Wessel te Gussinklo, Aangeraakt door Goden, Uitgeverij Querido, Amsterdam, 282 bladzijden, prijs 18.95.-
ONWEERSTAANBARE WOEDE
Vroeger zaten ze ook bij mij op de middelbare school: de onhandelbare jongens. Overal van af getrapt en ten slotte toch toegelaten tot de vierde klas, waarin ik juist was blijven zitten. Ze verbleven in een Internaat, een voor mij zeer begerenswaardig instituut dat ver weg in de stad op een heuvel lag en dat, prachtige naam, De Klokkenberg heette. O, ooit, net als zij, onhandelbaar te mogen worden en dan daar te mogen belanden!
Ouwelijke jongens waren het vaak, ze gingen overdreven netjes gekleed, in kostuums waar ik ze om benijdde. Op schoolavondjes speelden ze ineens verbluffend goed piano (Debussy) en later werden ze onnoemelijk dronken, waar ik ook al geweldig jaloers op was: op weg naar huis dronken in heggen te belanden, dat leek me verreweg het hoogste van alles. Wessel te Gussinklo geeft in zijn buitengewoon geestige, hoogstaande en intense roman “Aangeraakt door goden” zo’n half mislukt genie het woord en laat hem ontroerend, snijdend en scherpzinnig oreren tot hij (en ik ook trouwens) er vrijwel bij neervalt. Schitterende zinnen levert het: ‘Maar intelligent!?- dat wilde ik al helemaal niet zijn: dat waren die jongens met brilletjes en rare stemmen en van die giechellachjes. In cafés wilde ik zitten met wijven…`
In de eerste 100 pagina`s van deze Bildungsroman beschrijft de onhandelbare ik niet alleen zijn kennismaking met en grondeloze waardering voor Sartre maar vooral zijn pogingen een aanvaardbare plaats midden in de leegte van het bestaan te bemachtigen. Tussen het gewauwel, de verveling en de prietpraat. Door ineens veel te gaan lezen, of in ieder geval net te doen alsof, meent hij te kunnen ontsnappen aan de hem bedreigende afgrond van zinloos bestaan. Sartre, Kant, Nietzsche, Jung, het maakt niet uit. ‘En als ik iets van ze las…de stroom van gedachten en beelden die in me los kwam bij de eerste zin al. Ik hoefde ze niet eens te lezen. Alleen af en toe een woord, een begrip dat ik nodig had om anderen te overbluffen.` En over
De vreemdeling van Camus schrijft hij oneindig geestig: ‘Nee lezen deed ik ook dat boek niet echt. Alleen wat bladeren: want het kon alleen maar tegenvallen.` Hoe organiseer je als beoogd mislukkeling of aankomend mislukkeling een pose van de geslaagde betweter, van de jongen die overal boven staat en die ‘het’ doorziet? Hoe ben je in staat die pose als een pose te doorzien en daarmee te leven? Daar gaat het in dit eerste deel om en Te Gussinklo is een meester in de weergave van de rationalisaties van deze jeugdige onverschrokken antiheld, die zijn aanstormende depressies probeert te bestrijden met onversneden staaltjes zelfverheerlijking, wangedrag en megalomanie. Alles om niet `gewoon` te hoeven zijn.
Er is geen sprake van dat de schrijver afstand neemt van zijn personage, naarmate het boek vordert lijkt hij er zelfs sterk mee samen te willen vallen. Dit geeft aan dit werk een authentieke lading die lang bij me bleef en nog steeds blijft rond spoken. Juist op momenten dat je verschrikkelijk moet lachen om al die zelfverheerlijkende en romantische blaaskakerij, slaagt Te Gussinklo erin je de dwingend depressieve ondertonen van zijn goddelijke pose klinkklaar voor te toveren. De leegte is zichtbaar en voelbaar, de dreigingen zijn tastbaar. In bewonderenswaardig slingerende zinnen, met terzijdes erin, tegensprekingen, volhardingen en paradoxale wendingen. Een gewone zin? Daar moet je lang naar zoeken bij deze hoogst inventieve schrijver, die woedebuien over slechte literatuur, afwisselt met tirades over het domme leven, die zichzelf, ik moet hier natuurlijk zeggen: die zijn ik `een bluffer` en een ‘snoever` noemt, en die al diens grootspraak minutieus, geestig en pijnlijk scherp ontleedt.
In het tweede deel geeft Te Gussinklo een analyse van het werk van Mulisch. Ook dit deel begint met een uitvoerige en overtuigende beschrijving van de depressieve context waarbinnen de ik zich op latere leeftijd via grootspraak en aanstellerij probeert te handhaven. ‘Kunst was het wat ik zocht, denk ik nu, kunst- en ik wist het niet. Vorm wilde ik, stijl, sierlijkheid, beheersing: de middelen even belangrijk als het resultaat. En natuurlijk: het onvoorziene; de verrassing- kunst! Kunst! Al was dan macht, en vrijheid de directe bedoeling.’ Onder andere deze uitgangspunten treft hij aan in het werk van Mulisch, vooral in Het Stenen Bruidsbed waaraan hij uitvoerige beschouwingen wijdt. Harry Mulisch als de magiër en de mysticus, dat is het beeld, nu door mij wel erg kort door de bocht geschetst, dat Te Gussinklo van diens werk geeft. Ik raakte bij de uitvoerige beschouwingen over Mulisch de onhandelbare jongen uit het begin van dit uit zijn voegen barstende werk jammer genoeg meer en meer kwijt. Hij verdween verdorie, zomaar. Te Gussinklo verstopte hem meer en meer onder de langzamerhand steeds ‘gewonere`, als ik deze term in dit verband nog mag gebruiken, interpretaties die hij op Mulisch loslaat.
Tegen het einde krijgt deze roman steeds meer de toon van een essay dat je wel overal zou kunnen lezen. Maar waar is die schreeuwende jongen gebleven, waar het gejammer van het begin, waar is naarmate het einde nadert de onweerstaanbare woede van deze heilige goden bestormer gebleven?

In: De Groene Amsterdammer 2005