Doeschka Meijsing, Over de liefde, Querido, 237 blz, prijs 18.95
Kansloos gelukkig

Echt gebeurd is geen excuus. Deze ware woorden van Gerard Reve moeten Doeschka Meijsing voor ogen hebben gestaan toen ze het plan opvatte een roman te schrijven over wat haar een aantal jaren geleden overkwam. Haar vriendin verliet haar voor een man en ze belandde zelf in het ziekenhuis. Zo’n zin klinkt lekker dramatisch, is maar al te snel opgeschreven en hij lijkt ook nog direct afkomstig uit een flutromannetje, mooi meegenomen. En verdomd, het was nog waar ook, als je waarheid tenminste opvat als een overzichtelijke samenvatting van het menselijk carnaval waarbij iedereen een welomschreven rol op de planken brengt. Ik herinner me nog dat jaren geleden iemand me op verlekkerde toon over het eerste deel van deze zin bijpraatte. Bij roddelde moet ik zeggen en ik geef toe dat ik daar een zeer geschikt figuur voor ben, ik sta er helemaal open voor. Heb je het al gehoord? Nee, wat? Xandra heeft een verhouding gekregen met een man. Wat zeg je? Ja, hij werkt bij Vrij Nederland. Maar ze was toch met Doeschka? Ja, snap jij het? Maar hoe weet je het? Ik hoorde het. Wil je nog een biertje?
Hoe maak je als betrokkene van dit roddelverhaal literatuur? Vooral als de grote lijnen ervan, en alleen die, nog waar zijn ook. Alle vernederende details dan maar op een rijtje zetten, compleet met de verschrikkingen erbij, liefst in dagboekvorm, met documenten en alles erop en eraan? Koning Zelfmedelijden en Prinses Wanhoop die op iedere pagina het hoogste woord voeren? Het moet verleidelijk zijn geweest, maar een schrijfster als Doeschka Meijsing weet dat je dan geen roman krijgt. Dan krijg je zo’n persoonlijk document, waarvan er de laatste jaren steeds meer verschijnen, om lekker bij te snotteren en te huiveren. Wat is de wereld toch naar! Dan krijg je het leven zelf, met echte mensen, weet je wel, met vreemdgaan, met echte diepzielige belevenissen, of zoiets. Met snikken aan een graf en tragische doodsberichten. Het leven zelf, je moet er als schrijver van literatuur toch niet aan denken het daarover te gaan hebben. Wat een misverstand. En dus schreef Meijsing geen document over haar persoonlijke hang ups maar een geestige, dwarse, pijnlijke, soms sarcastische, bij vlagen provocerende en vooral mooie roman. Met de allermooiste en allergeestigste zin al direct ergens in het begin. ‘Ik was kansloos gelukkig.’ Wat een prachtige zin is dit! Ja zo voel je je dus achteraf wanneer je bent verraden. Kansloos gelukkig was je. Ik heb zin hem voortaan steeds even hardop te zeggen wanneer ik toch, ondanks alles, tegen beter weten in, er valt niks aan te doen, plotseling denk dat alles toch ook heel soms mee kan vallen. En hem dan ga fluisteren: ik ben kansloos gelukkig. Want straks, ja, straks, valt het weer tegen, maar nu niet. Zulk soort tegenstrijdige gevoelens dus en daarover dan een in de grond opgewekte roman schrijven. Ik vind het een topprestatie.
Meijsing creëerde met haar heldin Philippa van der Steur, die het zich allemaal moet laten aanleunen, en die er niet aan onderdoor wenst te gaan, een ware heldin. Ze herinnert zich eerdere relaties en eerdere liefdes en laat ze ons zien, dat is hier denk ik een goed woord, ze worden zichtbaar. Deze vrouw staat als een huis, misschien is dit beeld niet zo gelukkig, ze is een vrouw uit één stuk, ook niet best, maar het komt al dichterbij, ik zoek naar een beeld waarin ik de gewenste en gedroomde autonomie van Pip kan vangen. Pip is de gedroomde vrouw van Meijsing’s oeuvre. Een vrouw die niet schatplichtig is of wil zijn aan wie dan ook. Want dat is het grondidee van deze roman: laat je niet afhankelijk maken, geef niet toe aan wat anderen over je denken en slik niks voor zoete koek. Deze heldin weigert zich tot slachtoffer te laten uitroepen, ze is het zelfmedelijden en de wanhoop verregaand voorbij. Meijsing kreeg het allemaal voor elkaar in de haar typerende laconieke, onderzoekende en bij vlagen borende stijl die je van drie kilometer afstand herkent en dit bedoel ik als compliment. Die van standaardsituaties altijd weer iets vrolijks weet te bakken, die bij lezers nooit een larmoyant beroep doet op ‘begrip’ of ‘medelijden’. Ze gaat zorgvuldig, net als in al haar ander werk, de bekende clichés over liefde en verliefdheid uit de weg, bij haar geen vaag gezwatel over ‘menselijke relaties’ en ‘vertrouwen’ en ‘eeuwige liefde’. Liever een schrijnende zin, dan dit soort geklets. ‘Dat was het gekke met Jula: hoewel zij het toch was die mij twee volle jaren bedrogen had bedrogen, en niet op de minste manier, beschouwde ik haar nog steeds als de meest betrouwbare persoon met wie ik de Autoroute du Soleil op zou kunnen rijden, de hele hete weg van noord naar zuid, en ik zou nooit omkeren of omkijken- maar ik zou niet meer verdragen dat ze me aanraakte of fysiek te dicht in mijn buurt kwam.’ Meijsing biedt ons in haar fraaie roman de gelegenheid opnieuw, zij het zeer tijdelijk, te denken dat het mogelijk is ondanks alles gelukkig te kunnen zijn. Ook al is het uiteindelijk allemaal kansloos, maar dat wisten we al.

In: De Groene Amsterdammer 2008