Gerbrand Bakker, Boven is het stil, Uitgeverij Cossee, Amsterdam, 264 pagina’s, prijs 18.90.-

TEDERHEID EN VERZET

Worden er nog boerenromans geschreven, zoals vroeger? Met twee zonen waarvan de een niet wil deugen en acteur wordt en de ander het kleine boerenbedrijf van de te jong overleden vader overneemt en de moeder hertrouwt met de onderwijzer van de niet christelijke school? Met opgewekte oogstscènes erin: de aardappelen moeten nu binnengehaald. Met weidse landschappen en een dienstmeisje dat een geheim koestert, met de zus van de zoon van de notaris, die eerst naar de stad vlucht maar later- op oudejaarsavond- toch naar het dorp terugkeert en daar…? Niet erg veel meer, schat ik, want het bestaat allemaal al lang niet meer. Het boerenleven is geheel gerationaliseerd, je hebt tegenwoordig aparte oogstbedrijven, ploegbedrijven en melkbedrijven. Boeren gaan gewoon lekker met vakantie als ze er zin in hebben. En gelijk hebben ze.
isolement
Maar je kunt niet zeggen dat er geen literaire belangstelling meer bestaat voor ‘mensen van het platteland’. Wel is de thematiek veranderd. Esther Gerritsen publiceerde met Normale Dagen (2005) nog recent een curieuze roman over de visie van een geborneerd stadstype op plattelanders en Jan van Mersbergen schreef met De Grasbijter (2001) en De Macht over het stuur (2003) twee mooie boeken over in zichzelf gekeerde buitenstaanders op het platteland. Boerenromans in de klassieke betekenis kun je dit niet noemen, dus geen huwelijk of -familiedrama’s, geen verheerlijking van het platteland, geen verguizing van ‘stadse fratsen’. Isolement, daar ging het in deze boeken om, blijkbaar vonden deze schrijvers dit thema bijzonder geschikt om het binnen een context van het platteland te plaatsen. Het weidse land en als contrast de eenzame, in zichzelf gekeerde mensen, iets van dit thema uit de klassieke boerenromans is dus nog wel terug te vinden in de huidige aanpak.
Ook in het geslaagde debuut van Gerbrand Bakker. Hij zoemt in op boerenzoon Helmer die zich dreigt te verliezen in een, als je het goed bekijkt, zelfgekozen isolement. Ook bij Bakker is er geen sprake meer van een romantische visie op het boerenbestaan, er zijn nog wel schapen, wat koeien en een paar ezels, er moet nog wel eens een wilg geknot en een hek vernieuwd, maar verder stelt het allemaal niet veel voor. En hier gaat ook allemaal niet om in dit stille boek. Deze vader-zoon roman had net zo goed in de stad gesitueerd kunnen zijn, maar ik begrijp heel goed dat de schrijver de gedetailleerde beschrijvingen van de karweitjes rond de boerderij goed kan gebruiken om het isolement van de zoon te benadrukken. ‘Ik zet het hek open, loop naar de stal, draai daar het hek open en loop langzaam terug naar het ezelland’. Men moet zich niet over dit proza vergissen, juist de kaalheid ervan en de doodgewoonheid, creëren een sfeer van verlangen naar geborgenheid en contact, precies waar het in dit boek om gaat. Nog een voorbeeld. ‘Er reed een auto voorbij. Het was zo stil dat we hem een stuk verderop in een lage versnelling de dijk op hoorden draaien. Toen ik mijn bier op had, stond ik op. ‘Ik ga maar eens,’zei ik.’ Met dit schijnbaar karige proza dat het verdomt alles aan ons uit te leggen, slaagt de schrijver erin zijn niet geringe doel te bereiken. Eenzaamheid tonen, gewoonheid ongewoon maken, isolement in taal onder brengen.
tederheid
Voor het verhaal werkte Bakker met een oedipale structuur: zoon verzorgt een oude vader en haat hem ook. ‘Ik heb vader naar boven gedaan’. Om deze eerste zin heb ik hardop gelachen, dat geef ik toe omdat het er allemaal zo dik opligt, maar ik bewonder hem toch ook omdat er iets uitermate pijnlijks in is geformuleerd: iemand naar boven ‘doen’ is iets anders dan iemand naar boven dragen. Het verhaal blijft steeds de grenzen aftasten van tederheid en verzet daartegen en ook dat is in deze eerste zin geformuleerd. Bakker verwerkt de gevolgen van de haat liefde verhouding tot de vader in een subtiel uitgewerkte, bijna schuchtere erotische onderlaag van dit boek: de held is ternauwernood in staat seksuele relaties aan te gaan. Misschien zijn dit allemaal wat grote woorden voor deze roman die juist de grote woorden probeert te vermijden maar je kunt merken dat de schrijver niet alleen een recht toe recht aan verhaal wilde vertellen.
De laatste zin luidt: ‘Ik ben alleen’. Had hij die niet beter weg kunnen laten? Hij, ik bedoel die zin, legt natuurlijk veel te veel uit. Ik heb het idee dat Bakker hier lang over gepeinsd heeft en heel goed snapte dat hij met deze zin, ook al is het in zijn boek alleen een feitelijke constatering, toch ineens de kern van zijn hele verhaal formuleerde. Laat toch weg dacht ik, laat ons maar mooi raden. Maar hij besefte dat hij dan verstrikt zou zijn geraakt in de paradox van de laatste zin waar iedere schrijver op een dag mee te maken krijgt. Iedere laatste zin in een roman kan weg omdat hij altijd te veel uitlegt. Je krijgt dan natuurlijk opnieuw een laatste zin die dus ook weg kan. Net zo lang tot je alleen nog de titel van je boek overhoudt. En die kan dan ook wel weg. Misschien is dit dus toch een goede laatste zin van een fraai debuut.

In: De Groene Amsterdammer