Lidy van Marissing, De autobiografie van Laura X., Uitgeverij van Gennep, 237 pagina’s, prijs: 17.90
Verras me toch!
In Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001) bespreekt Douwe Draaisma het eigenaardige verschijnsel dat we onze herinneringen niet achterwaarts herinneren. De herinnering aan een gebeurtenis begint niet met het einde, wat je wel zou verwachten, maar met het begin. Het valt niet mee ‘je geheugen in zijn achteruit’ te zetten, schrijft hij, het lukt hoogstens als een gedachte-experiment, maar dan nog. Het allergrootste mysterie is dat onze herinneringsbeelden bewegen, terwijl onze waarneming bestaat uit een serie ‘snapshots van de werkelijkheid, genomen door de geest’ (het citaat is van Henri Bergson). Draaisma bespreekt in zijn boek allerlei andere oordelen en vooroordelen over de herinnering en slaagde erin zijn betoog te doorspekken met uitermate concrete, vaak geestige, in ieder geval inspirerende voorbeelden en tegenvoorbeelden.
Ook in de nieuwe roman van Lidy van Marissing gaat het om de herinnering. Hoe kun je sporen uit je verleden in kaart brengen zonder je te vergissen? Hoe werkt het verleden uit op het heden en andersom het heden op het verleden. Op de achterflap staat het zo: ‘Uit welke stof bestaan herinneringen? Hoe is het mogelijk dat je hele gezichten vergeet?’ Kwesties dus waarover ook Draaisma het een en ander te melden heeft. Van Marissing creëerde een dubbelportret van een vrouw die luistert naar de wel zeer symbolische naam Laura Xantippe Adams. Ze probeert haar herinneringen aan haar jeugd in te kaderen en loopt daarbij steeds op tegen het probleem van de herinnering. ‘Echo’s van losse en opzichzelfstaande herinneringen aan mijn eerste omgeving vermengen zich om onnaspeurbare redenen met indrukken en spiegelingen uit andere tijden,’. Om dit soort mijmeringen gaat het. Of deze: ‘Alsof de gebeurtenissen door elkaar heen schemeren en oplichten; alsof de lotgevallen door elkaar zijn gegooid, daarbij een vreemd gruizelig geluid makend dat uit ontelbare scherfjes lijkt te zijn samengesteld.’ Niet alleen Laura komt aan het woord, ook een andere ik spreekt, een zij, een alter ego, kun je zeggen, misschien is weerspiegeling hier het beste woord. In ieder geval een vrouw die altijd opduikt wanneer het bij Laura over het verleden gaat, ze is een andere ik van Laura. Het hele ik begrip komt in deze roman steeds meer onder druk te staan. Wat is het ik precies? Zijn er meerdere ikken in één lichaam? Dit type kwesties.
Van Marissing gebruikt deze dubbelstructuur om zowel van binnenuit als wat meer van buitenaf naar haar Laura te kunnen kijken. Dit alles leidde tot een roman met monologen en dialogen over herinneringen, over bewustzijn, over het ik. Abstracties dus. De herinneringen zelf die Laura in hun ban hebben, haar lijken te bedreigen, houdt Van Marissing doelbewust vaag. Af en toe gaan ze wie weet over herinneringen van Laura aan een familiefeest, aan ruzie makende ouders of aan een grootmoeder, maar vrijwel nooit laat Van Marissing iets concreets in haar roman toe, zelfs wandelingen door een stad zijn vaag gehouden. We zijn gedwongen mee te dromen en te fabuleren in een vaag gehouden geheel van abstracte formuleringen over vage gebeurtenissen.
Ik begon bij deze abstracties steeds vaker ‘tja’in de kantlijn te zetten, ik bedoel, wat moet ik hier allemaal mee? Van Marissing’s observaties over herinneringen zijn namelijk niet erg opzienbarend, zie de citaten hierboven. Draaisma stelt vergelijkbare kwesties in essayvorm aan de orde, maar hij gaat op onderzoek uit, komt met nadere toelichtingen aanzetten die ons vaak op het verkeerde been zetten of verbaasd laten toekijken. Bij Van Marissing lukte dat niet, haar opmerkingen blijven meestal geheel in de lucht hangen. ‘Hoe langer ze over iets nadenkt hoe onoverzichtelijker het wordt, omdat ze altijd in een haar boven het hoofd groeiende situatie zit’.
Tja, schreef ik erbij, dat denk ik ook wel. ‘Toch biedt het heden vaak minder houvast dan het verleden; het is zo ijl als de lucht die om ons heen hangt’. Tja, maar dit wist ik al en wat dan nog. ‘Zo is ook haar eigen geschiedenis opgebouwd uit talloze lagen duisternis’. Lijkt me helemaal waar, gaat ook voor mij op, maar verrassend is zo’n zin dus niet en ik kan nog veel meer voorbeelden aanhalen. Verras me toch, dacht ik regelmatig en vergeefs, ga met me op de loop, zet me op het verkeerde been, peper me je gekte in.
Van Marissing weigert concreet te worden, niet omdat ze het niet kan- ze kan bijzonder veel- ze wil het niet. Vaagheid is in deze roman haar merknaam, het woord ‘vaag’ komt erg veel voor. En ik snap het dus niet, herinneringen zijn vaak genoeg messcherp. Ze wil gewoon niks zeggen. Neem nu de scène waarin Laura ‘op bladen en blaadjes, snippers soms’ haar herinneringen krabbelt, ze beplakt haar hele kamer ermee. Wat een mooi beeld, dacht ik. Maar direct daarop wilde ik weten wat er op die papiertjes stond. Laat me in godsnaam die papiertjes lezen, dan heb je iets, dan wordt het concreet, dan mag ik eindelijk ook meekijken.
Maar nee, de schrijfster beperkt zich tot een lange beschrijving van hoe die papiertjes eruit zien. ‘Ook zijn er zinnen die plompverloren aan elkaar worden geplakt, zonder beschermende haakjes en oogjes en andere tierelantijnen, zonder gepaste stilte.’ Alles goed en wel, mooie zin, dat wel, maar wat staat er verdomme op die papiertjes!

In: De Groene Amsterdammer