Mark Insingel, Hoe hij rolt, Uitgeverij Meulenhoff, 95 pagina’s, prijs 16.50
Woedende pracht

In deze kleine roman beschrijft een ikfiguur de aftakeling en uiteindelijk ook de dood van zijn ouders en tegelijkertijd brengt hij verslag uit van zijn relatie met de vrouw Astrid, ‘de vrouw van een ander’. De Vlaamse schrijver Mark Insingel zet deze verhaallijnen naast elkaar in fragmentarische en vaak sterk beeldende stukken, die op de een of andere manier toch steeds meer met elkaar verstrengeld raken. Of liever: op elkaar betrokken. Zonder dat hij daar allerlei toelichtingen bij geeft. Hij laat vanaf het begin zien dat hij literatuur wil schrijven, dat hij dus geen gezinssocioloog is of huwelijksadviseur of doorgeefluik van slap relatie gezwatel waarmee zoveel boeken in de Nederlandstalige literatuur zich vullen. Insingel geeft de lezer de gelegenheid zijn eigen herinneringen en beelden met die van hem te vergelijken, hij geeft geen les, hij demonstreert. Dit boek is niet dichtgesmeerd met oordelen, maar het ademt en het beweegt. Hij is een schrijver pur sang die bestaande opvattingen over ‘ouders-kind’ en ‘man-vrouw’ relaties in korte, pregnante beelden en beschrijvingen met volle kracht aan de orde stelt, ze ondergraaft, ze pijnlijk nauwgezet en soms verrassend geestig becommentarieert en ze aldus van al hun vooronderstelde betekenissen ontdoet. Dit levert uitermate boeiende, soms zelfs adembenemende literatuur, die het pijnlijke, egoïstische, doortrapte en dubbelzinnige van relaties glashelder demonstreert.

Insingel heeft de laatste veertig jaar in ons taalgebied een reputatie opgebouwd van een maker van nogal ‘steriele’ en ‘bedachte’ literatuur, hij zou ‘concrete’ poëzie en proza schrijven, een navolger zijn van het constructivisme en in het algemeen een voorstander van ‘abstracte’ en ‘theoretische’ literatuur. Ik heb daar nooit een bal van geloofd. Zijn werk is op te vatten als een ongegeneerde, zeer persoonlijke en hardnekkige woedebui over de uitwerking van
maatschappelijke structuren op menselijke verhoudingen, in het bijzonder die waar hij zelf binnen moet functioneren. Dat hij geen vertrouwen heeft in literair werk waarin het verhaal de beschrijvingen dicteert, waarin het personage het centrum van de wereld lijkt te zijn en waarin menselijke verhoudingen terug gebracht zijn tot invuloefeningen die je iedere maand in Het Beste uit Readers Digest terug kunt lezen, moge duidelijk zijn. In zijn essaybundel “Woorden zijn oorden” (1981) formuleerde hij het aldus: ‘Kunst begint daar waar de mededeling belangrijker wordt dan het medegedeelde, waar er een muziek van betekenissen ontstaat, waaruit kan volgen dat in de zuiverste vorm van kunst de mededeling het medegedeelde volkomen uitschakelt.’ Maar dit wil niet zeggen dat hij zijn eigen leven buiten zijn werk hield. Zelfs in zijn meest ‘constructivistische’ en ‘seriële’ werk klinkt zijn woede door. Soms vermomd in litanieachtige opsommingen, soms in geestige verhaspelingen, soms ook in doorbrekingen van vaste taalstructuren maar altijd steunend op persoonlijke obsessies, die in dit laatste boek sterk de nadruk krijgen.
Misschien zou je het werk van Insingel vooral op kunnen vatten als een pleidooi voor wat ik nu hier maar ‘nevenschikkende literatuur’ noem, literatuur die niet naar kernen zoekt of naar thematische knooppunten. Literatuur dus waarin een held niet naar zijn ‘wortels’ zoekt, of de raadsels van zijn leven wil ontrafelen, waarin geen kernen aan te wijzen zijn, maar processen met elkaar worden geconfronteerd. Zonder dat naar een eenduidige verklaring of een directe betekenis gezocht wordt. En zo komt Insingel in deze zeer bijzondere roman tot een nevenschikking van mensenlevens: het sterven van de ouders wordt naast de opkomende en uitdovende lust voor een vrouw gezet. Ook in zijn vorige boek, “Eenzaam lichaam” (1996) zette hij een paar schijnbaar niet samenhangende levens en herinneringen bij elkaar en daar slaagde hij al in zijn opzet. Maar in dit boek werkt het ineens fabuleus. Omdat Insingel hier op z’n best is, heel goed weet hoe je in literatuur raadsels moet vergroten en hoe je beelden en zinnen moet laten fluisteren en lispelen. Geen uitleg erbij, geen betekenis. Omdat Insingel hier zo goed en zo bijzonder schrijft. Zijn beschrijvingen van het schaamtevolle, het vernederende, het kwaadwillige en het intieme vertonen een woedende pracht omdat hij uitermate precies en wonderlijk mooi formuleert. Het Verschrikkelijke krijgt bij hem een overtuigende stem omdat hij het formuleert met middelen van de Schoonheid. En ik overdrijf hier niet. Keer op keer lukt het hem zinnen te schrijven die het ongewone benadrukken, die net naast het banale staan. Hartverscheurend zijn de scènes waarin hij zijn eigen jeugd evoceert en zijn verhouding tot zijn ouders onder woorden probeert te brengen. Hij beschrijft bijvoorbeeld hoe hij zijn vader vlak voor diens dood zijn arm naar zijn voorhoofd zag bewegen: ‘Het was de meest gracieuze beweging die ik ooit van hem gezien had, traag en smartelijk en tegelijk heel licht, ze leek gewichtloos. Alsof hij haar maakte in het hiernamaals, alsof zijn lichaam er zelf niet meer was, zoals dat van Jezus na de verrijzenis. In deze beweging was zijn banaliteit van hem afgevallen. Mijn vader, bewusteloos, geknakt, met een pamper geplakt rond zijn billen, was een vervoerende verschijning geworden door een hiëratisch gebaar waarin, uiteindelijk, zijn bevrijde waardigheid zichtbaar werd.’ Insingel formuleerde in dit meesterwerk een eigen taal waarmee hij aantrekking, verwijdering, afstoting, knechting en schaamte opnieuw onder woorden kon brengen.

In: De Groene Amsterdammer