WILLEM ELSSCHOT
Vic van de Reijt, Elsschot. Leven en werk van Alfons de Ridder, Atheneum-Polak&Van Gennep, 29.95.


Leeft Willem Elsschot nog? Ik bedoel in de huidige literatuur: in mentaliteit, toon, literaire stijl en verlangen? Vic van de Reijt hield de laatste jaren via allerlei uitgaven zijn naam hoog en publiceert nu een pakkende en gedetailleerde biografie waarmee hij opnieuw iets terugdoet voor deze benijdenswaardige schrijver. Die het banale tot het ongewone promoveerde en voor het eerst in de Nederlandse literatuur het zakenleven, vooral het reclamewezen, tot literair onderwerp uitriep. Natuurlijk toonde Simon Carmiggelt zich vroeger meerdere malen schatplichtig en gaf ook Kees van Kooten hem de nodige eer. Maar leeft hij nog bij romanschrijvers van nu? Kluun verwijst in een noot naar hem in zijn nieuwste roman Haantjes, die zich in de reclamewereld afspeelt. Theodor Holman geeft in zijn laatste roman De Plant die muziek maakte (2010) zijn held de naam Laakman, vrij naar Elsschots held Laarmans. Ook een eerbetoon dus. En je hoeft maar even naar Grunbergs romankunst te kijken en je ziet en hoort er Elsschots stijl in doorklinken. Het verschrikkelijke verwoordt in de stijl van het gewone, bedrog gedemonstreerd als manifestatie van het ‘normale’ menselijk gedrag. Schuld en boete als theaterstuk. Hij is er dus nog.

fris als een hoentje
Ik kocht en las zijn Verzameld Werk in 1963, een zesde druk, een uitgave van zijn oorspronkelijke Nederlandse uitgever P.N. van Kampen en Zoon. Ik was toen negentien. Sinds die tijd nooit herlezen misschien omdat ik vreesde dat ik te veel uit zijn toon en stijl zou gaan overnemen, laat die Elsschot dus maar even zitten. Villa des Roses (1910) herinnerde ik me nu nog van de eerste lezing, iets met een pension, een abortus en een dood aapje. Elsschot (pseudoniem van Alfons de Ridder, 1882- 1960) schreef het toen hij 28 was. Van de Reijt vertelt er in zijn biografie uitvoerig over. Hij woonde in Rotterdam, voelde zich na een niet al te veelbelovende jeugd, om het maar voorzichtig te zeggen, tamelijk gelukkig als pas getrouwd vader en beginnend zakenman. Hij was in december 1907 als chef correspondentie in dienst getreden bij de Schiedamse Werf Gusto. Daar maakte hij kennis met Anna van der Tak die veel plezier had in zijn sappige verhalen over een pension in Parijs waar hij een paar jaar gewoond had. Waarom schrijf je dat nou niet eens op? De Ridder had vroeger wel zo’n beetje meegedaan met vrienden die aan literatuur deden, hij meer als drinkebroer en lolbroek, zo serieus nam hij het allemaal niet. Gedichten in de trant van Willem Kloos, meer niet. En ineens pent hij binnen drie weken in augustus 1910 de eerste versie van het meesterwerk Villa des Roses, Een onwaarschijnlijk prachtig boek dat ik opnieuw las. Het is nog steeds zo fris als een hoentje. Wat een boek! Wonderbaarlijk sentimenteel en liefdevol en tegelijk cynisch, nee, dat is het woord niet, het is wreed gevoelig, om echt tranen met tuiten bij te huilen, zo mooi en tegelijkertijd zo stil en indringend en op een eigenaardige manier zo helder als glas. Er is niets verouderd aan, ja, een paar woorden over meubels en straten en geluiden, maar verder is niks verouderd over de mensen en hun dingen. Hun geloof, hun verlangen en hun berekeningen. Want vergis je niet, dit is geen zoetsappige sentimenten schrijver uit het jaar nul: in al het werk van Elsschot draait het om geld. Geld en bedrog. Alles is geld en alles is bedrog. Je kunt daar om lachen of huilen, maar zo is het. Als deze roman nu uitgekomen was, ik bedoel ongewijzigd, in deze vorm en ik zat in welke jury dan ook, ik zou de beraadslagingen direct opschorten. Dit boek is het.

erotiek
De beschrijving van de abortus van het ongelukkige dienstmeisje Louise is adembenemend verschrikkelijk, je kunt je nauwelijks voorstellen dat dit in 1910 geschreven werd. Zo dichtbij, precies en nog lichtvoetig ook. Het is om heel lang voor je uit te staren. ‘Madame Charles nam een handvol groene zeep, deed water in een bakje en begon zeepsop te maken. Onderwijl gaf zij Louise technische ophelderingen omtrent de voordelen en de grotere securiteit der zeepsopmethode, de enige welke zij toepaste.’ O Louise, jammerlijke Louise, schitterende vrouw, die wonderlijk licht en altijd goedgelovig haar ondergang tegemoet gaat. Je ziet en voelt hoe zorgvuldig Elsschot in scènes met haar aan het werk was: op zoek naar het precieze woord, de juiste toon, dit niet, dit wel. De stilte. Het verlangen en de wanhoop. En de verbluffende verzwegen maar toch aanwezige erotiek die later helaas uit zijn werk zou verdwijnen. ‘Ergens op een plaats, waar niets te zien was dan dicht struikgewas rondom, gingen zij op het gras zitten spelen. En Louise was ongevoelig voor de muggen, hoe nijdig die ook door haar kousen heen in haar benen beten.’ Jaloersmakend schrijven is dit. Wie geen bittere tranen over Louise huilt, heeft een hart van steen.

nieuwe stijl
Hoe is het mogelijk dat deze jonge enigszins deftige meneer dit in zijn mars had? Van de Reijt zet al zijn niet geringe kennis over werk en leven van Elsschot in om het raadsel hiervan op te lossen, daar ben je biograaf voor, maar gelukkig slaagt hij er niet in. Het blijft iets hebben van een rare bevlieging, een plotseling open bloeiend talent, een godswonder dan maar. Of een gelukkige samenloop van omstandigheden die Elsschot zelf ook niet precies op waarde wist te schatten. Want dat het een meesterwerk was, wist hij eerst nog niet. Hij las het aan een paar vrienden voor en die zagen tot hun stomme verbazing dat deze gewoonlijk zo koele kikker en drinkebroer bij sommige passages letterlijk in tranen uitbarstte. En pas drie jaar later kwam het uit, het werd niet eens slecht besproken, al zweeg de rooms-katholieke pers het vanwege de abortus scène helemaal dood. Zelfs Willem Kloos, die er helemaal niets van begrepen had, wijdde er in De Nieuwe Gids enige half lovende woorden aan. Hij hoopte ‘(..) dat de schrijver nog eens een werk zal kunnen geven, dat niet alleen onze lachzenuwen maar ons heele menschlijke Wezen weet te raken.’ Lachzenuwen, wat een misverstand! Het ging om Schoonheid Willem!
Het was natuurlijk niet gemakkelijk er iets van te begrijpen want deze stijl en toon bestond nog niet. Elsschot was de uitvinder ervan. In Vlaanderen had je Stijn Streuvels, August Vermeylen, in Nederland de nawerking van de tachtigers. Plus het grote werk van Couperus natuurlijk, maar die zocht het niet in het ongewone van het gewone. Niet in geld en bedrog, zal ik maar zeggen. In 1911 debuteerde bij ons Nescio met De Uitvreter, waarin ook het ‘gewone’ onderwerp is, maar diens werk mist overduidelijk Elsschots maatschappelijk venijn. Want venijnig was hij, dat bleek wel uit de boeken die hierna verschenen. Het bittere De verlossing (1921) bijvoorbeeld waarin een harde strijd wordt uitgebeeld tussen een priester en een middenstander. Weer rondom bedrog en geld. En mishandeling. Met schitterende zinnen als: ‘Sedert lang ontweken zij elkander met taaie volharding, zodat Kips (de priester-KtH) zijn tegenstander niet anders meer gezien had dan uit de verte, als een wandelend pak kleren.’ Plus de eerste expliciete zelfbevredigingscène uit de Nederlandstalige literatuur: ‘(…) want een paar dagen te voren, ’s avonds voor zij in bed stapte, had zij, bij ’t denken aan die jongen, haar hemd opgelicht en met bonzend hart haar eigen naaktheid aangekeken. Zij had toen haar hand niet kunnen bedwingen. Zo had zij daar gestaan, geheel van streek en hulpeloos verloren, tot een gestommel op de zolder haar tot bezinning had gebracht. Het was een bende ratten die bezig was Pol zijn koren weg te dragen.’ Als je dit kunt ben je een grootheid. En daarna kwamen natuurlijk de reclameboeken: Lijmen (1923), Kaas (1933) Het Been (1938) waarmee hij zijn naam, mede dank zij steun van Menno ter Braak, vooral in Nederland voorgoed vestigde.

periodeschrijver
Van de Reijt laat zien dat Elsschot een periode schrijver was. Hij schreef bij buien. Soms nam het zakenleven het geheel van hem over, dan ging dat voor, vooral als hij daarin succesvol was. Van zijn romans kon Elsschot in de verste verte niet leven. Bovendien wilde hij er niet mee te koop lopen omdat hij de reclame business waarmee hij veel geld verdiende in zijn romans niet bepaald als een edele bedoening voorstelde. Het zou hem klanten kunnen kosten. Zijn jongste dochter wist lange tijd niet eens dat hij de schrijver Elsschot was. Tegen het einde van zijn leven liet hij zich de verworven literaire roem wat meer aanleunen en zelfs begon hij te suggereren dat hij het reclame werk er altijd tegen wil en dank bij had gedaan. Daarmee hoopte hij een mooi romantisch schrijversbeeld van de grond te krijgen. Van de Reijt laat gedetailleerd zien dat Alfons de Ridder een reclameman, een lijmer, in hart en nieren was. Uit overtuiging en uit talent. Hij was de grote man achter alle reclameborden op kiosken op Belgische stations. Als er een grote nationale festiviteit werd georganiseerd, dan zorgde hij voor een gedenkboek, plus de benodigde reclames. Hij bezorgde tegen ruime betaling brochures voor de Bond der Kroostrijke Gezinnen, gedenkschriften voor overleden kardinalen en was enige tijd de grote man achter de almanak van Snoecks die nu nog rond oud en nieuw over de toonbanken vliegt. Terecht geeft Van de Reijt hiervan een uitputtend overzicht. Achteraf kun je dit nu ironisch noemen, maar destijds stortte De Ridder zich met hart en ziel op dit werk en hij verdiende er schatten geld mee. Hij was nu eenmaal een bekwaam handelaar in papieren illusies. Elsschot was dat als romanschrijver natuurlijk ook, maar dan op literaire wijze: in zijn romans maakte hij gehakt van de illusies die hij in het dagelijks leven aan de man probeerde te brengen. Misschien kun je zijn romans opvatten als pogingen het schuldgevoel over zijn dagelijks bestaan te bezweren.
Ik vind na herlezing van Elsschots oeuvre nog steeds Villa des Roses zijn absolute meesterwerk. In de romans over de reclamewereld is de ironie er soms te dik op gelegd en doorzien figuren als Laarmans en Boorman toch te veel hun slachtoffers. Een onverwachte verrassing was Tsjip (1933), ik las het nu voor het eerst. Het wel en wee van een Antwerpse familie, gezien door de ogen van de pater familias. Superieur proza. Eerst was ik bang in deze roman aan kleinburgerlijkheid ten onder te moeten gaan maar langzamerhand slaagde Ellschot er opnieuw in een wereld van verlangen, vergeefsheid en vlijmscherpe berekeningen op te roepen. Ook dit boek kon Ellschot, net als ik, niet voorlezen zonder bij sommige passages in tranen uit te barsten. Van de Reijt heeft een topprestatie geleverd. Elsschot is er helemaal.