Peter Delpeut, Het Vergeten Seizoen, Uitgeverij Augustus, Amsterdam-Antwerpen, 252 blz, prijs
DoortrapTe Heiligheid

Goeie romans zijn vaak tegenstrijdig. Neem “Het Vergeten Seizoen”, de zeer geslaagde debuutroman van Peter Delpeut. Hoofdpersoon is een enigszins gekwelde priester die in het midden van de negentiende eeuw van het aartsbisdom moet onderzoeken wat er aan de hand is in een klein dorp ergens in het rivierengebied van Nederland. Ene Lydia Wijffels ontvangt daar op gezette tijden, altijd op vrijdag, de stigmata: wonden in haar handen, voeten en in haar buik. Ze begint steeds meer de aandacht te trekken van de plaatselijke, straatarme bevolking die haar fanatiek vereert. Is zij een nepheilige die de zaak beduvelt of moet je dit serieus nemen? Je merkt aan alles dat Delpeut deze zaak volstrekt serieus neemt, dat maakt zijn roman zeer geloofwaardig en op gezette tijden zelfs ontroerend. Een klein, verlaten en onontgonnen gebied waar ineens heiligenverering toeslaat. De schrijver maakt dit verschijnsel geen moment belachelijk, hij is er eerder verbaasd over dan dat hij wel even religieuze wantoestanden aan de kaak wil stellen. Ook al zitten er af en toe, naar het einde toe steeds meer, satirische onderlagen in dit fraaie boek. Juist de tegenstrijdigheid tussen satire en beklemming maakt dit boek gedenkwaardig.
Pastoor Peters gelooft allemaal geen bal van die heiligheid en onderneemt samen met de huisarts van het dorp allerlei stappen om de vrouw te ontmaskeren. Maar dat valt dus voor de donder niet mee. Is ze wel een bedriegster? Delpeut is erin geslaagd een paar mooie figuren neer te zetten. Pastoor Peters werd in zijn bekwame schrijvershanden een interessant figuur die zelf nauwelijks door heeft dat hij steeds meer ten prooi begint te vallen aan ongeloof. Wel lijdt hij aan ernstige verstopping, symbool uiteraard van dit toenemend ongeloof, waarvan hij op ruwe wijze wordt genezen door de huisarts van het dorp. Ook weer een uitermate boeiende figuur die model zou kunnen staan voor het negentiende eeuwse opkomende vertrouwen en geloof in de natuurwetenschappen. Peters begint langzamerhand, ondanks zichzelf, toch steeds meer begrip te krijgen voor dit ‘heilige’meisje, dat hem tegelijkertijd ook ernstig op de proef stelt. ‘Hij voelde zich onbegrijpelijk klein tegenover dit schriele lichaam. Terechtgewezen als een kind. Door een kind!’ De verwarrende gevoelens van de hoofdfiguur ten opzichte van dit hysterische meisje (is ze wel hysterisch?) maken van de roman een boeiend verslag van een strijd tussen verschillende werelden die elkaar nooit kunnen bereiken. Geloof en ongeloof, praktijk en theorie. Delpeut geeft een uitvoerig beeld van een kleine gemeenschap in de negentiende eeuw: de barre sociale omstandigheden en de verschrikkelijke weersomstandigheden. We mogen van hem gelukkig ook af en toe lekker griezelen. Bijvoorbeeld bij een minutieuze liesoperatie op de jonge kandidaatheilige, die we meemaken vanuit de blik van de pastoor. ‘Vanuit zijn ooghoek volgde hij- niet dat hij het wilde, maar hij kon niet anders- hoe Stien met vanzelfsprekend gemak een rubberslang in Lidia’s onderbuik naar binnen bracht en een straaltje donkergele, stroperige urine in een teiltje opving.’ Ook bij een fraaie kruisigingscène gaan de remmen los wanneer de huisarts en de pastoor (nota bene) willen bewijzen dat Jezus nooit met spijkers door zijn handen en voeten aan het kruis geslagen kan zijn. Petje af voor de overtuigingskracht van dit boek. Goed nieuws: we hebben er weer een schrijver bij!

In: Leeuwarder Courant 2007