De keizer en de astroloog

image.jpeg

De keizer en de astroloog verscheen in 2008 en telt 310 pagina's.
Korte inhoud: Simon, een pas afgestudeerde arts, wordt uitgenodigd aan het hof van Wilhelm II in Doorn. Deze laatste Duitse keizer, die na de Eerste Wereldoorlog asiel heeft gekregen in Nederland, is zeer geïnteresseerd in astrologie, een onderwerp waarvoor ook Simon een meer dan gemiddelde belangstelling koestert. Maar deze jonge net afgestudeerde arts is niet alleen in Huis Doorn om Wilhelms horoscoop te trekken. Zijn leermeester, een beroemd zenuwarts, roept zijn hulp in om de verbannen keizer te genezen van zijn wanen en dwangneuroses, waarvan obsessief houtzagen en houthakken nog wel de onschuldigste zijn. Simon raakt betrokken bij intriges aan het hof en uiteindelijk komt hij tot inzicht over zijn eigen bestaan.

Uit kritieken
de Volkskrant: 'Kees 't Hart brengt niet alleen een eerbetoon aan de schrijvende arts Vestdijk, maar perfectioneert bovenal de geschiedenis. Dat is wat literatuur vermag'.
NRC Handelsblad: 'Alles klopt, van de weerbarstige stijl en de beklemmende en schrale sfeer van de jaren twintig tot de seksuele perversies van de personages en de bijrol voor een Duits dienstmeisje.'
Scahduw Toplijst AKO Literatuurprijs: 'De wereld in deze roman is even geloofwaardig als belachelijk, tragisch en humoristisch tegelijk en zowel mysterieus als triviaal.'
Recensieweb: Magistraal metatoneelstukje aan het Doornse hof.'

Het moest mijn Vestdijk worden
Op 28 maart 2009 hield ik in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam voor de Vestdijkkring een verhaal over het ontstaan en het schrijven van mijn roman De Keizer en de Astroloog. Na afloop werd me gevraagd of ik dit verhaal, een lezing was het niet, ik had de tekst niet uitgeschreven, voor de Vestdijkkroniek zou willen samenvatten en bewerken. Deze tekst werd in de Vestdijkkroniek van 2009 afgedrukt

Ontstaan
Een jaar of vier geleden kreeg ik van het Ministerie van O C en W het verzoek voor hun huisblad Smaak een artikel te schrijven over Huis Doorn, het kasteeltje waar Keizer Wilhelm II van Duitsland, vanaf 1919 tot zijn dood in 1941 woonde. Ik was er al eens eerder geweest maar deze keer liet ik me met meer aandacht dan gewoonlijk rondleiden. Mijn vorige roman
(De Krokodil van Manhattan) was net verschenen, de periode van rouw daarover was achter de rug, er moest een nieuw boek komen. Wat een merkwaardig kasteeltje en wat een vreemde tragische man, die keizer. Toen we naar huis reden zei mijn vrouw: ‘Vestdijk woonde toch ook in Doorn’. Dat had ze niet moeten zeggen, zoals de reclame tekst luidt, dit bleef hangen. Vestdijk woonde ook in Doorn, ja. Had hij de keizer ooit ontmoet? Thuis zocht ik in Hazeu’s biografie op wanneer Vestdijk precies in Doorn had gewoond, achterin zijn boek staat een handig lijstje: vanaf 9 maart 1939 tot zijn dood in 1971. Het was dus mogelijk en de eerste fantasie over een ontmoeting tijdens een wandeling van de beide heren doemde op: gute morgen Majestät, gute morgen Herr Vestdijk. Zowel Vestdijk als de keizer wandelden graag, het kon dus. Maar het leeftijdsverschil was voor een romanschrijver als ik onaantrekkelijk, in 1939 was de keizer tachtig jaar oud en Vestdijk was 41. Wel aantrekkelijk bleef het idee een roman te schrijven waarin Vestdijk een rol speelde. Maar hoe en welke rol? Voor het O C en W artikel las ik de twee prachtige dagboeken ( Der Kaiser in Holland) die Sigurd von Ilsemann over zijn verblijf aan het hof van de keizer schreef. Hij was tot de dood van de keizer diens flügeladjudant, een soort persoonlijke assistent. Deze dagboeken zijn beklemmend, tragisch en tegelijkertijd prachtig. Wat er ook gebeurde, Von Ilsemann bleef trouw aan zijn keizer, al klaagde hij vaak over de megalomane buien en de verkeerde politieke keuzes van de keizer, diens willekeur, diens arrogantie en diens wanhoop over het vermeende onrecht hem aangedaan. Ook geeft hij een levendig verslag van de intriges aan dit kleine hof en van de zaagpartijen waarmee de keizer zijn algehele verveling probeerde te verdrijven. Von Ilsemann moest mijn held worden, dacht ik, ik besloot dat hij vriendschap met Vestdijk zou sluiten om dan te kijken wat er zou gebeuren. Ik schreef mijn artikel maar daarmee was de kous niet af, het idee bleef rondspoken en nam steeds scherpere vormen aan toen ik de zeer omvangrijke tot dan toe tweedelige biografie van de Engelse historicus John C.G. Röhl begon te lezen. Adembenemend gedetailleerde beschrijvingen van de uitermate moeizame geboorte van de keizer, hartverscheurende uiteenzettingen over de pogingen van de moeder van de keizer (de dochter van Koningin Victoria van Engeland) om het ongelukkige armpje van de keizer te genezen en diens vermeende debiliteit aan het oog te onttrekken. De uitvoerige ziektegeschiedenis van zijn moeder zelf, zijn sombere jeugd, de aanvallen van razernij, de toenemende arrogantie, zijn opvoeding en de vele, vele intriges. Alles stof genoeg om de tragiek van de keizer in een mooi licht te kunnen zetten. Ik kreeg via de bestudering van allerlei andere historische werken steeds meer zicht op de precaire positie waarin de keizer zich vanaf zijn ballingschap in ons land bevond. De grote mogendheden wilden hem terechtstellen wegens oorlogsmisdaden, maar dank zij de verfijnde politieke voelhoorns van de toenmalige minister van binnenlandse zaken, de Heer Kan (vader van de cabaretier Wim Kan) en de eigenwijsheid van Koningin Wilhelmina, bleef hij gespaard voor een vernederende uitlevering. Maar veel scheelde het soms niet, de spanning aan het hof was af en toe te snijden. De ingrediënten voor een roman dienden zich als vanzelf aan: een klein geïsoleerd hof, een gemankeerde keizer, hoffunctionarissen, intriges, een tragische adjudant. Maar hoe was Vestdijk in te passen? Dat Vestdijk erin moest, stond inmiddels vast.

Iets terugdoen
Maar hoe? Veel van mijn romans en gedichten zijn geschreven uit vormen van bewondering. Ik wil iets terugdoen voor de door mij bewonderden, ik kan ze niet zomaar in de steek laten en net doen alsof ik niks met ze te maken wil hebben. Ze hebben iets met mij te maken gehad en dus moet ik iets terugdoen. Jean Jacques Rousseau is zo’n figuur die in mijn werk terugkeert. Franciscus van Assisi is een andere, figuren uit de amusementsindustrie duiken erin op ( De Snip en Snap revue), Frank Zappa, Martinus Nijhoff, Elvis Presley, Walt Whitman. Ze kijken over mijn schouder mee wanneer ik schrijf, controleren me, schudden meewarig hun hoofd als ze het niet met me eens zijn, behoeden me voor de ergste fouten. Ze begeleiden mijn werk en af en toe doe ik iets terug. Ik schrijf voor hun en voor niemand anders. Uit een rare manier van dankbaarheid. Er valt niets aan te doen. Simon Vestdijk begeleidt mijn werk vanaf het begin. Ik bewonder zijn werk grenzeloos, schreef er verschillende keren over, ontsteek altijd opnieuw in blinde woede wanneer iemand het ‘koel’ noemt of ‘ te intellectueel’, onderstreep altijd de verborgen maar evident aanwezige emotionele onderlaag van zijn werk, de magische kracht ervan. En dus werd het tijd iets terug te doen, een eerbetoon te schijven, een werk dat altijd onder zijn beste werk zou blijven staan, maar dat toch zijn werk in de herinnering zou brengen. Dit werd de uitdaging van de roman.
In deze fase schreef ik nog niets, dat komt bij mij pas later, ik noteerde ook nog niets, ik loop altijd eerst ruim een jaar te peinzen en te piekeren. Eerst koerste ik jammerlijk af op een terugblik roman. Zo’n roman die in verschillende tijden speelt. Ik bedacht een eigentijdse jonge man, wiens grootmoeder ooit in Huis Doorn als dienstmeisje had gediend en in wiens papieren herinneringen aan deze tijd te vinden zijn. Deze jonge man was in Doorn opgegroeid en zijn ouders hadden Simon Vestdijk gekend, de bekende Nederlandse schrijver. Ik bedacht een intrigue rondom deze grootmoeder, was zij ooit de geliefde van de keizer geweest? Of van Von Ilsemann? Was de vader van de jongeman een kind van de keizer? Dit soort intriges dus, ingewikkeld, te literair, te bedacht, te flauw, tientallen keren beter gedaan en wat deed Vestdijk er precies in? Niet de echte Vestdijk natuurlijk, maar een gefantaseerde? Wat deed hij erbij? Wat moest ik er precies mee? Waar kon mijn ziel en zaligheid in gelegd worden? Ik heb me vrij lang op dit pad begeven en schreef zelfs een paar hoofdstukken rondom dit stramien. Tot het geheel doodliep. Op een mooie avond besloot ik alle onzin overboord te zetten, alles naast me neer te leggen en over te gaan op een glashelder uitgangspunt. Vestdijk werd de hoofdfiguur, hij belandt als jonge arts aan het hof van de keizer, wordt verliefd en dan zien we wel wat er verder gebeurt. Niks terug geblik, niks ingewikkeld. Vestdijk aan het hof, punt uit. Niet de echte Vestdijk, maar Simon, mijn Simon, die ik natuurlijk ook zelf was.

Problemen en oplossingen
Belangrijk plotprobleem was om op een geloofwaardige manier een jonge arts in 1926 aan het hof van een keizer te laten belanden. Het hoefde allemaal niet precies aan te sluiten bij het levensverhaal van Vestdijk, dat was het punt niet in deze roman, ik hoefde van mezelf niet letterlijk Vestdijk ten tonele te voeren, maar enig verband mocht er wel zijn. Jonge arts, geïnteresseerd in astrologie, in muziek, met literaire aspiraties, staat op tweesprong in zijn leven. Wat gaat het worden? Psychiatrie? Huisarts? Astrologie? Literatuur? Ik hou van dit type tweesprong literatuur, veel van mijn helden in vorige romans staan voor een dergelijke keuze. Maatschappelijk afhaken of meedoen? Wel of niet bij ‘ de revue’ werken, wel of niet badmeester worden in een tropisch zwembad, wel of niet in een warenhuis werken. Aanknopingspunten genoeg in de biografie van Vestdijk. Uiteindelijk kwam er dus het plot naar voren rondom de hoogleraar psychiatrie Godefroy die ‘mijn’ Simon onder valse voorwendselen naar Huis Doorn lokt. Toen dat er eenmaal was en ik erop begon te rekenen dat lezers dit konden geloven, begon de roman van de grond te komen. Ik voelde dat het zou kunnen lukken. Tweede probleem was hoe ik erin zou slagen de Vestdijk romanstijl, zijn af en aan golvende enerzijds/anderzijds stijl, in de roman op te nemen, na te volgen. Echt nadoen was geen optie, dat zou me niet lukken, dat moet ook niet lukken, letterlijk stukken overschrijven was geen optie, ertegen aan leunen wel. Vestdijk kenners zullen sommige romans hebben herkend ( Duits Dienstmeisje, uiteraard, maar ook De Dokter en het Lichte Meisje, Ivoren Wachters en veel andere romans), ik bewerkte passages, nam af en toe kleine fragmentjes over, of verwerkte ze in een eigen fragment. De woedebui van de keizer leunt bijvoorbeeld op de woedebuien uit Meneer Vissers hellevaart, maar staat daar verder los van, ik gebruikte de mentaliteit, de toon, de ernst en de humor ervan. Het meest letterlijk zijn een paar passages uit Astrologie en Wetenschap en een paar stukken uit Vestdijks bijdragen aan het astrologenblad Urania, vooral diens artikel over Mahler. Ik probeerde wel steeds de sfeer en het verlangen van Vestdijks romans op te nemen, het eeuwig onzekere, het gefnuikte, het verlangen naar het Mooie, het verlangen naar Erotiek en bedacht hiertoe allerlei scènes die de echte Vestdijk uiteraard nooit heeft meegemaakt. Simon moest een levende figuur worden, geen officieel biografiefiguur, goedgekeurd door kenners. Het moest mijn Vestdijk worden. Ook de keizer en Von Ilsemann herschreef ik tot beeldende figuren. Alles uit de grote duim gezogen. En Godefroy heeft nooit bestaan. Lang heb ik lopen peinzen of ik de depressies waaraan Vestdijk leed in de roman moest verwerken, uiteindelijk kwam ik op de mijns insziens gelukkige keuze van de ‘godjeswanen’, de min of meer neurotische aanvallen van Inzicht waaraan mijn Simon in de roman lijdt en die hem op het einde doen beseffen dat hij schrijver is. Mijn roman werd steeds meer een ‘coming of age’ roman. Ik moest me verdiepen in de geneeswijzen die destijds in de psychiatrie gebruikelijk waren, zonder dat ik daar al te wegwerpend over wilde schrijven. Kritiek op bestaande praktijken is achteraf altijd te gemakkelijk. Voordat ik de roman ging schrijven wist ik niets van astrologie. Mijn scepsis erover is ook nu nog erg groot, maar ik wilde er in de roman niet gemakzuchtig mee omgaan, geen goedkope kritiek erop leveren. Dat zou mijn roman omlaag halen. Ik las een paar inleidende boekjes erover, maar bleef toch voor een deel in het duister tasten, waarschijnlijk door mijn voortdurende scepsis. Soms moet je als schrijver geluk hebben, geluk dwing je af, zegt men. Ik vroeg op een dag in de Koninklijke Bibliotheek het boek De Astrologie, haar beteekenis en draagwijdte ( 1928) van J.C. van Wageningen aan. Ik herkende die naam, hij had in de redactie gezeten van het blad Urania, toen Vestdijk erin schreef, hij was, net als Vestdijk, arts. Ze hebben elkaar uiteraard gekend. Dit boek bleek bij wijze van illustratie van de theorie een ruim negentig pagina lange horoscoop van Keizer Wilhelm II te bevatten. Ik was uit de brand, ik nam er een paar stukken, zij het stilistisch bewerkt, uit over. Die verleenden aan mijn roman een krachtig realistische toon, de geloofwaardigheid ervan kreeg vaste grond. Want verbeelding zonder geloofwaardigheid blijft voor een romanschrijver als ik altijd krachteloos.