Eric de Kuyper, Het teruggevonden kind, Uitgeverij Sun, Amsterdam 2007, 253 blz, prijs 21.90
Verbazing en bewondering
Sinds 1988 werkt Eric de Kuyper aan een fijnzinnig en wonderlijk oeuvre dat onder andere bestaat uit steeds hernieuwde pogingen zijn kinderjaren te evoceren. Voor het eerst in het prachtige Aan Zee, later in het niet minder fijne De hoed van tante Jeannot en in ander werk. Zonder dat je ooit bij hem het gevoel krijgt het nu wel te weten. Kinderjaren onttrekken zich aan je, hoe je ook je best doet er nader toe te komen, dit is zijn uitgangspunt. In zijn debuutboek citeerde hij als motto een paar woorden van Freud, ‘Reale Nichtigkeiten’ en ik geloof dat deze woorden op zijn hele oeuvre van toepassing zijn, ook op zijn laatste werk dat nu ter tafel ligt. Het komt er voor een schrijver op aan tussen de trivialiteiten van het leven, waartoe ook het kinderleven behoort, steeds opnieuw het ‘reële’ daarvan in beeld te brengen, te ensceneren is misschien een beter woord. De Kuyper is een waar genie in het oproepen van de verbazing en de verwondering die je als kind steeds over de wereld voelt, die (nog) niet de jouwe is, en het misschien ook nooit wordt. Een verbazing en verwondering die je als volwassene zo lang mogelijk in stand moet zien te houden, dat is zijn boodschap, als je tenminste schrijver wilt zijn en blijven.
Neem bijvoorbeeld de eerste twee zinnen uit Aan Zee. ‘De gekleurde platen hingen links en rechts van een stijf neorenaissancistisch buffet. Het waren vergane taferelen uit een land dat Italië genoemd werd.’ Dat Italië genoemd werd!! Wat een schitterend zinnetje is dit. Hoe doeltreffend worden hier twee werelden in het leven geroepen, die van kind en volwassene en hoe prachtig is de verbazing in beeld gebracht. Wie niet in staat is zo verbaasd te schrijven, kan nooit een schrijver zijn.
Het gaat De Kuyper er niet om eeuwig jong te blijven, Bob Dylan’s credo 'For ever Young', schiet er net langs, hij wil het verlangen naar de eerste verwonderde blikken op de wereld onder ogen blijven zien, een kinderlijke blik blijvend, al schrijvend, in stand houden. Alleen dan kun je blijven schrijven. De zoektocht naar de jeugd is bij hem voorwaarde voor schrijverschap. Steeds weer roept De Kuyper in zijn autobiografische geschriften de wens op de verwonderde blik van zijn jeugd te mogen herinneren. Niet om daarin nostalgisch te zwelgen maar als uitgangspunt van schrijven. Dit oeuvre is zowel een lofzang op schrijven als ook een bijna pijnlijk verlangen te mogen blijven schrijven. Wie ernaar verlangt schrijver te zijn, leze het werk van De Kuyper.
In zijn nieuwste werk, Het teruggevonden kind, becommentarieert hij werk van andere schrijvers over kinderjaren. Vooral A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, werk dat hij goed kent en dat hij hier op zijn onnavolgbare, nooit betweterige of opgeblazen stijl bespreekt. Uiteen zet lijkt me een betere term. Deze typische De Kuyper stijl die zijn hele oeuvre doorbloedt, is niet iets toevalligs, een jas die hem toevallig goed past en die hij ook weer af kan leggen. Stijl is waar het om gaat, De Kuyper laat zien hoe de metaforische en metonymische stijl van Proust kenmerkend is voor diens visie op tijd en schrijven en tegelijkertijd demonstreert hij zelf zijn eigen voortreffelijke, altijd zoekende stijl die niet de directe bewoording zoekt, niet het snelle beeld, maar altijd het voorzichtig tastende zich ontwikkelende. Zijn zinnen zijn voorbeeldig; er overvalt me, altijd wanneer ik werk van De Kuyper lees, een gevoel van bevrijding en opluchting, hoe raar dit ook klinkt. Eindelijk een schrijver, het komt niet vaak voor in Nederland en België, die laat merken dat de woorden materiaal zijn en niet einddoel. Een schrijver die het niet over modes heeft, die zich niet ‘afzet’ tegen ‘bewegingen’ of ‘stromingen’ of ‘de teloorgang van alles’ maar eentje die al tastend tot een eigen schriftuur probeert te komen. Wat ieder schrijven zou moeten zijn. Een schrijver die niet alleen heel goed kan bewonderen, wat hij in dit boek ruim doet, maar ook kritiek weet te formuleren, altijd peinzende kritiek. Proust is bijvoorbeeld bij hem geen heilige. Zo precies, en tegelijk voorzichtig te kunnen schrijven, zo ingehouden en warmbloedig en geestig ook nog. Neem nu deze zin: ‘Dat neemt niet weg dat, wanneer Proust eenmaal zijn draai gevonden heeft (…), er zichtbaar een schrijfgenot, zelfs een roes ontstaat: daarvan getuigt elke zin, elke paragraaf, elke pagina van de roman. Maar juist de eindeloze kronkelingen en verschuivingen laten de sporen zien van de oorspronkelijke frustratie.’
Ik krijg bij en na lezing van De Kuyper altijd zin zo snel mogelijk zelf verder te gaan lezen, eerst opnieuw het hele oeuvre van De Kuyper natuurlijk en na dit nieuwe boek ook Marcel Proust’s romancyclus en het autobiografisch werk van George Simenon of Dawn Powell waarover De Kuyper buitengewoon indringend, kritisch én bewonderend schrijft. Vervolgens wil ik na lezing altijd zo snel mogelijk zelf gaan schrijven, want daar is het uiteraard allemaal om begonnen. Lezen om zelf te kunnen schrijven, te mógen schrijven. Dat is De Kuyper’s credo waarin ik hem eerbiedig navolg.
Ik had me voorgenomen dit soort dingen nooit meer te schrijven, maar doe het tenslotte toch: literaire jury’s in Nederland en België, oeuvrecommissies, prijscommissies waar dan ook, jullie zitten toch niet te slapen? Jullie zijn toch niet helemaal gek geworden? Vergeet al die andere flauwekul boeken eindelijk eens een keer. En doe je plicht!

In: De Groene Amsterdammer 2009