Trefzekere omwegen
Zou je dit kleine boek een roman mogen noemen? De schrijver vindt van wel, het staat op het titelblad: “Roman”en ook op de flap is het met enige trots vermeld: `Na het wonder is Kusters eerste roman.` En er valt wel wat voor te zeggen: er is sprake van een samenhangend verhaal, ook al wordt het in scènes verteld. Er is een ontwikkeling in de tijd, al springt Frans Kusters bijzonder los met iets als chronologie of samenhang om. En er is een personage. Als dit geen roman is, dan weet ik het ook niet meer, zo ongeveer zal Kusters tegen zijn nieuwe werk hebben aangekeken.
Waar gaat het om? Een wetenschappelijk medewerker rechtswetenschappen gaat weer op zijn instituut aan de slag nadat hij een tijdje uit de roulatie is geweest. Waarom wordt niet helemaal duidelijk, hij heeft vermoedelijk een ernstig ongeluk veroorzaakt en ‘heeft gezeten`, zoals dit zo treffend heet. Kusters geeft een verslag in omwegen van wat zich in de kop van deze man afspeelt, hoe zijn oude collega’s op hem reageren en van andere min of meer met die terugkeer samenhangende gedachtenspinsels. Weinig gebeurtenissen in dit boek dus, daar moet je het bij Kusters niet van hebben. Hij heeft langzamerhand een indrukwekkend oeuvre opgebouwd van verhalen, die niet de gebeurtenis centraal stellen, maar de reactie daarop, niet het bedrog behandelen, maar de gedachten van de bedrogene, niet de dronkenschap en het onstaan daarvan maar de associatieve drogredenen van de dronkenman, niet de echtelijke twist en haar gevolgen maar alleen het allereerste begin daarvan. De ergernis over een haarlok die een beetje raar valt, en daar dan over schrijven. De rest kun je er zelf wel bij bedenken. Hij gelooft niet in lang uitgesponnen verhaallijnen, in romans dus, waarvan je de uitkomst in de meeste literatuur gewoonlijk al ongeveer tien kilometer van te voren aan ziet komen en waarbij het toch meestal om de een of andere opgerekte vorm van zelfmedelijden blijkt te gaan: zij zijn groot en ik ben klein en het is niet eerlijk.
Kusters werkt anders, hij spint draden, trekt lijntjes, ontrukt de gekste gedachtes aan de vergetelheid, komt daar dan een jaar of tien later in een ander verhaal nog maar eens op terug en vindt het heerlijk om te kijken naar wat we zoal in het dagelijks leven aan pretenties met ons meedragen en hoe we daar in gezelschap of in bed met een geliefde over door plegen te rationaliseren. En dan snel over iets anders beginnen. Kusters maakt zich in zijn verhalen altijd op een lakonieke manier vrolijk over wat er in de wereld aan onzin, machteloosheid, vergeefs gedoe te koop is, maar doet dit nooit ten koste van anderen. Hij weet het zeker niet beter dan anderen, maar hij laat de dingen aan ons zien, hij toont ons, via omwegen waar alleen hij het geheim van kent, alle hoeken en gaten van menselijk gedrag, ook de stoffige en dat wat je liever nooit meer zou willen weten. Bij Kusters heb je het gevoel dat je nu eindelijk eens iets over jezelf te weten kunt komen.
Ook weer in dit boek. Neem nu de eerste scène waarin de held zich afvraagt of hij nog wel eens droomt. ‘Ach, toen ja! Vloog hij hoog boven landen, wereldsteden en hele continenten! En als een bliksemschicht kwam hij tussen de wolkenkrabbers naar beneden gesuisd om op tijd voor de verschrikkelijkste misdaden een stokje te steken`. Direct een inkijkje in de benarde denkwereld van deze bijna aan lager wal geraakte, ooit talentvolle wetenschappelijke medewerker, die nu zoals twee bladzijden verderop blijkt alleen nog maar kan dromen van het verorberen van een boterham met kaas dat hij zo goed doet, dat ‘mensen van het reclamebureau van die kaas hem diezelfde week nog vragen of hij dat verorberen in hun filmstudio herhalen wil`. In twee dagdromen de teloorgang van een mensenleven, ik vind dit een prestatie.
Zo werkt Kusters dus. Langs omwegen. Beelden uit een leven neerzetten, vaak geestig, heel precies geformuleerd, we mogen er even naar kijken en dan komt het volgende beeld alweer. En blijken we ons ineens te bevinden in de denkwereld van een collega van de held, of binnen een flitsende vertelling over de ondergang van een fabriek waar een vlaag van verwoestende erotiek binnenwaait. Kusters expliciteert bijzonder weinig, alleen misschien waneer hij het universitaire milieu schets. Je kunt als lezer alles zelf invullen, je eigen beelden naast die van Kusters zetten, zodat je sterk betrokken raakt bij deze bescheiden ogende maar in wezen uitermate trefzekere schetsen van een ondergang. Kusters is een groot stilist. En dan is er op het eind weer zo’n larmoyante dagdroom, waarin de held zichzelf in al zijn vergeefse verlangen en zelfmedelijden ziet staan. En je weet niet of je lachen of huilen moet wanneer Kusters met de volgende zin besluit: ‘Dat is het stille heimwee in je ziel, dat de ogen vochtig maakt, wanneer de avond valt`.

Frans Kusters, Na het wonder, De Bezige Bij, Amsterdam 2001, 109 pagina’s
In: De Groene Amsterdammer april 2001