In memoriam Ramses Shaffy ( 1933- 2009)
In de derde klas van de middelbare school, ja toen al, moesten we in Arnhem, ik woonde in Nijmegen, naar de Gijsbrecht van Amstel van Joost van den Vondel. Dit moet rondom 1958 zijn geweest. Ramses Shaffy was 25 en hij speelde de foute verrader Vosmeer de Spie die in handen valt van Gijsbrecht en in een oeverloze monoloog diezelfde Gijsbrecht om de tuin probeert te leiden rondom de inname van Amsterdam. Hij zei toen zinnen als: ‘Ik ben een Goyers kind, vervallen in Gods toren,/ te Haarlem opgevoed. ‘k Ontliep mijn oudren vroeg.’
Dat laatste was nog waar ook, maar dat wist ik niet, Shaffy bracht zijn jeugd voor een belangrijk deel door bij tantes en in pleeggezinnen. Ik herinner me zijn optreden nog precies, terwijl ik van de rest van de voorstelling weinig tot niets meer weet. Hij was een lange jongen, met lang haar, toen ongebruikelijk, en hij slaagde erin de ingewikkelde tekst te laten klinken alsof hij hem ter plekke bedacht. Hij legde niet de nadruk op het kwaadaardige van zijn rol maar probeerde er iets jongensachtigs in te brengen, iets vanzelfsprekends waardoor het juist allemaal nog kwaadaardiger werd. Kortom, hij was goed en dat vonden we na afloop allemaal: die jongen, hoe heet-ie, die spion, die was goed, de rest was minder.
Ramses Shaffy bleef goed, ook als het stuk minder was, hij was een naturel zoals dat in toneelkringen heet, aan hem lag het niet, al hoorde je later wel eens verhalen over te laat komen, over schmieren en over dronkenschap. Wat kon mij dat allemaal schelen! Toen ik vanaf 1968 in Amsterdam ging studeren werkte mijn vriendin, nu mijn vrouw, als danseres bij de Snip en Snap revue. In dat milieu en in vele andere, liet Shaffy zich vaak zien in het uitgaansleven van Amsterdam. Ik zag hem één keer in ons stamcafé, Van der Laan, nu weg, aan de Amstel. Wat een fantastisch vrolijke man, slank, briljant lachend, plezier voor tien, ik meen zelfs dat hij even naar me heeft geknikt, misschien wilde hij kennis met me maken, of met mijn vriendin, want zo was hij ook wel weer. We gingen naar een voorstelling van Shaffy Chantant, waarin hij voor de pauze een paar van zijn krankzinnige liedjes zong ( bij hem heb ik altijd de neiging het over ‘ liederen’ te hebben) en na de pauze werd er een een acter opgevoerd waarin ook Lex Schorel een rol speelde, als ik me dit tenminste goed herinner. Shaffy zoog je zowel als zanger als als acteur volledig naar binnen, bij hem was het alles of niets, ik herinner me nog de zweetdruppels die langs zijn gezicht liepen. Veel van mijn oude platen heb ik in de loop der tijden weg gedaan want je kunt niet aan de gang blijven, maar Shaffy Chantant (het jaartal ontbreekt) met onder andere ook Loesje Hamel, Liesbeth List en Joop Admiraal kreeg ik niet de deur uit. Een ratjetoe van een plaat, er staan Franse chansons op, muziek van Scarlatti, gedichten van Hans Lodeizen, liedjes van Shaffy natuurlijk, plus het raar jubelende Shaffy Cantate, dat ik nu alleen nog maar onder de douche zing. En als ik mijn vrienden aan het lachen wil krijgen. Maar we weten het nog allemaal en wanneer er in de familie of vriendenkring weer eens een relatie stuk gaat dan zingen we thuis altijd het zeer fraaie en treffende lied: ‘ De één wil de ander’ (maar die ander wil die ene niet) etc. En wat te denken van ‘Marije.’!
Ramses Shaffy bleef mijn leven begeleiden, toezingen is misschien een betere term, hij was en is op het eerste gezicht in vrijwel alles wat ik niet ben en zal zijn, maar wel probeer te zijn. Uitbundig, ongeremd, een durfal en een alleskunner. Je moet echt durven om in een lied als refrein te hebben: ‘zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder’, dat ik niet zonder enige verbijstering kan zingen, omdat ik me ook ervoor schaam dat ik het zo mooi vind. En dan dat raadselachtige, ‘niet zonder ons’ er achteraan, wat bedoelde hij daar in hemelsnaam mee.
Er is iets raars ongeremds in zijn liedjes, een voortdurende roep om bevrijding en aandacht, bijna een schreeuw van verlangen naar aanwezigheid en tegelijkertijd een parodie daarop. Misschien was Shaffy in de grond een verlegen man. En later werd hij natuurlijk een icoon van de sterrenindustrie. Wat is er binnen deze industrie niet mooier dan iemand die ‘alles achter zich heeft’, die een ‘levende legende is’, en toch in de openbaarheid blijft. De mythe, de legende, moet in stand blijven, ik heb altijd begrip gehad voor zijn vrienden die hem trouw bleven en hem keer op keer in het zonnetje wilden zetten, al had dat soms iets gênants. Als ze dan maar wel bedachten, vond ik, dat het altijd mijn Ramses was en is, mijn Vosmeer de Spie, mijn jubelende zanger.

in: De Groene Amsterdammer 2009