Marcel Möring, Dis, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2000, 506 blz, prijs 25.-
Te weinig TT
Möring verwijst in zijn nieuwe roman niet alleen in de kaft opzichtig naar De Goddelijke Komedie van Dante en daarin naar de Proloog en vooral het deel Hel. Hij gaf zijn hoofdstukken geen cijferindeling maar een ringindeling, zoals Dante de hel voorstelt als een aantal ringen waarin de verlorenen en verdoemden zich ophouden. De roman opent met een scène waarin een van de hoofdfiguren ‘als een mol’ uit een hol in een bos tevoorschijn komt. Zou dit in verband staan met Canto 1 van Dante, waarin een ik ‘bij zinnen (komt) in een donker woud’? En verderop de vreselijk stad Dis bezoekt? Je zou het wel denken, maar als je op deze manier de roman verder leest, steeds dus op zoek gaat naar verwijzingen naar Dante, kom je bedrogen uit. Möring situeert zijn boek in Assen ( = Dis) aan de vooravond van de TT-races in 1980 en hij geeft meeslepende beschrijvingen van de infernale taferelen die zich daar vast en zeker destijds afspeelden. Taferelen die wel degelijk doen denken aan hoe Dante de hel beschrijft. ‘Een zacht geluid van stemmen klonk, verderop, aan het einde van het pad waar de schemering onder de hoge boomkruinen uitvloeide over het gazon en dik was als stroop.’ Maar hier houdt de overeenkomst op, Dante is in Möring’s boek een voetnoot, niet een doorwrochte bewerking, al suggereert hij dat op veel plaatsen wel. Hetzelfde geldt voor de vele verwijzingen in de roman naar de Odysseus sage van Homerus en naar Joyce’s verregaande verplaatsing daarvan naar Dublin. De tocht van een van de hoofdpersonages Marcus Kolpa door Assen is alleen los met Bloom’s tocht door Dublin verbonden. En dan zijn er ook nog de verwijzingen naar de mythe van De Wandelende Jood.
Waarom precies die uitvoerige en opzichtige verwijzingen naar andere literatuur? De beschrijving van de nacht in Assen voorafgaand aan de TT-races had ik op zich ook al mooi gevonden. Waarom daar niet alleen op ingezoemd? Nu is dat alleen decor. Waarom niet tot en met uitgepakt over al die motorfans in Assen, de motoraces, met zinderende en verschrikkelijke verhalen over zuipen en geile motordames op racemotoren, een wereld die ik niet ken en waar ik toch altijd erg naar kan verlangen om er meer van te weten. Met een verhaal van een jongen die uit Amsterdam terugkeert naar Assen en zijn oude vriendinnetje opzoekt en terugvindt en ze blijkt te werken in een garage voor tweede hands motoronderdelen en heeft een verhouding met motorheld Jack Middelburg. Etc. Etc. Zo’n verhaal is er ook wel, er is een jongen die zijn oude vriendinnetje opzoekt, en Jack Middelburg wordt een keer genoemd, maar ik bleef door al die verwijzingen naar literaire voorgangers de hele tijd denken dat ik literatuur aan het lezen was en niet een spetterend boek over de TT in Assen. Al voeg ik hier graag aan toe dat Möring een paar mooie beschrijvingen van Assen en omgeving en van vecht en braspartijen in zijn boek opnam. Dan zie je hem lekker aan het schrijven, dan vergeet hij alle verwijzingen, of hij zorgde ervoor dat ik ze vergat, wat belangrijker is. Möring levert de diepere lagen van zijn boek er te vaak zelf bij, dat is het punt, en daar kun je als schrijver beter over zwijgen.
Assen is bij Möring een verschrikkelijke stad, al laat hij af en toe ook zijn liefde voor het Drentse landschap en zijn betrokkenheid bij de Drentse geschiedenis mooi doorschemeren. Zijn wel wat erg positieve held Marcus Kolpa die naar ‘het Westen’ is verhuisd, ziet zijn geboortestad Assen als de provincie en de inwoners als provincialen. Waarmee hij zichzelf uiteraard in het vakje niet provinciaal plaatst. Dat je in pak weg Amsterdam en Den Haag net zoveel warhoofden, kletsmeiers en nietsnutten tegenkomt als in Assen komt niet in hem op. Ja, de Randstad is het helemaal, meent Kolpa, daar kun je pas jezelf zijn en mooie boeken en artikelen schrijven, weet je wel. Ik weet dat je in het café en in praatprogramma’s op tv wegkomt met deze overzichtelijke maar verder tenenkrommende indeling, maar in een roman kun je (en mag je) niet toegeven aan dit soort cliché’s en illusies over een ‘intellectuele’ tweedeling van Nederland. Je moet er op z’n minst een punt van maken. Möring beschrijft door de ogen van Kolpa uitvoerig Assense vrienden en Assenaren. ‘Oh ja, dit waren de mensen die inderdaad vroegen, als hij een woord van meer dan drie lettergrepen gebruikte, hoe ver hij al was in de encyclopedie’. Zo ziet Kolpa ‘provincialen’ en Möring zet daar geen tegenstem tegenover, hij laat zijn held hierover rustig langdurig oreren, zonder dat hij probeert aan te geven dat dit beeld meer over de geborneerde visie van de held zegt dan over de bewoners van Assen. Dit neemt zelfs barre proporties aan in het volgende fragment waarin zelfmedelijden en messiasiaanse gevoelens zonder tegenwicht of tegenstem om voorrang strijden: ‘Hier staat hij (bedoeld is Kolpa), te midden van hun simpele en onbeduidende levens, hun goede bedoelingen die verkeerd uitpakken en hun eindeloze onnozelheid en hij zal het zeggen: Laat mij uw jood zijn….’
Möring heeft in deze roman te veel gewild. Te veel verhaallijnen spelen door elkaar: de TT, de jodenvervolging, Dante, de Odysseus. Hij heeft niet kunnen of willen kiezen. Dat leverde een hybride boek op, met mooie scènes erin, dat ook, maar al met al met wat mij betreft te weinig TT.

In: De Groene Amsterdammer 2007