Tom Lanoye, Kartonnen dozen, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2003, eerste druk 1991[b]
Interview over Kartonnen Dozen
Vanaf 1983 publiceerde Tom Lanoye bijna dertig boeken: gedichten, essays, verhalen, romans, toneelstukken. De roman “Boze Tongen” kreeg in 2003 de Gouden Uil Literatuurprijs. De roman “Kartonnen Dozen” uit 1991 behandelt verschillende thema’s uit zijn oeuvre. Hij geeft een gloedvolle, soms tedere maar ook hilarische visie op zijn jeugd als zoon van een slager, thematiseert zijn ontwakende homoseksualiteit en behandelt een aantal maatschappelijke kwesties in Vlaanderen. Ook in veel ander werk heeft Lanoye een scherpe blik voor bederf en maatschappelijke verrotting, die hij overigens altijd voorziet van een zekere ironische en meedogende distantie. In “Kartonnen Dozen” onderzoekt Lanoye de bronnen van zijn schrijverschap en geeft hij een verlangend en ook geestig beeld van zijn eerste grote liefde. Hij laat in deze roman de taalregisters aan het woord komen waaruit zijn werk altijd put: de volkse taal van de Vlaamse arbeidersklasse, het verheven jargon van de opera, de taalkunst van belangrijke Vlaamse dichters en het jargon van de Vlaamse politieke bewegingen. In sterk scenisch georchestreerde episoden vertelt hij het autobiografische verhaal over een jeugd: over ouders en tantes, over vrienden en liefdes, over schoolleven en politieke inzichten. Lanoye spaart zichzelf niet, hij geeft een kritisch beeld van een jongeman die soms stil en verlegen is, maar ook op wil vallen en dan de neiging heeft zich te overschreeuwen. Wie iets wil weten over het Belgische onderwijs in de jaren zeventig en tachtig, kan bij deze roman terecht. Lanoye schetst uitvoerig hoe directie en leraren op een middelbare rooms-katholieke school probeerden via ‘instemmende tegenwerking’ invloeden van buitenaf zo lang en zo ver mogelijk van de deur te houden. Het is opvallend dat de schrijver wel afstand neemt van deze houding maar toch nooit zijn toevlucht neemt tot een rancuneuze verbeelding van deze school en zijn leraren. Zijn portret van een politiek rechtse, maar pedagogisch en didactisch zeer begaafde leraar Nederlands behoort tot een van de hoogtepunten van dit soms groteske en hilarische boek, dat af en toe pijnlijk is en schrijnend, vooral voor de schrijver zelf, maar steeds toch een opgewekte grondtoon in stand weet te houden.
Ik praat met de schrijver over Kartonnen Dozen bij hem thuis in Antwerpen.

Hoe is dit boek ontstaan en hoe ontwikkelde het zich?
Het gaat steeds anders. Ik beschouw me als een soort mislukte acteur die kan schrijven en die hopelijk ook goed teksten kan voorlezen. Dat is wat ik ben, denk ik. Dat betekent dat ik voor ieder boek een bepaalde stijl kies, een speelstijl zou je kunnen zeggen, een schrijfstijl. Er doen zich dan dus een heel palet aan mogelijkheden voor zowel qua taalgebruik als enscenering: blijspel, treurspel en komisch drama. Toch moet er ook een eigen stem in zetten, dat heeft dus steeds iets dubbels. Ik heb bij dit boek heel lang, meer dan bij de andere boeken, met het idee rondgelopen dat ik iets met die fixatie van de eerste grote verterende jeugdliefde aan moest, met die drie tragikomische liefdesnachten in Griekenland. Dit boek is voor de helft autobiografisch, de andere helft is verzonnen en de derde helft is gefantaseerd (lacht). Ik ben er een paar keer mee begonnen maar het lukte niet, ik denk omdat het toen nog te dichtbij stond. Je moet als piloot ook een zeker aantal vlieguren halen wil je je brevet krijgen, als schrijver moet je dus ook eerst een stevig aantal schrijfjaren halen vooraleer je over de bronnen van je schrijversschap kunt gaan schrijven. Als je dat niet doet maak je je compleet belachelijk. Je moet niet meer voor jezelf terugschrikken als je aan deze thema’s begint. Ik hou geen dagboeken bij, al lees ik ze wel graag, daar kon ik dus niet uit putten. Ik vind mijn eigen leven niet belangrijk, het gaat om mijn vakmanschap, over mezelf heb ik niet veel interessants te melden. Ik zal nooit een interview doen dat alleen over mezelf gaat en niet over mijn materiaal. Ik vond dat ik juist dit boek, wanneer het er in eerste scriptvorm was, aan mijn ouders zou moeten laten lezen, die leefden toen nog allebei. Ook de jongen op wie het gebaseerd is zou het moeten lezen, iedereen uit mijn omgeving weet wie het is. Ik vond het wel griezelig om andere mensen zo te gaan beschrijven, niet dat ik van plan was iets te gaan veranderen. Ik denk toch dat ik van die intieme dingen terug schrok. Ik heb tegen mijn ouders gezegd dat het eraan kwam, mijn moeder leefde destijds nog, mijn vader is nu 86. Ik heb heel lang gezocht naar de goede toon voor dit boek. Uiteindelijk kwam het ervan toen mijn uitgever Mai Spijkers erg aandrong op een verhaal en ik beloofde dat er iets zou komen. Hij gaf me een hele korte deadline en daar hou ik wel van, ik werk altijd tegen deadlines aan. Ik had toen al een verhaal geschreven, een klassiek verhaal over twee jeugdvrienden die verliefd worden op hetzelfde meisje. De een draagt een bril en blijkt achteraf schrijver, hij krijgt het meisje niet en treurt daar zijn hele verdere leven over. Dat was dus al een soort omgekeerde voorbereiding op dit boek. Dat verhaal was ook al banaal, en tegelijk ook niet, net zo banaal als dit boek. Het bevatte een gewone liefdesgeschiedenis maar het had wel kracht net als dit boek. Het begin van dit boek schreef ik ook als eerste (leest de eerste zin voor): ‘Dit is het verhaal van een banale liefde en haar verterende kracht. Zij overviel mij aan het begin van de jaren zeventig in het onooglijke provincienest P.’ De toon is monter en opgewekt, dat wilde ik zo, de toon is als je het goed bekijkt in tegenspraak met wat er staat. Wat er staat lijkt allemaal veel dramatischer, maar zo moet je het niet lezen. Met zelfmedelijden heeft het niets te maken, uiteindelijk is het een toon die nostalgisch lijkt maar waar tegelijk de haat in doordringt. Die toon had ik al eerder een beetje ontwikkeld in Slagerszoon met brilletje en in het verhaal Oh, land der blinden. In eerste instantie begon ik met het verhaal van de drie nachten te schrijven, het moest een monstertrilogie worden van drie nachten, dat was ook eerst de titel, maar na de eerste zin veranderde het al. Een jeugdliefde is altijd een iconische liefde, eigenlijk is de aanbeden persoon niet belangrijk, het gaat om het beeld en dat is ingebed in wat jezelf bent. Jijzelf bent die persoon en die moet geprojecteerd: je moet een scherm tonen en een statief waaraan dat scherm hangt. Die titel vond ik gelijk slecht en toen ik in het eerste hoofdstuk begon over de ‘kartonnen dozen’ vond ik dat zo typisch Vlaams en Belgisch. Dat was een goede manier om te beginnen, ik wilde met kleine bouwsteentjes een Vlaams leven maken en op die manier de arena betreden. Dat verschilt direct van mijn collega Peter Verhelst , overigens een heel goede schrijver, die met Zwerm direct een internationale arena betrad. Oorspronkelijk wilde ik niets met kartonnen dozen maar toen ik ermee bezig was, wist ik: ik heb een titel en ik heb een structuur. Dat ging al schrijvende. Ik begon dus wel met wat nu de eerste bladzijde is, de kartonnen dozen kwamen wat later en die stukken herschikte ik dus, dat doe ik wel vaker, ik herschik scènes en ik retoucheer. Ik werk sterk toneelmatig denk ik. In de zinnen zelf schrap ik niet erg veel
Je werkt niet met een schema?
Nee, ik wist wel dat die reis naar Griekenland moest komen en die reizen in de schoolvakanties en de geschiedenissen over mijn tante en moeder. Maar die verwijzingen naar stripboeken en alle anekdotes, dat ging al doende. Als ik op voorhand schema’s zou maken dan denk ik dat ik een geraamte ga lopen opvullen met vlees, dat wordt niks, dus het moet al doende. Ook met mijn trilogie werkte het zo ( Lanoye doelt op de boeken Het Goddelijke Monster, Zwarte Tranen, en Boze Tongen). Ik probeer altijd genres door elkaar te mengen, daar hoef ik geen schema’s voor te maken. Ik meng dus toneelachtige scènes met veel dialogen met beschrijvingen en beschouwingen. Als ik schrijf praat ik met niemand over wat ik aan het doen ben. Pas als ik klaar ben, is er een klein leescomité en mijn vaste redactrice met wie ik al 20 jaar werk en die mijn werk goed kent. Een roman is iets anders dan toneel. Aan toneel blijf je altijd werken, ook al omdat je acteurs hebt waarnaar je je teksten toe schrijft, dat is onvermijdelijk. Dit boek is op te vatten als een monoloog, er staan veel toneelaanwijzingen in, heb je dat gezien. (leest voor): ‘Beeld: het bekiezelde parkeerterrein van het Stedelijk Zwembad van P’. Ik heb het later ook bewerkt tot monoloog waarmee ik vaak ben opgetreden. Nogmaals, ik ben in essentie acteur. Je kunt van alle schrijvers een essentie geven: Claus is in essentie dichter, Hermans wetenschapper, Frederik van Eeden arts, Harry Mulisch filosoof of pseudofilosoof. Ik let er altijd op of mijn zinnen bekken, ik schrijf geen zin die niet bekt, die ik niet graag zou uitspreken. Ik zoek altijd naar mengvormen, naar hybride vormen, ik zoek per hoofdstuk naar andere stemmen, naar een andere stijl, een andere retorica. De stukken over de lessen die ik kreeg zijn heel anders van toon en stijl dan andere stukken. Als je het over de Vlaamse Beweging hebt, dan ben je toch tegelijk bezig met een historisch ethische vertelling, die toch ook, hoop ik, qua schrijftechniek teruggrijpt op Homerische literatuur. Dat moet dan ook te merken zijn. Wat dit betreft sluit ik me meer aan bij Shakespeare dan bij de romantische vertelwijzen uit de negentiende eeuw die meer zoeken naar een eenheid van stijl en toon. Bij Shakespeare schiet het alle kanten op, die gebruikt allerlei stijlen en retorische procédés. Wel verleen ik aan mijn personages een soort verbale identiteitskaart. Ik heb voor dit boek natuurlijk ook gewerkt met Philip Roth als voorbeeld, met zijn masturbatiescènes uit Portnoys Complaint. De scène met de lever bouw ik verder uit, ik ga nog een stapje verder. Maar dat hele pakket aan scènes over masturbatie is niet van tevoren gepland, die sloten gewoon op elkaar aan terwijl ik ze schreef. Ik las iedere dag wat ik de dag tevoren geschreven had. Op een gegeven moment kun je niet meer álles wat voorafging lezen, dat neemt teveel tijd, maar wel wat in het hoofdstuk staat waaraan je bezig bent. Daarna schreef ik pas door. Zo deed ik dat te minste bij dit boek. Ik schrijf gewoonlijk altijd in chronologische volgorde, ik begin en dan werk ik door. Dat idee van die dozen bijvoorbeeld, dat het om drie dozen gaat, dat kwam tijdens het schrijven op, bij het tweede hoofdstuk. Toen bedacht ik wacht even, ik kan er vier dozen van maken en ik weet zeker dat hierdoor het boek aan kracht won en dan is het laatste hoofdstuk het boek zelf, dat gaat dan over het boek. Het is de metadoos (lacht). Maar daar ga ik dan niet ineens een schema van maken, dat viel me in bij het tweede hoofdstuk en ik werkte gewoon verder. Uiteindelijk bleek het wel een goed idee te zijn. Ik wil niet tijdens het schrijven ontdekken dat ik een soort invuloefening zit te doen. Tegenwoordig schrijf ik vaker gewoon door, ik laat veel meer toe, het is tegenwoordig meer incontinent zal ik maar zeggen (lacht), dat zal wel met de leeftijd te maken hebben (lacht weer). De volgende dag weet ik dat ik er mee ga knippen en plakken, desnoods gooi ik een stuk weg. Ik schreef dit boek in drie vier maanden, echt van ’s morgens tot ’s avonds was ik alleen hier mee bezig. Ik schreef soms op het laatst drieduizend, vierduizend woorden per dag, dat is dus wel heel erg veel, maar het zijn vaak de beste stukken. Omdat je dan echt volledig binnen je eigen grammatica zit. Elk boek heeft zijn eigen artistieke grammatica boven op de literaire grammatica. En je moet niet alles direct duidelijk maken, je moet je kaarten voor een deel op zak houden. Die liefdesnachten in Griekenland worden natuurlijk al aangekondigd in de masturbatiescènes en de andere scènes rondom Z., de vriendschap met hem, het zwijgen daarover. Dat culmineert dan in Griekenland. De scènes in Griekenland zijn af en toe letterlijk kleine toneelstukjes, zoals veel in dit boek toneelmatig is. De beschrijving van de winkel, de scènes thuis, het toneelspelen met de moeder, dat zijn allemaal kleine toneelstukjes. Ook in het boek waar ik nu mee bezig ben ( Titel Het Derde Huwelijk, het verscheen in september 2006), werkte ik al schrijvende en het is weer sterk theatraal. Dat boek begint ook met een krachtige inzet, net als bij Kartonnen Dozen. Een krachtige mediabrede scène. Ik gebruikte ook nu weer heel veel werkelijkheid: ik ben een straatveger die afval op straat vindt. Kartonnen Dozen is geschreven in gesproken taal, het is een soort leerboek hoe ik heb leren schrijven, vandaar ook die verschillende talen die er in voorkomen. Die verteller techniek van mijn tante, de taal van mijn moeder, van Guido Gezelle, Van Wilderode enzovoort. Ik wilde ook taal laten zien en horen waarin je jezelf helemaal verliest. Bij Cyrano de Bergerac zie je dat heel goed, die verliest zich in zijn pathetiek. Ik zocht dus niet naar één juiste taal eerder naar vormen van communicatie en die vormen liet ik zien via verschillende taalregisters. Dat komt in veel van mijn boeken voor. Mijn werk moet panache hebben, ook dit, het is wat dat betreft denk ik echt wel typisch Vlaams en een vorm van seculier katholicisme. In die traditie staat het.
Denk je tijdens het schrijven aan lezers?
Soms wel, dat doen alle acteurs. Dan denk ik, nu moet er even een grap in, anders wordt het te langdradig. Met humor kun je hele goede affecten gebruiken, een contrapunt maken, het is een van de oudste theatertrucs om het publiek bij de les te houden en het geeft je de kans om erg grote en pathetische dingen te zeggen. Maar humor om te lachen, opgelegde humor, grappen grollen, daar heb ik wel moeite mee. Die mop over het toppunt van gefaketheid
( masturberen en dan een orgasme faken) die kende ik allang en die kon natuurlijk heel goed in die masturbatiestukken, die doorbreekt ook even de hele sfeer daarvan. Met humor kun je het verleden ineens relativeren. Drama plus tijd is humor. De hoofdzaak was toch voor mezelf geschreven, dat klinkt als een cliché natuurlijk, maar het is beslist niet zo dat ik iets weglaat waarvan ik denk dat het tegen de haren in zou strijken. Ik vind het nog altijd een emanciperend boek, juist omdat het woord homoseksualiteit er helemaal niet in voorkomt. Dat is het belangrijkste, er wordt niet geworsteld met homoseksualiteit, die is gewoon vanzelfsprekend, dat vind ik de belangrijkste mededeling van het boek. Ik haat van die homoboeken, dit is geen homoboek, maar een liefdesboek, hetero’s kunnen zich, soms tot hun schrik, heel goed in dit boek inleven, want de liefdeskwaal is hetzelfde. Er komen nu nog wel aandoenlijke jongeren aan de deur om me voor dit boek te bedanken. Nog altijd, terwijl ik al helemaal een ander persoon ben, het is nu veel meer fictie voor me geworden dan vroeger, ik weet steeds minder waar de littekens zitten tussen fantasie en werkelijkheid.
Je schrijft dubbel over allerlei belangrijke figuren in je leven
Ja, dat hoort ook tot het stijlregister, die dubbelheid. Sommige mensen schelden me nog uit over de manier waarop ik die leraar neerzet, die ik Mussolini noem, in werkelijkheid gaat het om Anton van Wilderode, bij ons een belangrijk dichter. Hij heeft het boek gelezen en is er erg kwaad over geweest, terwijl ik zelf vind dat ik een heel mooi portret van hem neerzet. Hij heeft grote invloed op me gehad, op mijn schrijven, op mijn blik op de wereld, dat staat er ook in. Hij zei tegen ons: ‘racisme is een modewoord’, dat vond ik op dat moment een wel heel ingrijpende uitspraak, juist voor deze man met deze achtergrond. Deze vreemde humanistische katholieke jezuïet die erkende dat W.F. Hermans de grootste schrijver was.
( Leest een stukje voor) ‘Op school dwong hij nog meer ontzag af door zich niet op zijn ontzagwekkende status te beroepen. Hij kwam onze klas binnengewandeld alsof hij een huiskamer betrad.’ En dan verderop staat er (lees weer): ‘Maar het duurde geen minuut of hij had ons in zijn ban. Voor het eerst was een tekst geen opeenvolging van woorden meer. Het was een vuur, het zoog je naar zich toe en het verzengde je prachtig. Hees, hortend of lispelend, dat speelde allemaal geen rol. Deze kleine man, deze bejaarde in zwart pak, met zijn stem van Marlon Brando uit het Waasland, met zijn cigarillo’s en zijn spraakgebrekje, deze Demosthenes van de Vlaamse literatuur was een ontwapenende gezant. Hij belichaamde het verlangen de wereld zodanig in woorden te vangen dat zij zichzelf overtrof. Incarnatie en begin van alle schrijvers.’ Dat deze man, die politiek zo ver van me af stond en staat, dit bewerkstelligde! Ik sta nog altijd ver van hem af door wat hij politiek voorstond, ook al ageerde hij toen hij nog leefde tegen het Vlaams Belang dat hem graag tot een van de hunnen hadden gemaakt. Bij zijn begrafenis zat de eerste rij vol met het Vlaams Blok, zoals het toen nog heette. Het was mijn leraar, mijn goede voorbeeld dichter en hij heeft veel voor mij betekend. Ik wil politiek met hem van mening kunnen verschillen maar hem niet weglaten. Ik heb de Ijzerbedevaart in het boek niet genoemd, misschien toch ook omdat ik hem daar liever niet aan wilde verbinden. Daarom is het dubbel, je ziet het in de keuze van de woorden, je ziet ook dat ik hem toneelmatig neerzet, mijn zinnen zijn hier ineens veel korter dan elders, dat viel mijn redacteur nog op, maar ik vond dat het zo moest. Ik detailleer hem echt in kortere zinnen. Ik bespreek uitvoerig en even dubbelzinnig de Vlaamse beweging, de start daarvan na de Eerste Wereldoorlog toen het nog echt ging om ‘nooit meer oorlog’. Toen was het nog geen fascistische beweging, dat kwam pas na de Tweede Wereldoorlog. Ik wilde dat begin van die beweging niet weglaten, niet alleen zwaar negatief er tegenover staan.Ik kom uit een gezin waar de Vlaamse beweging een rol speelde. Mijn vader zat op een internaat in Gerardsbergen, midden in WestVlaanderen, en daar moesten ze niet alleen in de les Frans praten, maar ook op de speelplaats. Dan krijg je vanzelf het idee dat dit niet klopt, dan krijg je respect krijgt voor de wortels van de beweging, niet voor de fascistische kant ervan natuurlijk. Ik ben nog altijd in discussie met het werk van Anton van Wildevoorde, niet alleen in deze roman. Ik schrijf in dit boek over de Vlaamse beweging op een homerische toon, ik zei het net al. Die hele scène is uiteraard ook een toneelsketch, maar geeft toch ook de mythologie van het Vlaams nationalisme weer. In dit stuk geef ik ook een historisch overzicht en toch is het in zekere zin een huldeblijk aan de wortels van die Vlaamse beweging. Het is dubbel, dat zie je ook in de toon ervan. Je kunt er om lachen, daar is het ook voor bedoeld, maar tegelijkertijd weet ik dat het klopt. De Vlaamse beweging was een sociale beweging toen het begon, het was vroeger heel oorbaar om bij Ieper aan die ijzeren toren te staan, schouder aan schouder met de rechtse nationalisten, dat is juist de tragiek ervan. Het is bij mij een pijnlijke tekst geworden, die ik vaak voorgelezen heb, omdat het echt pijnlijk is. Het blijft een theatertekst waar je allerlei interpretaties op los kunt laten. Het is een tragikomisch pijnlijk verslag van alle fouten die er na de oorlog gemaakt zijn. Toen zijn er bijvoorbeeld journalisten en schrijvers gestraft die absoluut niet collaboreerden, ze werden gestraft voor de fouten van hun rechtse collega’s die dat wel deden. Het was overigens heerlijk om te schrijven omdat ik gelijk wist dat ik het ooit zou gaan voorlezen en welke indruk het zou maken., ook op Vlaamse intellectuelen die alleen maar uit gemakzucht neerkijken op de Vlaamse beweging. Het zit vol citaten van allerlei schrijvers en liedjeszangers, wie dat merkt die heeft een bonus. Ik heb dat stuk over Van Wildevoorde een keer voorgelezen in een Vlaamse gemeente waar men heel erg voor Vlaams Belang was. Er was daar ook familie van hem, een nichtje, en toen heb ik gezegd dat ik het voor zou lezen, en wie kwaad wil zijn moet maar kwaad zijn, maar het is met liefde geschreven en met dankbaarheid. Hij introduceerde me in literatuur, je kunt iemand bewonderen en tegelijk denken dat je het er helemaal niet mee eens bent.
Ik wil nog terugkomen op het thema van die taalregisters in dit boek, kun je daar nog meer over vertellen?
Het boek bevat een soort encyclopedie van mijn schrijversschap. Ik beschrijf en gebruik de taal van mijn familie, vooral van mijn zus en tante, hoe die spraken en hoe ik daar dus binnen opgroeide. Ik doe daar niet wegwerpend over maar wil laten zien dat die taal in me kwam en er ook nooit helemaal uitraakte. Daarna kwam de taal van de school, van de educatie, ik geef een portret van drie leraren, dat zijn ook drie taalsoorten. Daartussen door beschrijf ik natuurlijk het jongensjargon waarmee je opgroeit en de terminologie van de erotiek, die je als jongen eerst alleen in masturbatiefantasieën formuleert. Ik neem van geen enkele van die talen afstand, maak er wel steeds hilarische sketches van, maar in de grond breng ik er steeds een eerbetoon aan. En dan ook nog de taal van het toneel. Mijn moeder stond tijdens het strijken haar rollen stond te oefenen en ik zat erbij met de scripts in mijn handen. Ik heb als jonge jongen nog op de planken gestaan, heerlijk was dat. Ik gebruik dus een taalkader om de jongen in mijn boek neer te kunnen zetten. Ik geef steeds zijn niveau van taalontwikkeling, gevoelsontwikkeling, esthetische ontwikkeling en daartussen door laat ik dus de liefde voor die andere jongen steeds opduiken. Dat is de structuur van het boek, de lijn. Daarmee werkte ik dus, ik ontdekte die lijn gaandeweg. Eerst de geschiedenissen van de dozen, alledrie bevatten die een reis en later komt er dus nog een reis, de beslissende reis naar Griekenland. Dat ging allemaal vrij automatisch. Ik zit ondertussen niet te denken dat er nu een reis moet komen omdat dat wel goed aansluit bij de compositie. Van die Griekse reis had ik al een eerder verslag gemaakt in een eerder verhaal, daar vertelde ik al over. Ergens beschrijf ik heel precies waar het verhaal over gaat, op p. 11 (leest een fragment voor): ‘En zo begint het verhaal, dat een verhaal is van reizen, kartonnen dozen en psychosomatische kwalen, en van beelden van deze drie.’ Dat heb ik er achteraf geretoucheerd in naar voren gebracht.
Hoe werkte je in de laatste fase van het boek? Lette je extra op stijl?
Ik las het niet helemaal op dat soort dingen door, dat deed ik al, ik zorgde er al voor dat iedere zin bekte. Ik wil absoluut dat het begrepen wordt, dat geldt voor mijn hele werk. Ik wil Nederlands schrijven in een Vlaamse kleur, ik wil absoluut dat het die kleur behoudt. Een woord als ‘goesting’ gaat er niet uit, al weet ik niet zeker of het in dit boek staat. Ik wil wel altijd een Nederlandse redacteur erbij maar er moet niet teveel in mijn eigen taal ingegrepen. Vervangende woorden deugen vaak niet, dan zit ik daar tegen aan te kijken en weet dat ik het zelf nooit zo zou schrijven. Ik verschil hierin met Elsschot van mening, die sloot zich toch altijd aan bij het Nederlandse idioom. Ik denk dat veel van die Vlaamse uitdrukkingen mooi en goed zijn, dat is Vlaams. Ik ben een Vlaams auteur, ik ben geen Nederlandse auteur. Natuurlijk wil ik wel weten wat echt grammaticale fouten zijn, daar ben ik heel nederig in. Ik heb iemand nodig die zegt hoe het precies in het Nederlands klinkt. En ook over de structuur van het boek heb ik zo iemand nodig. Ik herinner me bijvoorbeeld dat ik bij dit boek vond dat er na iedere kartonnen doos een witte bladzijde moest volgen en toen zei mijn redactrice o, en dat noem jij dus een structuur (lacht.) Vier dozen voor vier perioden, zoiets heb ik nodig.
Hield je je tijdens het schrijven sterk bezig met de interpretatie?
Ik weet dat dit geen Europa overspannend boek is, het gaat over een banale liefde, maar er zitten toch ook wel universele bedoelingen achter. Het mag ook niet helemaal perfect zijn, er mogen haken en ogen in blijven, dingen die een beetje vreemd zijn of overdreven, de scène bijvoorbeeld met de dolfijnen, maar dat moet ook zo. Het boek bestaat nu nog steeds voor me, dat is bij mijn hele werk zo, ik heb hele stukken uit mijn hoofd gekend omdat ik er mee rondtrok en er geld mee verdiende, daar schaam ik me absoluut niet voor. Als en boek er eenmaal is, doe ik ook mee aan de campagne erover. Ik probeerde in interviews dingen te zeggen die niet alleen over het boek gaan, ik gaf dan commentaar op politiek, op literatuur. Ik probeerde het boek destijds ook in een politiek kader te plaatsen. Ik kreeg geen enkele slechte recensie. Ik schreef er zelf doelbewust een erg slechte recensie over, om me te oefenen en ook uit zelfbescherming. Het is heel goed om dat te doen, vooral voor jonge auteurs: schrijf een vernietigende recensie over je eigen boek. Het is echt leuk jezelf af te zeiken en je boek af te zeiken, je gaat op dat moment een dialoog ermee aan. Ik kende het boek natuurlijk zelf het beste en als je het zelf bespreekt, merk je wat een knoeiers recensenten meestal zijn. Mijn recensie was veel beter. Tegenwoordig ben ik niet bang voor slechte recensies, ik kan er beter mee omgaan, ik heb er steeds minder lang last van. Ik weet nu ook dat recensies niet erg veel uitmaken. Je kunt van sommige recensies iets leren. Mijn triologie heeft men in Nederland alleen gezien als een verslag van feiten uit het verleden, als politieke commentaren, in Nederland werkt men nog altijd heel sterk met de biotoop van de hoogmoed van de autonome kunstenaar die zich verheven voelt boven het leven, die denkt dat kunst is iets dat buiten hem kan bestaan. In Vlaanderen is het heel anders gezien. Het was mijn bedoeling een tijdkader te schetsen, anders dus dan in Kartonnen Dozen. Ik wil altijd midden in de maatschappij staan, dat zie je toch ook in dit boek. Het zit vol politieke commentaren, als je het alleen leest als het verslag van een liefde zit je er naast. Ik maak kunst en ik wil Shakespeariaanse en misschien ook Brechtiaans. kunst maken. Als advies voor jonge schrijvers zeg ik: ach, ga naar buiten, loop naar het theater, beschrijf wat je op je tocht gezien hebt en maak daar theater van. Ook Medea van Euripides, behandelt voor die tijd actuele probleem. Hij neemt de kwestie op de korrel dat huwelijken tussen Grieken en niet-Grieken van de ene dag op de andere ineens niet meer mochten. Al die pleidooien van die autonomie neuroten voor de eeuwige kunst, daar heb ik problemen mee. Ik word ook helemaal gek als iemand zegt dat kunst of toneel elitair is. Baantjes bij jullie en bij ons FC de Kampioen is echt drama. Je kunt wel zeggen dat je zelf alleen houdt van autonoom theater, maar je kunt niet volhouden dat dit voor iedereen zou moeten gelden. Het beste theater, de koningsdrama’s van Shakespeare, bevatten niet veel anders dan geschiedenis die naar het volk is gebracht.

In: De Kunst van het Schrijven (zie essays)










[/b]