Ik Jan Cremer Derde Boek, De Bezige Bij, 544 pagina’s, prijs: 20.-
Seks, humor en huiselijkheid

In het derde deel van de Ik Jan Cremer reeks kijkt de onverschrokken held uit dit bloemrijke levensverhaal vooral terug op zijn periode in Amerika, kort nadat zijn eerste ‘onverbiddelijke’ boek verschenen was ( 1964) en hij naar New York vertrok, min of meer op de vlucht voor alle belangstelling. Schatrijk zou je zeggen maar dat valt dus geweldig tegen: er is van alles grondig mis gegaan. In Cremers informatieve en boeiende brievenboek uit 2005 kun je in detail nalezen wat precies, maar hier doet de schrijver het nog eens dunnetjes over. Ik blijf het merkwaardig vinden dat hij zijn Nederlandse uitgever niet eens al te hard valt over diens woekerpraktijken, hij blijft er opgewekt onder terwijl hij toch soms hartverscheurend arm is. Geen zenuwslopende scheldpartijen in deze roman, laat staan dof zelfbeklag, zelfmedelijden is god zij dank nu eenmaal niet Cremers sterkste punt. Je krijgt zelfs de indruk dat hij op een of andere manier toch ook tevreden is over alle oplichterij rondom zijn werk. Rijkdom is bij Cremer altijd iets voor de eikels en luldebehangers van deze aarde. Rijken zijn bij Cremer protserig, aanstellerig, ze kleden zich verkeerd en ze hebben nergens verstand van. Soms hebben ze gelukkig wel prachtige, jonge vrouwen (‘gehuld in een dun zwart jurkje’) die zich vervolgens ongegeneerd aan hem opdringen en hem op samenzweerderige toon toevoegen dat ze vooral de seksscènes in zijn boek erg goed vonden. Waarop hij tevreden noteert: ‘Mooie jonge meid met oude man, dat geeft de burger moed’; en wij spoedig daarop weer kunnen genieten van spetterende Jan Cremer seks. Voor het geld schrijft Cremer zijn boeken niet, vlak voor het einde formuleert hij het nog eens met volle kracht: ‘Ik schrijf niet om geld te verdienen, ik stel een daad.’
Minder opgewekt schrijft hij over de perikelen rondom de Amerikaanse vertaling van zijn boek. Hij valt in handen van een verkeerde uitgever, ene Shorewitz, naam van de uitgeverij is Shorecrest. Hij tekent allerlei contracten zonder zich eerst daarin te verdiepen en blijkt zich volkomen te hebben uitgeleverd aan een nitwit, die hem verplicht tot allerlei promotionele activiteiten door heel Amerika. Men vond de Engelse vertaling van Alexander Trocchi te tam en bewerkte het boek grondig voor de Amerikaanse markt. Zo grondig dat Cremer zich er nauwelijks meer in herkent. De typisch Cremeriaanse humor is weg gewerkt, het geheel is aangedikt en hoewel de schrijver zich met kracht verzette, moest hij zich erbij neerleggen: contractuele verplichtingen. Mooi is te lezen dat Cremer zich wat zijn tekst betreft zeer precies betoont, dat zou je misschien niet achter hem zoeken, maar hij wil als schrijver beslist serieus genomen worden. ‘Elk woord, elke komma, elk punt woog zwaar voor mij. Elke situatie, iedere naam. Ik nam mijn werk veel te serieus, vonden ze bij de uitgeverij.’
Ik heb die eerste Amerikaanse hardcover druk er bijgehaald. Het ziet er verschrikkelijk uit: een geel omslag met een dollarbiljet erop, waardoorheen een middelvinger is gestoken, waaraan een medaillon hangt met Cremers foto. Het boek zelf is rose en de vertaling is inderdaad verschrikkelijk. Men is er met zeven mijlslaarzen doorheen gelopen, laat doodleuk tientallen bladzijden weg, vernietigt alle Nederlandse context ( van patat wordt popcorn gemaakt). Waar de Engelse vertaling het over een ‘pro’ heeft maakt men er hier een ‘whore’ van. Het is werkelijk hemelschreiend.
Cremer is in dit derde deel weer geweldig op dreef. Voor zachte, stille literatuurvrienden die bij een glas wijn in de heuvels van Toscane willen genieten van mooie gevoelens rondom fijne beschrijvingen van avondluchten en warme intermenselijke gevoelens, gebaseerd op wederzijds geluk en vertrouwen, is het weer niks natuurlijk. Overslaan dit boek. Ook Kristien Hemmerechts, voorvechtster van hooggestemde en wederzijds prettige seksbeschrijvingen in literatuur, kan ik het helaas niet aanbevelen. De seksbeschrijvingen zijn totaal Cremeriaans, hoe kan het ook anders, weinig verheven en hoogliterair verantwoord, maar wel inspirerend en vaak verschrikkelijk grappig. Het is aan de lopende band neuken geblazen zal ik maar zeggen, met discussies over de omvang van schaamlippen en clitorissen, en als hoogtepunt een prachtige scène waarin Jan het met Jayne Mansfield op een strijkplank doet.
Ook in dit derde deel is het de merkwaardige en zeer eigen Cremeriaanse humor die het geheel uitermate vermakelijk houdt. Cremer vermengt bijvoorbeeld op onweerstaanbare wijze het banale seksuele met het flagrant huiselijke. Zie een scène waarin vriendin Marilyn, die af en toe de hoer uithangt, vraagt welke jurk ze aan moet. Jan: ‘Die lichtblauwe jurk staat je goed, die dirndl die je altijd je favoriete noemt, waar je tieten zo mooi in uitkomen.’ Marilyn: ‘Die dirndl heb ik weggedaan, die was helemaal versleten en zat vol met spermavlekken die ik er in de was niet meer uitkreeg.’ Hier heb ik me dus kapot om gelachen. Ook de vernietigende maar toch vaak geestige wijze, waarop hij iconen uit de popwereld en kunst wegzet, was aan mij wel besteed. Zo weidt hij lang en lovend uit over de voortreffelijke kookkunst van Andy Warhol’s moeder, maar over diens kunst zelf laat hij zich hoofdzakelijk laatdunkend uit, volgens mij terecht. Hij schrijft een hilarische scène over de totstandkoming van Bob Dylan’s “Visions of Johanna”, als het resultaat van een groepssessie met stonede halve garen, waarbij de naam Johanna door Jan zelf werd verzonnen. De belevenissen in Hotel Chelsea in New York zijn vaak zowel tragisch als humoristisch en allemaal overduidelijk gebaseerd op gedetailleerde herinneringen, waarvan de schrijver er nog veel meer moet hebben. Cremer voegde met dit werk een nieuwe mijlpaal toe aan zijn onnavolgbare en volstrekt eigen mythologie.

In: De Groene Amsterdammer