DE ZINNEN VAN WILLEM G VAN MAANEN

Op 17 augustus overleed de grote schrijver Willem G. van Maanen (1920- 2012). Op de rouwkaart stond een citaat uit een gedicht van de laat zeventiende eeuwse schrijver Jan Luyken: ‘Het ydele vermaak verdrijft gelijk een stroom/ Nu is ‘t: nu is’t geweest; het leven is een droom’. Je komt deze vergelijking van leven met een droom vaak tegen in Van Maanen’s oeuvre. Droom is ’t leven was bijvoorbeeld de titel van zijn debuut uit 1953, weer een citaat uit Luyken’s werk. In een uitvoerig interview met Onno Blom in De Revisor (2007) verwijst hij naar het werk van de Hongaarse schrijver Imre Kertész: ‘Kertesz hanteert in zijn stijl ook die geweldige, lange zinnen en de herhaling. Verdubbeling en herhaling geven je dat gevoel van een droom.’ In datzelfde interview verbindt hij droom met muziek. ‘Ik wil juist dat de sfeer van de droom, van al het mogelijke, in de roman blijft bestaan. Die sfeer wordt ook versterkt door de stijl en de melodie van het boek’. Droom en muziek, beide vormden een rode draad in zijn oeuvre. Ook in andere interviews heeft hij het vaak over ‘de toon en de klank’ van zijn werk, de ‘melodie’, ‘het ritme van de zinnen’. In veel van zijn romans spelen muziek en muzikanten een belangrijke rol, verwijzingen naar grote componisten als Bruckner, Mozart (vooral hij), Mahler zijn legio, een van zijn sterkste romans heet Het nichtje van Mozart (1983) en speelt zich af in en rond een Mozart-archief.

droomachtig
Het droomachtige van zijn oeuvre vind je vooral in zijn latere werk. Neem het meisje Dutschi dat zich in de roman Hebt u mijn pop ook gezien? (1974) in haar dagboek herinnert hoe ze vroeger haar geliefde Franz K in een park opzocht: ‘Ik liep een eindje terug en toen ik onzichtbaar voor hem was, riep ik hem, alsof ik hem zocht. Ik dacht, en dat verbeeld ik me niet: ik roep hem alsof hij droomt. Dat zei hij me dan ook toen we elkaar omhelsden: het was net of ik droomde.’ Wonderlijke, liever gezegd wonderbaarlijke Van Maanen zinnen, het is heerlijk om ze over te mogen typen: Van Maanen zinnen kloppen altijd, ze lopen als een trein, ze slepen je mee, ze draaien je een rad voor ogen, ze wijzen je de afgrond en de hemel, ze zijn vaak geestig, ze zijn geheimzinnig en ze barsten van de vondsten. Een gewone, onbenullige zin, zoals je die in de literatuur veel te vaak tegenkomt, kreeg hij niet voor elkaar. Het geheim van zijn werk, als er al een geheim is, zit precies in zijn zinnen, in de oppervlakte ervan, niet in de eventuele diepere ‘bedoelingen’ van zijn verhalen. In de zinnen zitten de verhalen. Kijk nog maar eens naar de zin: ‘Toen ik onzichtbaar voor hem was, riep ik hem’. Schitterende zin, je ziet het gelijk, zelfs als je er niet helemaal op bedacht bent: zo’n zin verwacht je eerder in een traktaat over mystiek of in een stuk van Derrida over negatieve theologie. En dan dat ‘alsof ik hem zocht’. Dat alsof is kenmerkend voor deze schrijver, literatuur is (was, verdorie) bij hem altijd een vorm van ‘alsof’. Geen afbeelding van werkelijkheid, maar een constructie daarvan, dat was zijn uitgangspunt en obsessie. Omtrekkende bewegingen laten zien, mogelijkheden of de onmogelijkheid van het bestaan in taal brengen. Het verhaal altijd uitstellen, literatuur is bij hem (was bij hem) een vorm van uitstel, nooit een levensvorm: ‘Een verhaal is gauw genoeg verteld, en als het daarbij bleef zou de roman die naam niet eens verdienen. Het gaat erom de zaak te rekken, niet tot in het oneindige want dan verdwijnt de noodzakelijke spanning.’ ‘Het gaat niet om het noemen,’ staat ergens anders, ‘maar om het aanduiden, het omcirkelen, het tegen de dingen aanliggen.’ Net zoals dromen tegen de dingen aanliggen.

realistisch kader
Altijd als ik zijn romans las (en lees), kreeg ik het idee dat hij me een steeds verder ontsporende droom binnen wilde halen, een droom die, net als alle dromen, een geheim voorspiegelt, een wens suggereert, iets wat vergeten is of verdrongen, een geheim dat ik me bij het ontwaken uit Van Maanen’s literatuur net niet weet te herinneren omdat het me steeds ontschiet. Dit geheim is dus niet verborgen, het klinkt op in de ritmiek van zijn zinnen, in de toon ervan en in de omtrekkende bewegingen van de altijd onbetrouwbare, meestal gewoonweg verderfelijke vertellers van zijn briljante romans. Neem het verhaal uit Hebt u mijn pop ook gezien? Twee geliefden, Franz K. en zijn verloofde Laura, zitten op een bank in een park. Dan komt een meisje langs gerend. ‘Ze omklemde na een korte aarzeling Franz’ knieën, hief haar betraande gezicht naar hem op en probeerde te glimlachen. ‘Hebt u mijn pop ook gezien?’ vroeg ze met trillende stem.’ Franz beweert dat hij de pop inderdaad gezien heeft, hij was in een militair uniform gekleed zegt hij en hij beloofde dat hij terug zou keren. Wat een mooi gegeven! En vervolgens neemt Van Maanen ons mee in een volstrekt hallucinerend verhaal over poppen, toneel en erotiek tussen Franz en dit tienjarige meisje. Een verhaal waarin een geheimzinnige man met zijn vriendinnetje vreemde leuzen over liefde op muren schildert. ‘Liefde, op de knieën!’ staat bijvoorbeeld op de dom van de stad, of ergens op een winkelruit: ‘Liefde is een laken, hoe vaker gebruikt, hoe zachter.’ En daarachter gelijk weer zo’n typische Van Maanen zin die het geheel in een realistisch kader zet: ‘Een tekst van al bijzonder twijfelachtig allooi, des te bruter waar hij uitgerekend was aangebracht op het etalageraam van een overigens uiterst smaakvol ingericht slaapkamerinterieur.’ Deze roman is een achtbaan, je wordt als lezer opgejaagd door koortsachtige zinnen die voort en voort jagen, langs afgronden van verraad voeren, erotiek tussen volwassenen en kinderen ongegeneerd en ontroerend uitbeelden en daar tussen door allerlei treffends over schrijven zelf naar voren brengen. ‘Ik schrijf anders dan ik praat (dat merkt u wel), ik praat anders dan ik denk, ik denk anders dan ik voel, enzovoort, ik voel anders dan ik geloof; de ene vorm van uitdrukking is nu eenmaal de andere niet, als ik praat hou ik dingen achter die zich bij het schrijven vanzelf naar buiten dringen, vermoedelijk omdat ik dan geen tegenwicht (tegenstander) heb.’

onbetrouwbare literatuur
Literatuur is bij Van Maanen’s vertellers altijd onbetrouwbaar, ze wantrouwen schrijven, ze hebben er een bijzonder lage pet van op, (‘poëzie is gedrukte kwijl’), ze vegen er de vloer mee aan, ook met schrijvers, maar ondertussen leggen ze verantwoording van hun afkeurenswaardige daden af in fraai proza. In schitterende wolken van taal waarbinnen je als lezer alles nog begint te geloven ook. ‘Mijn egotisme is grenzenloos,’ vertelt de uitermate dubieuze en exhibitionistische held uit Helse steen ( die de incestueuze relatie met zijn moeder probeert te rationaliseren en te verdedigen), ‘ik praat het liefst over mezelf, maar over mezelf schrijven is een andere zaak; ik wil me niet vastleggen voor een onbekend publiek, ik wil me vastleggen voor een enkeling die ik ken, die ik zie, die mij ziet. De exhibitionist pur sang! Voel je niet bezwaard, het blijft mijn eigen verhaal, net zoals de lul die ik laat zien mijn eigen lul blijft.’ Schateren natuurlijk: het vertellen van verhalen vergelijken met het laten zien van je lul! En het is nog waar ook.
Ik merk dat ik Van Maanen in dit stuk herdenk in zijn zinnen. Ik wil aan het citeren blijven omdat alles wat ik wellicht verderop over deze schrijver beweer in het niet valt bij zijn ingenieuze zinnenkunst, taalkunst, hoe moet je het zeggen, literatuurkunst, laat ik het dan zo maar noemen, al vind ik het geen goeie omschrijving. Droomkunst? Misschien is dat het. En vaak genoeg is het nog oerkomisch ook: ’Over het meer scheerde een witte vogel die hij voor de kleine zilverreiger hield, een zeldzaamheid in dit gebied. Kijk, zei hij, een eend.’ Zijn beginzinnen, vooral van zijn latere werk, zijn weergaloos, veel recensenten stelden er een eer in ze te citeren. In een interview zei hij dat hij vaak eerst alleen de eerste en de laatste zin van een nieuw te schrijven boek had, de rest kwam dan wel, daartussen in bevond zich het verhaal. ‘Ze sloeg haar benen open als een boek, en ik weet nog dat ik dacht: goed kijken Steiner. Lees wat er staat- maar mijn ogen waren toen al slecht en ik was ook niet zo vertrouwd met wat de levende literatuur wordt genoemd’ (beginzin uit Het nichtje van Mozart). Nog een paar startzinnen: ‘De hoofdredacteur van de krant waar ik toen voor werkte bereed drie stokpaarden: Zweedse vrouwen, het vorstenhuis en de jaarlijkse dodenherdenking’, ‘Federkiel liet niets na om na zijn dood te worden vergeten’, ‘Zestig jaar geleden was ik een jongen van veertien, vijftien, en al net zo laf als nu.’

verlangen naar straf
Van Maanen schreef steeds over hetzelfde, zoals alle grote schrijvers doen. Bij hem was schrijven een obsessionele en rituele herdenking van oorlog in al zijn gedaantes. Van de Tweede Wereldoorlog uiteraard, van de verhouding tussen man en vrouw, en van die tussen ouders en kinderen. Zijn her-denkingen starten altijd met de hunkering van zijn hoofdpersonages naar schuld en straf en pijn. Zijn derde boek, Al lang geleden (1956), een roman over de verwerking van Van Maanen’s verzet verleden, formuleert dit thema pijnlijk en precies, zoals alles bij hem pijnlijk en precies is. Dit klassieke thema dat je in Nederland zelden tegenkomt, verwerkte hij in zijn latere verhalen en romans binnen een context van verraad, misverstanden, verkeerde keuzes en vaak de dood van een kind. Dit oerthema duikt bijvoorbeeld op in het al eerder genoemde Helse Steen, daar staat het als volgt geformuleerd: ‘Hij zou, ik zou schuld op schuld stapelen, in een verschrikkelijk verlangen naar straf (want zo is het, al geloof jij het niet) dat nooit vervuld zou worden. Maak daar maar eens een boek van.’ Ook in Hebt u mijn ook pop gezien? is het hoofdpersonage op zoek naar straf en vernietiging. ‘Ze (de psychiater van de held is hier aan het woord) probeerde hem als haar cliënt te zien, voor wie een succesvolle verdediging moest worden gevonden. Ze kende dat: mensen die dat niet wensten, die vernietigd wilden worden, schuldig zijn, die naar straf hunkerden.’ Ook in zijn laatste, meest succesvolle roman Heb lief en zie niet om (2006), het stond op de shortlist van de AKO literatuur prijs en had moeten winnen), keert dit thema prominent terug.

zoeken naar niets
Van Maanen was in zijn werk, naarmate het beter en beter werd, en dat werd het, en gekker, en mooier, naar eigen zeggen meer en meer op zoek naar het ‘niets meer zeggen’. Zoals in muziek niets gezegd wordt. In verschillende interviews probeert hij dit verlangen naar ‘niets’ onder woorden te brengen, al wist hij heel goed dat zo’n zoektocht tot niets zou leiden, in ieder geval niet tot een boek. In zijn te onbekend gebleven essaybundeltje Dubbele inktpot, enkele pen (1994), schreef hij: ‘Mijn volgende boek zal, net als de muziek, over niets gaan. Een mededeling, geen betekenis.’ Hij hield zich uiteraard niet aan deze woorden. In een lezing voor het Vestdijk Genootschap uit 1994 formuleerde hij het weer uiterst geestig als volgt. ‘Het zou zijn taak (=de taak van de schrijver) aanzienlijk verlichten als hij in het geheel niets hoefde uit te drukken, maar zou kunnen volstaan met het opschrijven van een paar zinnen die de lezer daarom zo waardeert omdat ze uitdrukking zijn van wat hij zelf zou hebben geschreven als hij schrijver was geweest.’
Hij bleef tot op hoge leeftijd schrijven omdat hij er niet in slaagde zijn obsessionele schrijfverlangen helemaal weg te drukken, al verlangde hij daar tegen het einde wel eens naar. Tot schrijven gewoon niet meer ging. Hij was bij een kleine en langzaam groeiende groep vasthoudende lezers geliefd, verreweg de meeste critici zagen de grote kwaliteit van zijn werk, juryleden van de grote literaire prijzen miskenden hem. Voor schrijvers als ik was hij een voorbeeld en een inspiratie. Zijn laatste kleine verhalenbundel Bagatellen (2010) bevat het verhaal ‘Mondschrift’ over een schrijver die verlamd raakt na een duik in te laag water: ironisch beeld uiteraard van de schrijver en zijn relatie tot de werkelijkheid. Hij kan alleen nog schrijven wanneer hij een pen in zijn mond klemt. Het eindigt als volgt, dit zijn de laatste zinnen uit de bundel: ‘Om me het spreken mogelijk te maken had de dokter de stift uit mijn mond genomen en tussen mijn vingers gelegd. Misschien leek het hem beter dat ik niet meer zou schrijven. Soms lijkt me dat zelf ook beter, niet omdat ik denk niets meer te zeggen te hebben maar uit angst om te veel te zeggen, mezelf te verspreken, te verraden. Een schrijver als ik die zich niet bloot wil geven is de schrijver die zijn mond houdt. Tijd om te zwijgen.’

(De Bezige Bij gaf Heb lief en zie niet om, Een onderscheiding en andere novellen en Bagatellen uit, ze zijn in de boekhandel nog te krijgen. Uitgever LJ Veen publiceerde in 2005 vijf topromans onder de titel Met de hand op het hart. Uitgeverij de Prom gaf in 2003 Alle Verhalen uit. Misschien staan ze nog in de betere boekhandel. Anders zijn ze te koop via het internet antiquariaat Boekwinkeltjes. Daar zijn ook al zijn andere titels te vinden.)

in: De Groene Amsterdammer 2012