D.Hooijer, Sleur is een roofdier, Uitgever G.A. van Oorschot, Amsterdam, 172 bladzijden, prijs 16.-
‘Wil je even mijn verloofde zijn?’

D.Hooijer maakt literatuur ineens weer wonderbaarlijk. En tegelijkertijd zo gewoon als de pest. Literatuur is bij haar een middel om een paar mogelijkheden over mensenlevens in een nieuw verband te zetten, zonder dat ze zich er al te veel zorgen over maakt of het allemaal echt zo gebeurd had kunnen zijn. Ze wantrouwt vertellingen, ze wantrouwt literatuur, ze wantrouwt tot op het bot het gereedschap waarmee schrijvers ons gewoonlijk een illusie over de Realiteit proberen aan te praten. Logica is bij haar al snel een probleem, karaktervorming een gotspe en verhaalontwikkeling zo ongeveer een besmettelijke ziekte. Gooi het maar in mijn pet, al die verhalen, je ziet het haar denken. Gelukkig kom je een ‘gewone’ recht toe recht aan zin bij haar nauwelijks tegen omdat ze ervan overtuigd is dat je daarmee alleen slappe aftreksels van soapverhalen in scène kan zetten. Ze creëert haar Hooyeriaanse realistische illusie niet door ons op te zadelen met een logische opeenvolging van samengebalde gebeurtenissen binnen verkorte levens die je in soapseries op de televisie ook al aan je voorbij kunt zien trekken. Al vind je ook bij haar genoeg verraad, ziekte, overspel en machtswellust. Ze neemt literatuur serieus op een hardnekkige, tot nu toe weinig aandacht trekkende manier.
Sinds haar debuutbundel uit 2001 ( Kruis en kling) schrikt ze haar lezers wakker met hoogst eigenaardige hersenspinsels die op het eerste gezicht iets te maken lijken te hebben met een uitermate prettige vorm van gestoordheid bij haar personages. Neem in het titelverhaal van haar nieuwste verhalenbundel de figuur van Rolf die in de Noordoostpolder aardbeien plukt en daar Gwenn ontmoet. ‘Ze waarschuwde me dat ze nog van haar man hield en dat ze een jaar Frans had gegeven en geen orde had kunnen houden.’ Over zo’n zin schiet ik dus verschrikkelijk in de lach, waarom ga ik hier niet uitleggen. Vlak daarop volgt deze zin: ‘Ik onderschatte haar omdat ik in die tijd iedereen onderschatte behalve Moszkowicz en Prins Bernhard.’ Alweer zo’n zin, zonder dat precies duidelijk is waarop de geestigheid is gebaseerd. Voordat je het weet lees je er overheen. Dit is een van Hooijer’s sterke punten: ze zorgt er steeds voor dat je overal over heen leest, net zo lang tot ze je heeft waar ze je hebben wil en je haar werelden steeds normaler begint te vinden. Een oude minnaar van Gwenn duikt weer op en die zou het graag nog een keer met Gwenn willen doen, ook om eindelijk van haar verlost te zijn. In een realistisch verhaal zou je hier vreemd van opkijken, maar bij Hooijer is het allemaal volkomen vanzelfsprekend, je leest gewoon door, benieuwd naar de volgende zetten in dit curieuze schaakspel dat uitloopt op een ruilpartij tussen alle partners. Ook Freud komt nog even lang, een van de personages beweert dat hij van hem had begrepen ‘dat onder de geliefde de vorige ligt en daaronder de eervorige tot aan je moeder aan toe.’
Ook in het verhaal ‘Tweemaal tut-af’ slaagt Hooijer erin het bizarre aannemelijk te maken en het gewone als een afwijking voor te stellen. Het begint zo: ‘Niet alleen een nette jas gekocht in de Bijenkorf. Op de benedenverdieping liep ik in de vangende handen van een schoonheidsspecialiste zodat ik nu geen wenkbrauwen meer heb maar een fluwelen lijntje.’ En dan gaan we met een sneltreinvaart het verhaal binnen over twee dames, verpleegsters, die er een dagtaak van maken oudere heren, liefst eenzame patiënten, aan de haak te slaan en daar vervolgens na overlijden de erfenis van te incasseren. Met tussen neus en lippen door allerlei krankzinnige beschouwingen over het verschil tussen een ‘tut’en een ‘trut’: ‘een trut is iemand die liever het woord “tut” gebruikt.’ Beide vriendinnen geven elkaar tips over eenzame patiënten en slagen er zelfs in de nonnen van een aanpalend klooster voor hun karretje te spannen. Dit leidt tot allerlei hoogst vermakelijke zinnen die er zomaar in het wild bijstaan, alsof Hooijer ze per ongeluk bedacht heeft. ‘Lydia vindt dat rituelen een mens van zijn ontwikkeling afhouden.’
Hooijer bekommert zich meer om het schrijven van zinnen dan om verhalen. Verhalen hoeven bij haar niet afgerond te zijn, of diepzinnig, of spiegels van de samenleving, om maar iets verschrikkelijks te noemen. Verhalen zijn bij haar in hoofdzaak vehikels voor haar zinnen die bij haar altijd iets uitnodigends hebben. ‘Kun je even mijn verloofde zijn?’ Zulk soort zinnen dus, ze huppelen als kleine kinderen op de stoep voor het huis, ze knisperen en ritselen van binnenpretjes. Bij ‘Het gelaat van Ludmilla’, het laatste verhaal van de bundel, raakte ik de grip wat kwijt. Hierbij legt de grimmigheid van het verhaal rond moord en doodslag het in mijn ogen wat af tegen de eerdere vrolijke en doortrapte zinnelijkheid van haar zinnen. Misschien te veel verwikkelingen en lagen, te veel ineens toch de wens een verhaal helemaal ‘rond ‘te krijgen. Maar ik heb geen zin er lang over te klagen. Hooijer is er in deze verhalen in geslaagd, zonder veel ophef, maar wel met veel schrijflust, die getuigt van een groot schrijfverlangen, haar werelden tot de mijne te maken.

In: De Groene Amsterdammer