In memoriam Tsjêbbe Hettinga (1949- 2013)

Ergens halverwege de jaren tachtig zag en hoorde ik Tsjêbbe Hettinga voor het eerst tijdens een klein dichtersfestival in de buurt van Drachten. Ik had wel eens iets over hem gehoord, dat hij bijna blind was, zong, dat hij heel bijzonder was. Het festival was in de open lucht, veel publiek was er niet, het had flink geregend; er was een podium waar je alleen via een lastig trappetje op kon klimmen. Tsjêbbe was de laatste. Hij had een grote snor, droeg een pet en werd door een vrouw met enige moeite het podium op geholpen. Ze bracht hem naar de lessenaar die hij even betastte alsof hij wilde weten of het allemaal wel vertrouwd was. Daarna barstte hij los in een schurend, sonoor, gedragen en meeslepend gezang dat de winderige avond geheel vulde. Ik begreep er niets van, niet alleen omdat ik het Fries niet goed kon volgen, maar ook omdat dit een soort voordracht was die ik me nergens van herinnerde. Ik bevond me ineens midden in een mythisch landschap waar het de gewoonste zaak van de wereld was om gedichten te laten klinken als liefdesbezweringen, landschappelijke hymnen en doodsklachten. Wat hij voordroeg weet ik nog, It Weinhûs (Het wagenhuis), dat in 1995 in de tweetalige bundel Vreemde kusten/Frjemde kusten is opgenomen. Ik herinnerde me zijn voordracht toen ik deze bundel later las, met dat schitterende beeld van een rode tractor in het natte Friese land: In Nuffield-reade eamel yn in wietgrien bitefjild- ploeget/ Him, stinnend yn de hege motorlûden, troch de wjerstribbichheid/ Fan ieuwen klaai, jierren fan strie, dei dy t tusken twa seizoenen/ Knieret. (Een Nuffield rode mier in een natgroen veld met bieten- ploegt zich, / Kreunend in zijn hoge motorgeluiden, door de weerbarstigheid/ Van eeuwen klei, jaren van stro, dag die tussen twee seizoenen/Scharniert. vertaling Benno Barnard). Tsjêbbe publiceerde en declameerde al vanaf 1973 poëzie maar na de bundel Under seefûgels De kust (1992) slaagde hij erin zijn unieke, intensieve toon en mythologie te vervolmaken en ongegeneerd voor het voetlicht te brengen. Langzamerhand verwierven zijn uitermate beeldende, klassieke en tegelijk hoogst concrete poëzie, plus zijn ongehoorde voordrachten in binnen en buitenland grote naam. Jarenlang trok hij, altijd vergezeld door zijn vrouw Tsjikke Hitman (ze overleed in 2011), langs alle grote internationale poëziefestivals.
In 1995 raakte ik betrokken bij de organisatie van een cultureel festival in de Provincie Fryslân, het festivalthema was ontleend aan een lang gedicht van Walt Whitman: Salut au Monde! Fryslân groet de wereld. We vroegen Tsjêbbe dit gedicht in het Fries te vertalen en het op de openingsavond in Schouwburg De Harmonie voor te dragen. Ik leerde hem beter kennen, kwam bij hem thuis, hij woonde in Leeuwarden niet ver van me vandaan in het stadscentrum boven een schoenenzaak. Ik maakte daar kennis met zijn werkwijze. Hij had een schrijfprogramma dat op zijn computer reusachtige letters projecteerde. Wanneer hij dichtbij het scherm zat kon hij die letters ontcijferen. En zo werkte hij letter voor letter aan zijn oeuvre. Hij was ongelofelijk kritisch, nooit tevreden, hij kon zich over de minste kwestie dagenlang het hoofd breken en anderen lastig vallen. Hij stelde hoge eisen aan zichzelf en anderen, wie niet het allerbeste wilde, had bij hem geen leven. Wanneer een gedicht op papier helemaal klaar was, sprak hij het in op een bandrecordertje en dan begon hij het uit zijn hoofd te leren. Urenlang zaten we bij elkaar in zijn werkkamer waarin hij moeiteloos zijn weg kon vinden. Hij praatte tijdens deze ontmoetingen Fries en ik Nederlands, Tsjêbbe meende dat een Nederlandse schrijver die in Fryslân woonde in ieder geval Fries moest kunnen verstaan. We praatten over Whitman, over literatuur, over Friesland en over zijn armelijke omstandigheden. Hij was werkelijk straatarm, ik herinner me nog goed mijn geschoktheid hierover, zon dichter mag niet arm zijn. Hij droeg fragmenten van zijn Whitmanvertaling aan me voor en ondertussen was hij begonnen het paginalange gedicht uit zijn hoofd te leren. O Pak myn hân Walt Whitman!/ Wat in wûndere gliidflechten! Wat in/ eachweiden en lûden! ( O neem mij bij de hand Walt Whitman!/ Wat een langszwevende wonderen! Wat een / schouwspelen en geluiden!, vertaling uit het Engels Jacob Groot). Zijn voordracht in De Harmonie was schitterend, onvergetelijk, ook al omdat hij hem wegens storende bijgeluiden op een monitor in het begin even onderbrak maar daarna doorging, meeslepend, dwingend en roepend. Ik herinner me zijn spanning vooraf, ik zie hem nog voor me, alleen op het podium voor een volle zaal, wie erbij was zal het nooit vergeten. En erna de ontlading.
We zagen elkaar vanaf die tijd regelmatig in de Leeuwarder cafés. Hij kon enorm ouehoeren en bier drinken als geen ander en je kon tot mijn grote opluchting geweldig met hem lachen. Hij was trots op zijn dichterschap. Als het om zijn gedichten ging, was hij volstrekt ernstig en gedreven, het moest precies zoals hij het wilde. Hij zorgde ervoor dat de mythe van zijn gedichten en zijn dichterschap in stand bleef, hij beschermde zijn werk met huid en haar. En altijd die verdomde armoede. Hij was als dichter in Friesland en Nederland onovertroffen. Bij hem was een gedicht zang en verlangen en geen veredelde egocolumn met wat regels wit ertussen. Ook toen ik naar Den Haag verhuisde kwam ik hem op dichterfestivals af en toe tegen. Hij herkende me aan mijn stem, tastte even over mijn lichaam. Raakte me aan.

in: De Groene Amsterdammer, 14 maart 2013)