005