Willem Jan Otten, Onze Lieve Vrouwe van de Schemering, Uitgeverij Van Oorschot, 259 blz.

De Val van Eva
Zelden heb ik zoveel strepen, uitroeptekens, vraagtekens, aantekeningen, scheldwoorden (‘gelul’) in een essaybundel gezet als in deze. Dat is natuurlijk een goed teken, ik heb me erdoor op de kast laten jagen, ik ben ermee in discussie gegaan, ik heb erover lopen peinzen en daar gaat het bij essays allemaal om. Otten probeert, wat hij al jaren doet, zijn christelijke (om precies te zijn rooms-katholieke) geloofsovertuiging, die ik niet deel, in zijn prozawerk en dichtkunst tot leven te brengen, hoe moet ik het zeggen, in te zetten, uit te dragen, te verhelderen, ook voor zichzelf.
Hij weet heel goed dat dit een riskante zaak is. Het komt erop aan, weet ook hij, als schrijver zoveel mogelijk te zwijgen over waar het je om begonnen is. Sterker nog: je moet ervoor zorgen dat je dat zo lang mogelijk ook zelf niet beseft. Anders hoor je jezelf ineens de verschrikkelijkste clichés zeggen- ‘er moet meer liefde zijn’- of ben je de zoveelste kletsmeier op de teevee die zijn roman of gedichten komt ‘ toelichten’ en in een ‘actueel kader’ zetten. Zwijgen daar gaat het om. In zijn proza en poëzie laat Otten zich dus niet al te expliciet in zijn geloofskaart kijken, niet met zoveel directe woorden tenminste, hij is zeker geen zemelaar, dat geeft er iets bevrijdends aan, en ik lees nu eenmaal graag om het gevoel te hebben dat ik even bevrijd zou kunnen zijn. Als mogelijkheid bedoel ik, niet echt, dat is net een brug te ver. Je kunt Ottens proza –en dichtwerk lezen (en waarderen) zonder je al te veel zorgen te hoeven maken of er wel aan het juiste christelijke gedachtegoed wordt vastgehouden. Ik begrijp dat dit voor een gelovige als Otten niet altijd mee valt, ik bedoel dit niet ironisch, je wilt als gelovige ook graag zendeling zijn en ik heb er dus begrip voor dat Otten in zijn essays wel alle remmen los gooit, en keer op keer pogingen onderneemt zijn werk, of dat van anderen in een rooms-katholiek geloofskader te plaatsen.

zeker weten

Ik heb me altijd verbaasd over het begrip ‘geloven’ dat christenen in verband met hun religie hanteren, daarmee begint mijn gesputter en geklaag. Er is bij hun geen sprake van ‘geloven’ in de godheid, maar van een principieel ‘zeker weten’, dat vervolgens wordt gedemonstreerd via mogelijke voorbeelden van twijfel aan dat zeker weten, waarna de conclusie volgt, vaak triomfantelijk geformuleerd, dat twijfelen niet mogelijk is en dus geen zin heeft. Otten is niet een gelovige maar een zekerweter, zijn essays bestaan eruit dat te bevestigen. Dit zet mij direct op achterstand, waar ik me natuurlijk ook voor schaam, ik ben blijkbaar te dom om tot zeker weten over te gaan, in ieder geval kijkt Otten altijd enigszins meewarig op me neer. Je ziet dat bij zekerweters wel vaker: uitsluiting van anderen, terwijl dat volgens hun eigen leefregels toch echt streng verboden zou moeten zijn, je moet als christen anderen altijd omarmen.

uitsluiting

Otten is hier geen uitzondering op, je kunt hem zelden op ruimhartigheid betrappen, altijd afgeven op niet zekerweters. Dit verbaasde me. Voortdurend hamert hij op de ‘koele’, ‘weinig passievolle visie’ van sceptici (nietweters) op kunst en leven, hij heeft het zelfs over een ‘passieloze manier om kunst te consumeren’. Hij doelt dan op abjecte figuren, zoals ik, die Nijhoff, Achterberg en Gerhardt waarderen zonder de ‘christelijke grondslag’ van deze dichters daarbij te betrekken. Hier heb ik, eerlijk is eerlijk, je gaat op de kast of niet, drie keer ‘schandelijk’ en ‘gelul’ in de kantlijn geschreven. Wat heb ik een hekel aan dit type exclusief denken! Otten schrijft dan wel en overigens terecht zeer positief over het werk van de grote dichter Guillaume van der Graft (Willem Barnard) maar demonstreert met zijn exclusieve opvatting over het waarderen van kunst dat hij van dit uitermate ruimhartige werk weinig tot niets begrepen heeft.

theoloog

Regelmatig opereert Otten als een theoloog, dan wil hij zijn ‘geloof’ een rationele basis geven, wat uiteraard altijd een probleem is. Het zou beter zijn wanneer hij schrijver bleef. In vier lezingen over literatuur die hij in Berlijn hield, probeert hij bijvoorbeeld het rooms-katholieke leerstuk van de vrije wil overeind te houden. Hij polemiseert hiermee met sceptici die volgens hem iedere vrijheid ontkennen en alleen spreken en denken in termen van determinatie door bijvoorbeeld de economie, erfelijk materiaal en de macht van de media. Het heeft volgens hem binnen een dergelijke gepredestineerde wereld geen zin om verhalen te vertellen, iedere illusie is er eentje te veel. Vrijheid van de wil is dus in de ogen van Otten een noodzakelijke voorwaarde voor schrijven. Maar die vrijheid bestaat volgens mij in ieder geval niet wanneer je de almacht van de godheid als zekerheid aanneemt. Wat een goeie rooms-katholiek toch echt doet, of moet doen. Je kunt hoog en laag springen, maar de almacht overstijgt alles, en daar ben je wel vanuit gegaan.

cirkelredeneringen

Toch probeert Otten, geheel in de lijn van rooms-katholieke theologen, die vrijheid overeind te houden en hij zet daartoe een nauwelijks te volgen betoog in dat, net als bij die theologen, van cirkelredeneringen aan elkaar hangt. Hij doet dat onder andere in een uitvoerige interpretatie van het scheppingsverhaal dat gebaseerd is op de overtreding van een gebod. Hij wil aantonen dat de hap in de appel door Eva een daad is uit vrije wil. En dan schrijft hij hoogst eigenaardige zinnen als deze: ‘Een mens wordt ze na de hap door haar vrijheidsbesef: nu weet ze wat ze had moeten willen, maar het is te laat.’ En nog gekker wordt het wanneer hij even verderop schrijft: ‘Pas tijdens de daad (Otten bedoelt de hap van de appel), het splijtende ene ogenblik waarop zij los raakt van het gebod, is zij vrij. Zo vrij als God!’ Ik heb hier echt hartelijk om gelachen. Otten als theoloog. Mij lijkt het allemaal op een misverstand te berusten. De godheid lokt met zijn verbod op het eten van de appel Eva in de val. Hij weet van te voren, je bent almachtig of niet, dat Eva van de appel gaat eten, dat is precies zijn bedoeling, hij wil de mens uit het paradijs verjagen. Eva is zijn instrument, van vrijheid is in dit verhaal geen sprake.

zelfmedelijden

Overigens kreeg ik bij lezing van deze essays toenemend het gevoel dat Ottens geloofsovertuiging nog niet erg diep is verankerd. Hij is zelf nog niet overtuigd. Zijn steeds opduikende polemische toon wijst daarop, ook zijn exclusieve manier van denken, die kenmerkend is voor de beginnende gelovige. Otten is bovendien heel goed in zelfmedelijden, bijvoorbeeld wanneer hij zich weer eens beklaagt over zijn porno-obsessie of wanneer hij bij de poëzie van Gerhardt overdreven dramatisch meldt dat die voor hem is geschreven: ‘ Voor mijn leven bedoel ik. Om mij te helpen dragen.’

grappen

Ook de moeite die hij heeft echte goeie grappen over zijn ‘geloof’ te maken wijst daarop. Al die ernst, maak jezelf toch belachelijk, zie de verwoestende grappen van Reve over het rooms-katholicisme, want iedere religie, net als poëzie en literatuur is in de grond vooral belachelijk. Ik kan erover mee praten. Hij maakt overigens wel grappen, maar hij geeft de uitleg er zelf bij, ik bedoel, hij zegt er zelf bij dat het tragische grappen zijn. Volgende keer dus ongegeneerde grappen graag over de maagd, de transsubstantiatie en de vrije wil, met verwijzingen naar de relatie tussen het geloof in Sinterklaas en het rooms-katholicisme. En met als slotzin het ongeëvenaarde sluitstuk van deze relatie: ‘wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe’.