Lucas Hüsgen, Plooierijen van geschik, Uitgeverij Querido, Amsterdam, 673 blz, 29.95
Beleefde en onbeleefde boeken

Je hebt beleefde en onbeleefde boeken. Een beleefd boek houdt de deur open, hangt je jas op, spreekt met twee woorden, nooit drie, en maakt op ieder moment duidelijk wat precies de bedoeling is. Een beleefd boek is altijd netjes maar niet opvallend gekleed, het onderbreekt zichzelf niet met onbetekenende uitweidingen die tot niets leiden, het geeft de lezer gelijk, het kan heel goed mooi zitten, al maakt het daarbij wel eens achter je rug obscene gebaren die uiteindelijk alleen een bevestiging van hun beleefdheid zijn. De held in beleefde boeken is de lezer. Een beleefd boek sluit zich aan bij wat iedereen over beleefde boeken altijd al wist. In beleefde boeken is de middenklasse hypocriet, de arbeidersklasse onderdrukt, de hogere klasse intellectueel en hebben zwarten een eigen onweerlegbare mening. Zijn mooie vrouwen aardig, studenten studentikoos, boekhandelaren droogstoppels, jongeren onwetend, mannen ondankbaar, ongetrouwde vrouwen lesbisch, getrouwde vrouwen wanhopig, geeft de kat kopjes en is de held bij slecht weer geneigd tot weemoedig peinzen. Beleefde boeken zijn realistisch en oprecht, ze zingen mee met de supporterskoren en vergeten nooit met Oud en Nieuw de krantenbezorger een flinke fooi te geven.
Onbeleefde boeken stotteren, het kan ze geen reet schelen, ze staan op het punt zich voor de trein te werpen omdat ze alleen aan zichzelf denken. Ze hebben een hekel aan iedereen, ze citeren verkeerd, ze doen moeilijk, ze zijn neuzelaar van huis uit, ze spreken in tongen en met veertien woorden tegelijk, ze vinden lezers domkoppen, ze hebben genoeg van alles, ze zijn gemakzuchtig en egoïstisch, eeuwig puber, ze doen net alsof zij het enige boek op aarde zijn, ze lachen op de verkeerde momenten, ze slaan de deur vlak voor je neus dicht, ze kijken vrouwen onder hun rokken, ze denken de literatuur opnieuw uit te vinden en als je ze bekritiseert zeggen ze dat je ze verkeerd begrepen hebt. Uitgevers willen het liefste niet al te vaak onbeleefde boeken, ze willen de nieuwe Mulisch en de nieuwe Grunberg. Beleefd tot en met, met mannen en vrouwen erin met fijne glimlachjes op hun gezicht, een beetje stout en onbegrepen geen bezwaar, hulpeloosheid ook niet erg. Als het dan maar wel echt gemeend is.
Heel af en toe slipt er gelukkig nog iemand door de mazen van het beleefdheidsnet al zit je dan wel als lezer en recensent met de gebakken peren, ook al omdat je niet onbeleefd wil overkomen. Ook bij Plooierijen van geschik van Lucas Hüsgen is het weer goed raak, het voldoet vrijwel letterlijk aan de beschrijving van onbeleefde boeken die ik hierboven gaf en waar de ontwikkeling van de literaire romankunst het uiteraard van moet hebben. Zonder onbeleefdheid geen ontwikkeling. Bijna zevenhonderd pagina’s lang een vernieuwde versie van de mop over de matrozen die naar Parijs gaan en uiteindelijk toch niet gaan. In elk van de 64 hoofdstukken proberen allerlei vertellers, waaronder zich af en toe ook Lucas Hüsgen bevindt, verslag te doen van belevenissen die uiteindelijk van geen enkele betekenis waren of zijn. Jan de Beijer, Ch’Ang Hon-Suk, Fred, François Romswinckel, ze staan op het punt aan het woord te komen, maar helaas, zover komt het niet. Een vakantie op een camping in Versailles, Koreaanse sprookjes over een kikker en een prinses en over twee identieke klompen goud, mogelijke malversatie van de heersende regentengroep rond 1700 in Nijmegen, liefdesrelaties met ‘ranke en doorzichtige vrouwen’, Ierse soldaten. Dit zijn zo een paar zaken, ‘gebeurtenissen’ kun je het niet noemen, waarop de verschillende vertellers in verschillende stijlen hun tanden stuk bijten, zonder dat er ooit een conclusie volgt, een uitleg of een uitweg, laat staan een handreiking. Spreken is bepaald geen zilver in deze hectische roman, eerder modder en waterig karton, het geouwehoer golft af en aan als een eindeloze deining, om over het goud van het zwijgen maar helemaal te zwijgen. Met een sterke voorkeur voor ouderwetserigheid. ‘Ik volgde het flakkeren van het vuur rond het witte bossenbeen’. ‘Langzaam wiegen aan hemelen gevederde helden.’ Nooit een verhaal met een kop en een staart, veel te beleefd, altijd alleen een begin van een verhaal, maar dan doemt snel alweer een zijpad op dat tot in de verste uithoeken wordt ingeslagen, waarna de hoofdweg aan het oog onttrokken blijkt te zijn. Deze principiële kernloosheid maakt de roman verregaand gemakzuchtig en egocentrisch, wat ook op mij oversloeg. Het maakt allemaal niet erg veel uit of ik het als lezer nu wel of niet mooi zou vinden. Mijn niet te ontkennen bewondering voor de vertwijfelde volharding waarmee dit boek geschreven is, was blijkbaar al genoeg. Ik zou daar zelf nooit genoegen mee nemen. De roman is overigens niet een pastiche op literatuur in de trant van The Life and Opinions of Tristram Shandy van Lawrence Sterne, het levert geen parodie op schrijven en romankunst. Hüsgen probeert de theorie van Leibniz over monades, ondeelbare eenheden waaruit de wereld bestaat en waarin het hele universum ligt opgesloten, over te brengen naar romankunst. Vandaar ook zijn probleemloze overspringen van plaats naar plaats en van tijd naar tijd. We bevinden ons regelmatig, zonder nadere uitleg, alles is ondeelbaar, tegelijkertijd in het oude Korea, in Nijmegen, in Venlo en in Ierland. Poging geslaagd, zou ik zeggen, lezer overleden.

In: De Groene Amsterdammer 2008