Mark Twain
‘Mijn vader was een St-Bernard, mijn moeder een collie, maar ik ben een Protestant.’ Met deze geestige zin begint Mark Twain in 1903 het verhaal A Dog’s Tale, waarin hij experimenten op dieren pijnlijk bloederig aan de kaak stelt. Zijn Amerikaanse lezers waardeerden het maar matig, ze lazen liever nostalgische herinneringen over zijn tijd als stuurman op de Mississippi of zijn grappige reisverhalen. Twain (schuilnaam van Samuel Langhorne Clemens,1835-1910) woonde destijds in Europa, in Florence, hij was zijn schuldeisers in Amerika ontvlucht. Natuurlijk kende iedereen hem nog van zijn meesterwerken The Adventures of Tom Sawyer (1876) en Adventures of Huckleberry Finn (1884) maar dat soort boeken schreef hij niet meer.

depressie
Hij wilde niet alleen herinnerd worden als een grapjas, ‘a phunny phellow’ zoals hij het spottend noemde en dus legde hij zich toe op het schrijven van bittere, sombere en keiharde bespiegelingen over de ware aard van de mens en de Amerikaanse en Europese machtspolitiek. Hij trapte vaak met volle kracht op de ziel van de Amerikaanse burger. In ‘The War Prayer’ (1905) maakte hij bijvoorbeeld gehakt van het Amerikaanse patriottisme. ‘O Heer, Onze Vader, help ons om hun soldaten met onze granaten aan stukjes te rijten; help ons om hun velden te bedekken met de bleke vormen van hun patriottische doden; help ons om het geschreeuw van hun gewonden te smoren in het gedreun van onze kanonnen’. Enzovoort. De dood kort na elkaar van zijn dochters Susy en Jean en zijn vrouw Olivia brachten hem jarenlang in een diepe depressie waaruit hij pas langzamerhand opkrabbelde.
En de laatste jaren van zijn leven was hij in New York en Boston weer een veel gevraagde en uitermate geestige gastspreker op recepties en partijen. En kon je hem in New York op zondagochtend, wanneer de kerken uitgingen, op 5th Avenue in zijn witte pak zien flaneren. Hij was en is een fenomeen, nog altijd verschijnen in Amerika herdrukken van zijn werk en de discussie over zijn leven en werk beslaat langzamerhand meer dan vijftig meter boekenplanken en zal voorlopig niet ophouden.
Een paar weken geleden was het opnieuw raak. Alan Gribben publiceerde een nieuwe editie van Huckleberry Finn en verving daarin het woord ‘nigger’, dat Twain ongegeneerd gebruikt, door ‘slave’. Zijn argument is dat het boek steeds vaker van leeslijsten in bibliotheken verdwijnt omdat ‘the n-word’ erin voorkomt. Dus moeten we het maar aan de huidige normen aanpassen. In Amerika komen dit soort discussies helaas maar al te vaak voor. Bibliotheken voeren een eigen aankoopbeleid dat per staat en per district verschillend is, al naar gelang hoe de politieke of religieuze wind waait. En steeds vaker moeten ouders of andere verontruste burgers harde strijd voeren om boeken van Darwin, Faulkner en dus ook van Mark Twain ongecensureerd op de inkooplijsten te houden. Er stak een ware storm op tegen Gribbens nieuwe uitgave, en het is natuurlijk een krankzinnig idee om boeken uit het verleden aan te passen aan onze huidige idealen. Het einde is zoek, laten we hier alvast beginnen met het Wilhelmus: die zin over de koning van Hispanje die wij altijd geëerd hebben, kan dat niet veranderd? Dat wij de koning van het geld altijd geëerd hebben? Jammer dat Twain dit niet meer meemaakte, hij had er ongetwijfeld een hilarisch artikel over geschreven.

discussie
De discussie over Twains vermeende racisme in het spannende en soms gruwelijke meesterwerk Huckleberry Finn blijft af en toe de kop opsteken, ook al is het iedereen duidelijk dat Twain in de gevluchte slaaf Jim een moreel superieur mens schetste. Juist het voortdurend gekissebis tussen Huck Finn en Jim over allerlei maatschappelijke kwesties maakt het boek nog steeds onweerstaanbaar. Huck is de onnozele blanke die alles meent te doorzien, die ‘niggers’ ziet als gebruiksvoorwerpen, zoals dat in Zuidelijke staten gebruikelijk was, maar uiteindelijk tot inzicht komt en Jim is overduidelijk de wijze man die de juiste menselijke lijnen uitzet. Shelly Fisher Fishkin toont in Was Huck Black? (1993) overtuigend aan dat Twain sterk beïnvloed was door de taal van de slaven van zijn familie. Hij hoorde ze toen hij jong was praten, genoot ervan en legde hun taal voor het eerst in literatuur vast. Ook het dialect dat Huck spreekt is er direct aan ontleend.
Het is overigens mooi om te zien dat Twain zich in zijn jeugd maar moeizaam losmaakte van de Zuidelijke opvattingen over slavernij. Hij werd in Missouri geboren en was als jongeman lid van een militiegroep die tijdens de Burgeroorlog (1861-1865) de zaak van het Zuiden verdedigde. In zijn allereerste brief aan zijn moeder in 1853 (hij was 18) lezen we over een reis naar New York: ‘(…) and when I saw the Court House in Syracuse, it called to mind the time when it was surrounded with chains and companies of soldiers, to prevent the rescue of Mr.Reynolds’ nigger, by the infernal abolitionists. I reckon I had better black my face, for in these Eastern States niggers are considerably better than white people.’ Maar al tijdens de burgeroorlog verdedigde hij op dit gebied de standpunten van het Noorden en in latere jaren bleef hij een vurig voorvechter van de zwarte emancipatie.
Maar hij vergat zijn afkomst niet. Hij cultiveerde zijn zuidelijke tongval, het werd zijn handelsmerk tijdens de lezingen die hij jarenlang vooral in het Noordoosten van Amerika gaf. Wanneer hij herinneringen aan zijn jeugd ophaalde, begon hij soms met onvaste stem negro spirituals te zingen die hij als jongen gehoord had. Zij die het meemaakten, schrijven er ontroerd over. Je moet je hem tijdens die lezingen voorstellen als een cabaretier die alles wat heilig was op de hak nam en inspeelde op de (voor)oordelen van zijn toehoorders. Engelsen hadden het gedaan, Fransen waren verkeerd, New Yorkers waren windbuilen, Europeanen hadden foute regeringen, kapitalisten waren uitzuigers en negers werden onderdrukt. Dit alles doorspekt met anekdotes uit zijn jeugd en verhalen over zijn reizen naar Europa en Hawaii. Hij gaf de indruk dat hij alles ter plekke bedacht en werd kwaad als hij zijn verhalen de volgende dag letterlijk in kranten terugzag. Dat scheelde weer kaartjes voor de volgende lezing.

wetenschappelijk
Een paar maanden geleden verscheen Autobiography of Mark Twain, Volume 1 als onderdeel van de wetenschappelijk verantwoorde uitgave van Twains volledige werk. Er bestaan allang allerlei uitgaven van zijn ‘autobiografie’, maar deze nieuwe editie pretendeert al het voorafgegane overbodig te maken. De samenstellers brachten al zijn biografische geschriften bijeen en zetten ze in de volgorde die Twain zelf voor ogen had. Vorige uitgaven rommelden maar wat, stelt men in de inleiding, de samenstellers zetten de geschriften in chronologische volgorde, iets wat Twain tijdens zijn leven vaak genoeg verboden had. Hij vond dat een autobiografie, wilde die volstrekt eerlijk zijn, altijd uit fragmenten zou moeten bestaan, uit invallen, anekdotes, los uit de pols geformuleerde herinneringen, zonder een van te voren bedacht schema of stramien. Want dat zou alleen maar zelfcensuur opleveren. Als grote voorbeelden noemde hij vaak Confessions van Jean Jacques Rousseau en Mémoires van Casanova.
Keer op keer zette hij zich aan het werk, hij schreef lange fragmenten, werkte aantekeningen van lezingen om, sprong van het ene naar het andere onderwerp, maar gooide alles dan na een tijdje in een doos, vergat het project en begon een paar jaar later opnieuw of dicteerde dan maar zijn herinneringen aan een secretaris. Uiteindelijk bleef een gigantische hoeveelheid geschriften over, de inleiders spreken over pakken papier en vele honderdduizenden woorden. Uit geldnood publiceerde hij af en toe delen ervan. Nu hebben we dus het vuistdikke en volledige deel 1 van zijn autobiografie. Deel 2 en 3 volgen nog.

geen nieuws
En eerlijk is eerlijk, het valt allemaal niet mee. Je moet wel een hardcore liefhebber van Twains werk zijn, wat ik ben, om het te kunnen waarderen. Ik begrijp dat er zo’n wetenschappelijke uitgave moet zijn, maar wanneer je een beginnend Twain lezer bent, heb je er niet veel aan. Deze geschriften zijn opvallend braaf. Niets over Twains eventuele seksuele escapades, niets over schurkenstreken, geen abject geroddel over zijn vroegere vrienden, geen enkele bekentenis waar je je plaatsvervangend voor schaamt. Rousseau en Casanova, dat is inderdaad smullen, maar Twain houdt helaas al zijn kaarten op zak, voor zover hij die heeft. Misschien was hij in de grond, ik ben daar van overtuigd, een brave jongen en tamelijk lieve man met ‘normale’ schuldgevoelens en ‘normale’ seksuele hang ups, die erg veel van zijn moeder en zijn vrouw hield. Maar waarom dan zijn strenge eis dat dit werk pas honderd jaar na zijn dood, in 2010 dus, gepubliceerd mocht worden? Wel oeverloze uitweidingen over Amerikaanse politieke kwesties en ellenlange beschrijvingen van zijn woningen en hotels in Florence, Berlijn en Wenen. Helaas maar af en toe die verwoestende geestigheid en scherpe blik waar je bij hem steeds op zit te hopen en waarop hij je in zijn romans en verhalen keer op keer trakteert. Bijvoorbeeld de toespraak bij zijn zeventigste verjaardag waarin hij vertelt dat hij enorm gezond geleefd heeft omdat hij zich altijd beperkte tot het roken van een sigaar tegelijk. Of de grap over de man die hem ooit bij een lezing introduceerde en zei dat hij maar twee dingen over Mark Twain wist, ten eerste dat hij niet in de gevangenis zat en ten tweede dat hij niet wist waarom.

zelfcensuur
Soms kom je hartverscheurende stukken tegen, bijvoorbeeld over de dood van Susy en van zijn vrouw, dan word je helemaal stil. Maar het is te weinig, bovendien kende ik al hele stukken uit eerder gepubliceerde autobiografische geschriften. Wel aantrekkelijk vond ik het gedetailleerde notenapparaat ( bijna 200 pagina’s) waarin men alle beweringen van Twain natrekt op juistheid en alle genoemde mensen en kwesties van een korte toelichting voorziet. Twain vergist zich vrijwel altijd over data, plaatsen en namen en wie snel een beeld wil hebben van wat speelde in de Amerikaanse samenleving tussen 1860 en 1900 kan hier zijn hart ophalen.
Misschien is deze uitgave zo teleurstellend omdat Twain al zijn werk eerst aan zijn vrouw en zijn vriend William Dean Howells voorlegde. Zij censureerden hem met volle kracht. Olivia Langdon, ze kwam uit een fundamentalistisch georiënteerde Protestantse familie, schrapte zijn dolle invallen, zijn godslasteringen en zijn obscene toespelingen. Zij was bijvoorbeeld ontevreden over Huckleberry Finn omdat dat vol staat met in haar ogen ondraaglijke platvloersheden. Ze streepte er hele stukken uit weg. En ook Howells, een academisch georiënteerd schrijver, waar Twain helaas altijd goed naar luisterde omdat hij tot het Amerikaanse schrijvers establishment hoorde, zag er op toe dat het allemaal netjes bleef. Jerome Loving laat dit alles overtuigend zien in zijn vorig jaar verschenen biografie (de derde in minder dan zes jaar tijd!). Twain was wel een rebel maar hij wilde niet te ver gaan, dat zou hem lezers kosten. Pas na zijn dood verscheen het grappige pornografische werkje 1601 waarin hij Koningin Elizabeth I met haar hofhouding bijvoorbeeld laat debatteren over de juiste spelling van het woord ‘bullocks’. Volgens Elizabeth is spelling wel het allerlaatste waar je je als vrouw over druk maakt wanneer je de ‘bullocks’ van een man tegen je ‘bottom’ voelt slaan.

invloed
En nu zitten we dus in onze maag met dit vuistdikke boek dat in Amerika onverwacht een geweldige bestseller werd, meer dan 150.000 verkocht. Zo erg vreemd is dit ook weer niet. Mark Twain blijft een belangrijk Amerikaans ‘role model’. Zijn non conformisme, zijn blijvend geloof in de ‘American Dream’, ondanks zijn kritiek op de Amerikaanse politiek, zijn beschrijvingen van het ook in zijn tijd al verdwenen Amerikaanse landschap en zijn flitsende en vaak geestige inzichten in menselijk gedrag, houden blijkbaar bij veel Amerikanen illusies in stand over een mogelijke verbetering van de samenleving. Twain is niet alleen een belangrijk satiricus, zijn werk had en heeft nog steeds veel invloed op de Westerse literatuur. Hij was een van de eerste die met een onbetrouwbare verteller werkte en die in zijn belangrijkste romans verschillende stemmen aan het woord liet. Zonder hem hadden schrijvers als Faulkner of J.D. Salinger hun werk nooit geschreven.
In Nederland komt alleen zijn tijdgenoot Multatuli in de buurt. Ook hij werkte in Max Havelaar met verschillende elkaar en zichzelf tegensprekende stemmen. Couperus moest bij verschijnen van Huckleberry Finn zijn grote romans nog schrijven. De anderen zaten nog vast aan de stem van de bijbel of gaven zich over aan halfzacht romantisch estheticisme dat geen tegenstrijdigheden toestond.

Harriet Elinor Smith, Autobiography of Mark Twain volume 1, University of California Press, 2010, 679 pagina’s
Alan Gribben, Mark Twain’s Adventures of Tom Sawyer and Huckleberry Finn: The New South Edition, 2011, 450 pagina’s
Shelly Fisher Fishkin, Was Huck Black? Mark Twain and African-American Voices, Oxford University Press 1993, 218 pagina’s
Jerome Loving, Mark Twain, the Adventures of Samuel L.Clemens, University of California Press 2010, 419 pagina’s

in: NRC Handelsblad februari 2011