Rodaan Al Galidi, Dorstige Rivier, Meulenhoff/Manteau, 394 bladzijden, prijs 24.95

Het Verdriet van Irak
Rodaan Al Galidi ontwikkelt zich per boek. Hij debuteerde in 2000 met dromerige en soms uitgesproken lyrische gedichten waarin grote, bijna kinderlijke verbazing schuil ging, maar ook wanhoop, soms zelfs rancune over zijn bestaan als buitenstaander in Nederland. In de latere dichtbundels tref je deze lyrische, lichte en verbaasde toon aan, afgewisseld met veel heftiger en ‘zwaardere’ uitbarstingen rond zijn persoonlijke omstandigheden. Hij schreef columns voor diverse bladen waarin je dezelfde tweestrijd kunt vinden tussen verbazing en boosheid, ook over de geringe erkenning die zijn werk, volgens hem, in Nederland ten deel valt en met merkwaardige schimpscheuten in de richting van Nederlandse literatuur.
Over zijn eerste roman Mijn opa, de president en de andere dieren (2004) schreef ik een ongunstige recensie voor de Leeuwarder Courant. De uitgesproken woede erin over de vernietiging van Irak door Sadam Hoessein sprong niet op me over, ging volgens mij onder in veel te zwaar aangezette metaforiek en in een niet tot verder lezen uitnodigende opsomming van martelpraktijken, die voor de schrijver ongetwijfeld noodzakelijk was, maar in mij alleen een versuft gevoel van doffe ellende wakker riep. Ik besloot een beetje bij te komen en zijn volgende roman, Maanlichtmoerassen (2006) over te slaan.
Maar nu is er dus Dorstige Rivier en het moet gezegd: dit is het. Rodaan is erin geslaagd een wonderfraaie balans te vinden tussen rechtstreekse woede en verbaasde lichtheid en zelfs geestige verwondering. Dit is een belangrijke roman van epische allure waarin de schrijver zijn niet geringe programma ineens bij elkaar weet te brengen, in elkaar weet te voegen kun je beter zeggen. Verbazing, woede en wanhoop, in een grote greep, van een niveau en een aanpak die doet denken aan Het Verdriet van België van Hugo Claus. De roman bevat een schat aan vertellingen rondom ‘gewone’ mensen, een niet aflatende stroom allusies op historische gebeurtenissen, plus een diepgaande analyse in literaire termen van de Irakese geschiedenis. Het boek biedt een analyse die veel verder gaat dan een afstandelijke opsomming van allerlei feiten met toelichting, en had juist door deze literaire aanpak een sterke impact op me. Wat een boek! Ik wilde het allemaal weten en ik las maar door en door. Zoiets kom je niet vaak tegen in Nederlandse literatuur: deze opzet, deze greep en deze grandeur. En deze keer maakte de woede en het verdriet zich ook van mij meester. Er staan scènes in het boek die me letterlijk tot tranen toe bewogen, juist door de verbazingwekkende lichtheid van betoogtrant en stijl. In deze roman is Rodaan geen boze geschiedschrijver, maar een meedogend deelnemer, wanhopig toeschouwer en toonzetter van het verdriet van Irak dat maar geen einde neemt.
Hij beschrijft de geschiedenis van de Irakese familie De Vogel, die zich staande probeert te houden voor, tijdens en na het bewind van Sadam Hoessein. We maken in oude tijden kennis met Nadim die een ooievaar naar zijn huis probeert te lokken, met diens dochter Dime die zich uit wanhoop over het uitblijven van een geschikte huwelijkskandidaat naakt op straat begeeft onder het uitroepen van de kreet: ‘Jager, jager, mijn kut is een vogel geworden.’ En vanaf die tijd heten de bewoners van het huis De Vogel.
We krijgen geschiedenissen voorgezet over de kinderen van Nadus en vooral over Simahen, die goud spaart om een auto voor een van haar kleinzonen te kunnen kopen. We beleven de huwelijksperikelen van Simahens zoon Kosher, die later wordt vermoord en Wasile, die zes kinderen baart: Risen, Adam, Mira, Shahid, Djazil en Joesr. Rodaan beschrijft hun moeizame levens, zonder ook maar een moment in zoetsappigheid te vervallen, of ons te trakteren op van dat gezellige, oosterse exotisme, met buikdanseressen, interessante markten en fijne harems. Ook laat hij deze zes kinderen en hun kinderen zien met al hun tegenstrijdige en soms zonder meer verderfelijke opvattingen. Risen gaat het leger in, Adam is een merkwaardig autist die door de familie wordt gecastreerd omdat men vreest dat hij de vrouw van Risen wil verleiden, Shahid gaat aan de slag als schilder van propaganda uithangborden van Sadam Hoessein, Djazil ontpopt zich na de inval van Amerika tot een terrorist, Joesr sluit zich op in de kelder en Mira probeert haar broers ten koste van alles, ook haar leven, te beschermen. Rodaan vertelt hartverscheurende verhalen, soms zijn ze zo zwart als de nacht, bijvoorbeeld wanneer het over seksuele macht en onmacht gaat. Vooral de geschiedenis van het meisje Baan is hier een treffend voorbeeld van. Ze wordt door Djazil verleid, raakt zwanger en weet dat haar familie haar zal vermoorden. En dat gebeurt ook. Of over Rasjad, zoon van Risen, die verliefd wordt op een uitgehuwelijkte vrouw, haar achterna reist en in de klauwen valt van orgaanhandelaren. Rodaan is duidelijk begaan met de slachtoffers van de puur onderdrukkende seksuele mores in Irak, vooral met vrouwen, maar hij trapt niet in de valkuil van de expliciete verontwaardiging. Hij laat zien hoe het werkt, hoe de Irakese opvattingen over eerwraak en familietraditie iedere seksualiteit fnuiken, waardoor zijn verhalen juist extra schrijnend worden. Ditzelfde effect bereikt hij in zijn vertellingen rondom de terreur van Sadam Hoessein. Geen abstracte verhalen, maar wel hoe die terreur op dorps niveau uitwerkte. Prachtig, en geestig verteld, zijn bijvoorbeeld de zorgen van Shahid of hij Sadam Hoessein wel gunstig genoeg afbeeldt. Straks lijkt de sigaar in zijn mond teveel op een wortel, of wie weet zelfs op een lul. ‘Kun je je voorstellen wat er dan gebeurt?’ Of Djazil die in het dorp de dochter van een Sadam Hoessein aanhanger probeert te verleiden en altijd wanneer hij een afbeelding van Sadam ziet een erectie krijgt omdat hij dan aan die dochter denkt.
Alles steeds verteld op laconieke toon, steeds gevat in een gedurfde metaforiek die het geheel des te indringend op mij liet overkomen. Rodaan reeg zijn verhalen als een snoer van schitterende kralen aaneen tot een geheel van grote schoonheid dat tegelijkertijd de verschrikkingen aantoont. Dit is een meesterwerk.

in: De Groene Amsterdammer