Maarten ít Hart, Het psalmenoproer, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 288 blz, prijs
Psalmen, vissen en vogels
Voorin de nieuwe en vermakelijke roman van Maarten ít Hart staat een lijst met al zijn vanaf 1971 tot nu toe gepubliceerde boeken. Ik heb zitten tellen: 17 romans, 6 verhalenbundels, een novelle, 13 essay bundels, twee autobiografische boeken. Ieder jaar minstens één boek. Als je daar nog de letterlijk duizenden niet gebundelde verspreide columns, stukjes, commentaren bij op telt, dan kom je langzamerhand tot een verbijsterende hoeveelheid literatuur. En altijd wendbare literatuur, nieuwsgierig, trouw aan zijn onderwerpen, soms bits en drammerig, ook dat hoort bij hem, maar dan ineens weer gevoelig en breekbaar. Erg vaak verschijnt hij niet meer in het openbaar, aan interviews heeft hij een hekel en het literaire leven kan hem gestolen worden. Hij schrijft liever.
Voor deze roman verdiepte hij zich in de laat achttiende eeuwse geschiedenis van zijn geboortestadje Maassluis en hij slaagde erin een kwestie boven tafel te halen die alles met zijn eigen preoccupaties te maken hebben. Ongeveer halverwege de achttiende eeuw ontstonden in Nederland zware debatten over een nieuwe psalm berijming en later over de manier waarop de psalmen gezongen moesten worden. Je moet daar niet gering over denken, er ontstonden opstootjes, kerkdiensten werden verstoord, raddraaiers gingen de straat op en aanhangers van de vernieuwing werden gemolesteerd. Ook in Maassluis, daar moest zelfs hard opgetreden worden. Misschien kijken we er nu enigszins meewarig op terug omdat we achteraf menen alles beter te weten en ít Hart kan het uiteraard niet laten een paar vrolijke noten hierover te kraken, maar het hield de gemoederen in die tijd fors bezig. Je moest echt uitkijken niet een flink pak slaag op te lopen.
Ondertussen verdiepte hij zich ook in de visserij in Maassluis van die tijd en daarover staat veel wetenswaardigs te lezen. Deze roman moet het niet echt hebben van het verhaal, veel meer van de fraaie inkijkjes in de denk en leefwereld van achttiende eeuwers in Maassluis. ít Hart vertelt in een aantal door de jaren verspreide scènes de lotgevallen van een reder die tot zijn verdriet niet met zijn grote liefde mag trouwen maar wel een kind bij haar krijgt. Hij trakteert ons op onvervalste staaltjes achttiende eeuwse spreektaal en weet de woelingen rond om het versnelde zingen van de psalmen kleurrijk voor te toveren. Zorgvuldig schetst hij de armelijke omstandigheden van de bevolking. En Mozart komt er ook in voor! Uiteraard, zou je bijna zeggen. De openingsscène over de historische vangst van een reusachtige heilbot is schitterend, vooral ook omdat ít Hart door zijn hele boek de vunzige geur van dat beest steeds weer in de herinnering weet te roepen. Je ziet hem erover grijnzen. Ook het echt gebeurde bezoek van een stel vissers aan Napoleon toen hij in Amsterdam was, swingt de pan uit. Misschien het mooiste vond ik de niet aflatende namen van vogeltjes die het hele boek bewolken en bevolken. Hier is ít Hart op zín mooist. Het woudaapje, de schuifuit, kieviten, karekieten, bosrietzangers, fitissen, rietzangers, snorren, rietgorzen, zanglijsters, spechten, krakernaten, vinken, heggenrienken, mussen. Ze kwinkeleren, blaffen, tjilpen en fraseren dat het een aard heeft, ít Hart wilde in dit boek ook een ode brengen aan de achttiende eeuwse vogels in en rond Maassluis.

In: De Leeuwarder Courant 2007