Mensje van Keulen, De laatste gasten, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 167 pag. prijs 18.50.

De wereld als instituut
Merkwaardige roman is dit. De laatste gasten begint als een drama en langzamerhand sluipen er steeds meer lichtvoetige, soms zelfs satirische elementen in, hoewel het boek geen moment lach-of-ik-schiet wordt. Knap is dat: Mensje van Keulen hield me tot en met het einde in het onzekere over haar bedoelingen. Eerst maken we de stille en bescheiden Florrie mee als benarde voetveeg van de hardvochtige tante Lena (de naam alleen al) die haar kwelt en uitzuigt. Laat dit sociale drama maar aan deze schrijfster over, ze geniet er duidelijk van de kwade intenties van Florrie’s kwelgeest eens lekker aan te dikken en schrikt niet terug voor de introductie van erg onprettige figuren uit de Amsterdamse zelfkant. Ik vond Rudie Hus, ‘een ex-bokser met een bloemkooloor’ een mooi figuur die het ‘gezellige’ Amsterdamse volksleven zoals we dat tegenwoordig weer eens via de televisieserie “Het Schaep met de vijf Poten” mogen meemaken, van onaangename kanttekeningen voorziet. Maar grijnzen moest ik toch ook om hem.
Lena sterft, wat een opluchting! Je bent als lezer zeker ook blij omdat je met de schrijfster weet dat het in dit boek zo niet door kan gaan en dus breken veel betere tijden aan voor Florrie. Ze wordt een soort veredelde huishoudster in een tehuis voor kunstenaars en dit gegeven geeft Van Keulen de kans een paar mooie karakters neer te zetten. Wat is er niet mooier dan een stel heel of half geflipte kunstenaars bij elkaar te zetten en die te laten zwelgen in het verleden toen ze nog iets betekenden of alleen maar dachten dat ze iets betekenden. Zelf mocht ik bijna twee jaar geleden met een heel stel soms gerenommeerde wetenschappers een half jaar doorbrengen in een prachtige villa te Wassenaar, het NIAS. Zij werkten aan onderzoek en ik schreef een roman. Vaak kwam ik in de verleiding die roman te laten wat hij was en snel een boek te maken over deze kleine, geïsoleerde wereld waar je, voordat je het wist, betrokken kon raken bij interessante debatten en prikkelende roddels. Van Keulen was me voor, zij baseerde haar roman overigens niet op dit instituut maar op het allang opgeheven “Pauwhof”, ook in Wassenaar.
Het aardige is dat ze geen moment op haar gezelschap ‘kunstenaars’ neerkijkt. Van Keulen weet heel goed dat ze dan geen goede roman krijgt. Je moet gevoel hebben voor je personages, je mag best kleine grappen over ze maken en ze met al hun zwakheden laten zien, maar daar moet het niet bij blijven. Je moet van ze houden en dat doet deze schrijfster, ze blijft haar figuren trouw, hoe vreemd dit ook klinkt. We zien ze via de blik van de bescheiden Florrie en die kijkt juist erg tegen deze mensen op en precies deze constructie geeft van Keulen de gelegenheid zo mooi begrijpend en tegelijk af en toe vilein over ze te schrijven. Nee, dit is geen boek over grootse wereldproblemen die door de schrijver van brutale kanttekeningen worden voorzien (‘het moet allemaal anders’). God zij dank. Geef mij maar Van Keulen en haar kleine, stille, gevoelige en beweeglijke verhaal over mensen in een geïsoleerd instituut, dat als je wat beter kijkt, toch verdacht veel op de wereld lijkt.

In: De Leeuwarder Courant 2007