Joost de Bloois, Ernst van den Hemel (red), Alain Badiou. Inesthetiek: filosofie, kunst, politiek, Octavo Publicaties, 331 pagina’s, prijs 19.50

WAT KUNNEN SCHRIJVERS MET FILOSOFEN

Waarom zou je je met de Franse filosoof Alain Badiou (1937) bezig houden? Niet alleen natuurlijk omdat de laatste tien/twintig jaar veel intellectuelen en kunstenaars zich steeds enthousiaster over zijn werk buigen en zich door hem laten beïnvloeden. Zijn naam zoemt almaar luider en luider rond, valt regelmatig in beschouwingen over een nieuw elan bij ‘de’ filosofie, ‘de’ linkse beweging en ‘de’ kunst. Er verschenen vooral in Amerika veel inleidingen op zijn werk waarin de nadruk ligt op het ‘nieuwe’ van zijn ideeën. Titels als Think again: Badiou and the Future of Philosophy (2004) en Badiou: A Philosophy of the New (2010), wijzen op toenemende opwinding en grote verwachtingen. Ook in Nederland en België verschenen de laatste jaren verschillende werken in vertaling, onder andere Ethiek (2005) en Tweede Manifest voor de Filosofie (2010). Recent schreef Richard den Brabander in De Nieuwe Franse Filosofie (2012) dat Badiou ‘breekt met het gangbare weten en met de wereld zoals hij is.’ Niet gering allemaal. Joost de Bloois stelde in het laatste nummer van het Vlaamse literaire blad nY dat volgens Badiou en zijn navolgers ‘de poëzie denkt’ en dat daarin haar politieke betekenis schuilt. Poëzie denkt natuurlijk helemaal niet, pas als ik een gedicht lees, begint het denken, maar toch maakt zo’n formulering me nieuwsgierig.

filosofie en literatuur
Het net verschenen Alain Badiou. Inesthetiek: filosofie, kunst, esthetiek, bevat een aantal kenmerkende artikelen en fragmenten uit het werk van Badiou, plus enkele essays erover van Nederlandse wetenschappers en kunstenaars. Joost de Bloois en Ernst van den Hemel schrijven in de inleiding: ‘De plek die Badiou inneemt in het hedendaagse denken over kunst is al even buitengewoon als die in het landschap van de contemporaine filosofie.’ Op mij werken dit soort zinnen altijd goed uit omdat bewondering en enthousiasme het begin zijn van alles. Bovendien vind ik dat er een sterke wisselwerking bestaat, of zou moeten bestaan, tussen filosofie en (schrijf)kunst. Schrijvers (en kunstenaars) hebben filosofie nodig, al was het maar om er tijdens het daadwerkelijke schrijfwerk afscheid van te kunnen nemen zonder dat het al te pijnlijk wordt. Althusser! Wat heb ik lang met hem verkeerd, ik wist zeker dat hij al mijn schrijfproblemen zou oplossen. Foucault! Derrrida! Heidegger! Lezen maar jongen, anders wordt het niks met je. Ze voeden me, nog steeds, ze zijn noodzakelijk, ze zijn engelen die me geheimen influisteren en tegelijkertijd zijn het vliegen die om mijn kop zoemen en me van het werk af houden. Altijd die verdomde filosofen. Wat heb je eraan? Wat moet je ermee. Wat moet je met Badiou? Waarom loopt ineens iedereen achter hem aan? Waarin schuilt precies de aantrekkelijkheid van het werk van Badiou?

ongrijpbaar
In de eerste plaats is er natuurlijk het geheimzinnige ervan. Het is vrijwel ondoenlijk er een glasheldere samenvatting van te geven (net zomin als dat van Heidegger, Derrida of Lacan). Niet alleen omdat hij zo oeverloos veel produceert, maar vooral omdat hij altijd, als een volleerd magiër, goochelt met bestaande begrippen en theorieën uit filosofie, kunst, politieke theorie en wiskunde. Hij vervangt in zijn werk vrijwel alle gangbare filosofische en politieke begrippen door een eigen jargon en verbindt dat met een hoogst curieuze terminologie uit de verzamelingenleer van de wiskunde. Wie hem helemaal wil volgen moet over gedegen kennis beschikken van het werk van Plato, Heidegger, Althusser, Lacan, Derrida en moderne wiskunde. Juist dit gegoochel en zijn brede kennispalet, maken het moeilijk zijn werk te duiden, laat staan er kritiek op te hebben. Je kunt hem maar het beste op zijn woord geloven, omdat je nu eenmaal niet altijd zin hebt om uit te zoeken of hij Heidegger of Lacan etc wel helemaal goed citeert of begrijpt. Dit zou uiteraard wel moeten, maar niemand doet het en zeker niet zijn navolgers. En dus gaat hij rustig door alles met elkaar te verbinden. Badiou’s hoofdwerk L’Etre et l’evenement (1988) bevat bijvoorbeeld paginalange uitermate ingewikkelde wiskundige vergelijkingen. Voor niet of nauwelijks wiskundig geschoolden (zoals ik) geeft dat aan zijn werk iets volstrekt oncontroleerbaars, wat voor een deel bij aanhangers zeker ook de aantrekkelijkheid ervan uitmaakt. Want wat je niet kunt volgen, moet wel waar zijn, anders kom je zo dom over, dus kun je het daar beter niet over hebben. Ook Bloois en Van den Hemel zijn blijkbaar niet wiskundig geschoold, ze gaan zeer summier in op Badiou’s wiskundige uitweidingen. Het komt er ongeveer op neer dat Badiou een paradox uit de verzamelingenleer naar esthetische en politieke theorieën verplaatst. Deze paradox demonstreert de onbeslisbaarheid van wat wel of niet tot een verzameling hoort. Volgens Badiou is veel binnen de politieke en esthetische theorie net zo onbeslisbaar als in de verzamelingenleer en juist die onbeslisbaarheid zou ons hoop kunnen bieden op revolutionaire veranderingen.

evenementen
Badiou beweert dat er in onze maatschappij vier gebieden zijn waar nog niet alles ‘beslisbaar’ of ‘beslist’ is: wetenschap (vooral wiskunde), kunst, politiek en liefde. Daar bestaat nog ‘waarheid’, die bij Badiou gegrondvest is in ‘de Idee van het Communisme’. Niet in het historische communisme, haast hij ons keer op keer te verzekeren, dat moeten we verwerpen, al klinkt af en toe in zijn werk nostalgisch verlangen door naar het begin van de Russische revolutie. In uitvoerige studies over Plato probeert hij aannemelijk te maken dat diens begrip van ‘De Idee’ iets ander is dan de Badouiaanse ‘Idee’. Wat bij Plato star is en invariabel, wordt bij Badiou iets dat zich steeds aan ons onttrekt: geen vaste waarheid, maar een ‘waarheidsprocedure.’ Alleen in de genoemde vier gebieden kunnen ‘waarheidsprocedures’ maatschappelijke veranderingen tastbaar en voelbaar maken. Badiou spreekt in dit verband niet over revoluties, maar over ‘evenementen’. Hij probeert aannemelijk te maken dat je die vier gebieden scherp van elkaar kunt onderscheiden. Politiek is bij hem een ander gebied dan kunst en van kunstenaars wordt (dus) niet verwacht dat ze actief zijn in het gebied van de ‘politiek’, ze moeten zich op hun eigen terrein manifesteren. Bloois en Van den Hemel formuleren het zo: ‘Badiou is allergisch voor de (post) romantische beweging die het politieke laat samenvallen met de kunst’. Vandaar dat Badiou het werk van schrijvers en kunstenaars verdedigt die niet willen communiceren of geen ‘betekenissen willen uitwisselen’. Aan de ene kant vind ik dit een aantrekkelijk idee, je hoeft dus als schrijver niet meer direct politiek geëngageerd te zijn, maar het is wel zwaar teleurstellend dat Badiou vervolgens komt aanzetten met analyses van kunstenaars waarover zo ongeveer alle filosofen uit alle richtingen altijd al de mond van vol hebben (en elkaar erover napraten): Mallarmé, Celan, Beckett, Kafka, Rilke, Schönberg etc etc. Waarbij hij dan vooral op het programmatische van hun werk wijst, wat zijzelf uiteraard juist altijd zoveel mogelijk aan het oog probeerden te onttrekken. Lezen, luisteren naar muziek houdt bij filosofen overigens blijkbaar op na 1960, ook bij Badiou. Gelukkig niet bij de Nederlandse componist en dichter Samuel Vriezen die aan de bundel bijdroeg met een glashelder artikel over de muziekpraktijk van John Cage. Vriezen stelt zich gelukkig onbevangen kritisch op tegenover Badiou zonder hem helemaal af te vallen.

kritiek
Er valt veel in te brengen tegen Badiou’s opvattingen. Helaas doen Bloois en Van den Hemel geen enkele poging tot kritiek. Juist een filosoof waarvoor je zo hartstochtelijk pleit, zoals zij doen, moet tegen een stootje kunnen. Alleen dan kun je voorkomen dat je bewondering en enthousiasme uiteindelijk niet meer zijn dan blinde idolatrie. Af en toe gaat het bij hun die richting op. Steeds beweren ze bijvoorbeeld dat Badiou zaken ‘aantoont’. Hij ‘toont aan’ dat de crisis in het marxisme groot is, hij ‘toont aan’ dat het kapitalisme ons te gronde richt etc etc. Maar Badiou toont niets aan, hij beweert veel, dat wel, hij fabuleert, hij hamert op steeds hetzelfde aambeeld, hij probeert van alles aannemelijk te maken, hij slaat overal een slag naar, maar aantonen ho maar. Soms krijg je bij deze inleiders het gevoel dat je aan tafel zit bij een vergadering van het Centraal Politbureau in de jaren twintig in Moskou. Ze laten Badiou regelmatig ‘resoluut’ een of ander standpunt innemen. ‘Op politiek vlak verwerpt Badiou dan ook resoluut de parlementaire democratie ten faveure van ‘de Idee van het Communisme’’. Hierover schoot ik echt in de lach. Waar las ik dat allemaal ook alweer eerder: de-arbeidersklasse-dient-resoluut-stelling-te-nemen-tegen-de-sociaaldemocratie. Agit Prop porno noemden we dat vroeger. Daar komt bij dat de inleiders nergens vragen stellen, hoe voorzichtig ook, over Badiou’s cirkelredeneringen rond zijn ‘Idee van het Communisme’. Je hebt volgens hem dus eerst de Idee hierover en dan moet je daar vervolgens trouw aan zijn in je eigen gebied. Maar hoe kun je dit Idee hebben als je niet eerst iets over het historisch Communisme weet? Maar dat moesten we nu juist van hem verwerpen.

personificaties
Bloois en Van den Hemel gaan bovendien kritiekloos om met Badiou’s filosofische stijl. Hij heeft sterk de neiging filosofie, kunst, en politiek te personifiëren. ‘Kunst construeert op een abstracte manier de zichtbaarheid van dit niet-bestaan’, schrijft hij ergens. Kunst construeert? Is kunst dan een of ander ventje? Hoe bedoel u? ‘En zo is ook de kunst er altijd al, en stelt ze de denker de stilzwijgende, fonkelende vraag van haar identiteit. Maar omdat ze voortdurend van gedaante verandert en zich opnieuw uitvindt, toont ze zich ook altijd ontgoocheld door alles wat de filosoof over haar te melden heeft.’ Kunst stelt de vraag? Kunst toon zich ontgoocheld? Wat is dit toch voor geklets! Badiou stelt de vraag, Badiou is ontgoocheld en hij probeert dat met deze literair-retorische truc in de mond van ‘de’ kunst te leggen. Zijn teksten worden er warrig door, abstract, onnavolgbaar, nietszeggend, je krijgt steeds het idee dat hij niet wil dat we hem kunnen volgen. Bloois en Van den Hemel nemen deze stijlfiguur zelfs in hun inleiding aan de lopende band over. Hierboven noemde ik er al een over de ‘denkende poëzie’. Nog een paar voorbeelden: ‘Hoe de filosofie zich te laten verhouden tot het uitzonderlijke denken van de kunst zelf’. Het denken van de kunst zelf? Wat bedoelen ze? En wat is toch het verschil tussen ‘kunst’ en ‘de kunst zelf ‘? ‘Het radicaal nieuwe richt zich tot iedereen’. Huh? ‘In alle gevallen wordt hier over, namens of met gebruikmaking van de kunst nagedacht, maar nooit met de kunst zelf.’ Nadenken met de kunst zelf?

wiskunde
Ook op principiële filosofische kwesties gaan de inleiders niet in. Alan Sokal en Jean Bricmont maakten in Impostures intellectuelles (1997, in Nederland vertaald als Intellectueel bedrog ) op rustige toon gehakt van analogieën tussen wiskunde en maatschappelijke verhoudingen, waar ook Lacan, Kristeva, Guattari en Deleuze zich regelmatig van bedienden. Ze lieten overtuigend zien dat a. de wiskundige kennis van deze filosofen op weinig tot niets berustte en b. dat er geen sprake kan zijn van een belangwekkende analogie tussen wiskundige formules en maatschappelijke verhoudingen zonder dat je die analogie aannemelijk probeert te maken. Badiou komt jammer genoeg niet prominent in hun boek voor omdat zijn hoofdwerk destijds nog niet was verschenen. Wel maken de schrijvers zich vrolijk over een passage uit een vroeg werk van Badiou, Théorie du Sujet (1982), waarin hij uitermate opgewonden goochelt met allerlei half of helemaal onbegrepen begrippen uit de wiskunde. In Frankrijk liep de hele filosofenwereld tegen dit boek te hoop. De schrijvers werden uiteraard weggezet als reactionaire loopjongens van het kapitaal, maar in het voorwoord bij een latere druk stellen ze fijntjes vast dat ze in de aanvallen op hun werk geen inhoudelijke weerleggingen van hun argumenten en analyses waren tegengekomen. Wat had ik deze twee graag aan de slag gezien met Badiou’s hoofdwerk! Bloois en Van den Hemel hadden op deze kwestie in moeten gaan. Ze gaan helaas ook niet in op het voortdurend in Frankrijk opduikende debat rond het antisemitisme van Badiou. In 2005 stonden kranten en weekbladen vol met woedende reacties over Badiou’s curieus geschrift: Portées du mot “juif” (in Nederland vertaald als: Het woord ‘jood’). En dan heb ik het nu nog maar niet over zijn anti-Amerikanisme dat te pas en te onpas opduikt en zijn adembenemend gekoketteer met zijn maoïstische verleden.

geen vergezicht
De vraag is natuurlijk waarom ik me hierna nog met Badiou zou moeten bezighouden. Het gaat me niet eens om de bezwaren tegen zijn werk die ik hierboven noemde. Wat maakt dat allemaal uit! Schrijver wil ik zijn, geen filosoof. Het gaat in de (schrijf)kunst om ruimte, om ademhalen, om perspectief en vergezichten. Om de vrolijkheid of de verschrikkingen van het verlangen, om het nu ook maar eens te zoeken in warrige metaforiek. Bij Badiou krijg ik dat gevoel nooit. Hij probeert me altijd een stap voor te zijn. Me klein te houden. Ik krijg bij hem het gevoel dat het hem om iets anders gaat. Om macht. Zodra hij de kans krijgt, stel ik me voor, is hij voorzitter van allerlei samenzwerende kleine groepjes die mij de lucht uit de longen willen persen. Dat gevoel heb ik nooit bij iemand als Derrida. Bij hem hangt in en rond zijn werk altijd de sfeer van de kermisklant en het vaudeville theater. De bokstent. Bij hem kun (kon) je lachen en huilen. Bij lezing van Badiou zet ik een sombere kop op en lijkt het me totaal uitgesloten dat ik ooit een ongegeneerd meesterwerk zal kunnen schrijven.

in: De Groene Amsterdammer 23 januari 2013