Waxinelichtjes naar de Gouden Koets gooien
(pleidooi voor querulantenproza)

Voorbeeld 1. In 1904 verscheen bij het Insel Verlag in Leipzig een merkwaardig boekje, Fritz Kochers Aufsätze, geschreven door de 26-jarige Robert Walser (ik las het in de vertaling van Jeroen Brouwers). In de inleiding meldt de schrijver dat hij de moeder van Fritz met enige moeite wist te bewegen deze opstellen voor publicatie af te staan. ‘Ze zullen velen op veel plaatsen onjongensachtig en op vele andere plaatsen maar al te jongensachtig voorkomen’, schrijft hij. Het boekje bevat twintig ‘opstellen’ van de scholier Fritz, met uiteenlopende titels als ‘De mens’, De herfst’, ‘De school’, Beleefdheid’, ‘Armoede’ en ‘Het Vaderland’. Alleen die titels al! Onvergetelijk geestige stukken zijn het, maar je moet het wel willen zien. Je kunt, als je niet oplet, gemakkelijk over de vele wonderbaarlijke en merkwaardige waarnemingen, stellingnames en opmerkingen heen lezen. Dit is querulantenproza van de allerhoogste kwaliteit. Een betere term weet ik voorlopig niet. Dit proza doet niet mee en het geeft iedereen gelijk, het schuurt, het stelt alles ter discussie, maar het wil niet discussiëren. Het bevestigt niets maar ondervraagt alles. Het vanzelfsprekende is in dit proza ver te zoeken, tenzij je alles vanzelfsprekend vindt. De zinnen en beelden erin zetten zichzelf steeds op de tocht. Ze spreken niet mee, maar tegen, zonder het te willen. Dit is het wonderbaarlijkste proza dat ik ken.

Het beste is, zou je zeggen, om als schrijver Walser na te volgen, maar dan ben je geen querulant, maar een na-aper en de ware querulant aapt niet na. Hij weet niet eens wat na-apen is. De querulant-schrijver doet. ‘Don’t do this at home’, zo had de titel van dit artikel moeten luiden. En toch, en toch, zo moet het. Wil mijn schrijfkunst overleven dan moet het deze kant op. Walser is voor mij een voor-beeld, niet om na te apen, maar om als beeld te gebruiken dat aan mijn beelden, mijn prozabeelden, vooraf gaat. Walser gaat vooraf aan de theorie. Zo moet proza zijn. Walsers proza spreekt met twee woorden, het verschijnt in een net pak of nette jurk op het werk en vervolgens doet het op de verkeerde momenten een tegenvoorstel. Ik probeer de querulant-schrijver, zoals hierboven, zoveel mogelijk in beelden te vangen, bij een andere strategie ontglipt het me.
Ik verlang naar dit proza, ik verlang naar ‘Robert Walser’. Keer op keer probeer ik het uit en op een dag gaat het me lukken, ik weet het zeker. Het mòèt me lukken want het is erop of eronder. Maar als het me ooit lukt, zal ik er tegelijkertijd niets over kunnen en mogen zeggen, want de ware querulant zwijgt over zijn querulantie. Hij heeft gewoonweg geen idee. In interviews zegt hij altijd dat hij mooie boeken schrijft. Of hij vertelt over zijn jeugd. De querulant-schrijver praat of schrijft nooit in algemene termen over zijn werk. Hij of zij heeft het nooit over ‘de’ literatuur of dat ‘wij’ schrijvers beter dit of dat zouden moeten doen. De toekomst van ‘de’ literatuur interesseert hem of haar niets. Wie daar in algemene termen over schrijft is in zijn ogen verloren. Alleen zijn eigen toekomst als schrijver interesseert hem maar daar zwijgt hij over. Vandaar dat hij altijd zijn eigen glazen ingooit.

De laatste twee zinnen van Walser’s ‘inleiding’ staan in mijn hart gegrift. Wat moest ik daarom lachen toen ik ze de eerste keer las. ‘Adieu, m’n kereltje! Adieu, lezer!’ Het staat er zo onschuldig, net na dat ontroerende ‘Adieu, m’n kereltje’. Maar ‘Adieu, lezer’, kan ook gelezen kan worden als: ‘rot op, lezer’. Zoekt u het maar uit, lezer.
Neem de eerste zin van het opstel ‘De mens’: ‘De mens is een fijngevoelig wezen.’ Al gelijk bij mij een lachbui terwijl het niet zeker is of Walser daar op uit was. Is Walser een komiek? Is dit ironie? Of meent ie het? In Walserproza weet je het nooit zeker. Hij gebruikt de taal van de onweerlegbare vanzelfsprekendheid, de evidentie (‘de mens is…’, ‘het leven is…’, ‘de vrouw is…’), waardoor je direct gaat zitten denken aan het tegendeel. Hij parodieert, zonder het erover te hebben, de algemeen aanvaarde taal van het geloof (in alles) en de filosofie. De mens dit, de mens dat. Het leven zus, het leven zo. De vrouw, het kind, het leven, de man, de vrede. Hij ondergraaft vanzelfsprekendheid niet door erover te reflecteren, maar door haar te gebruiken. Want hij weet: zodra je de querulantie in je proza benoemt, ben je geen querulantenschrijver meer. Querulantie wil verborgen zijn, ze ontkent zichzelf en spreekt vanuit een kelder op de toonhoogte van een mier. Walser verklaart niets over ‘zichzelf’, hij geeft niets prijs, hij doet, hij zet in, hij ondergraaft vanzelfsprekendheid door haar te tonen. De querulantenschrijver kan niks doen aan wat hij schrijft, hij doet het. Maar hoe kun je ervoor zorgen dat je als ‘gewone’ schrijver niks kunt doen aan wat je schrijft? Dit is de paradox waar ik uit wil komen. ‘Gewone’ schrijvers, zoals ik, hebben de neiging over hun werk te reflecteren, wat ik in dit artikel doe, waarmee ze dus voor ze het goed beseffen in de valkuilen van de evidentieliteratuur vallen.
Dit is geen querulantenartikel omdat het veel te opzichtig over querulantie reflecteert. Ik blijf, terwijl ik dit schrijf, met lege handen staan. Ik ben er weliswaar, tegen beter weten in, aan begonnen maar zou nu zo snel mogelijk moeten stoppen, wil ik kans van slagen hebben. Mijn artikel vraagt zich af waar je toelatingsexamen voor schrijfquerulantie kunt doen en wat de exameneisen zijn. Maar er is geen querulantenopleiding. Je hebt alleen voorbeelden en de sprong in het diepe. De querulantschrijver verbergt zijn strategie zo lang mogelijk. Hij zegt altijd dat er geen strategie is. De moderne querulant schrijft heldere zinnen en zet ze in een herkenbaar kader. Wat je neerzet, moet je kunnen zien. Pas dan begint het schrijven. Aan experimenteel schrijven heeft hij een hekel.

Neem de volgende twee zinnen uit Walsers ‘opstel’: ‘Hij heeft slechts twee benen, maar een hart waarin een leger van gedachten en gevoelens zich op zijn plaats voelt. Men zou de mens met een mooi aangelegde lusthof kunnen vergelijken, als onze meester dergelijke toespelingen zou goedkeuren.’
Wat een merkwaardig dubbelzinnige zinnen. Alles is dubbelzinnig of raar, of net ernaast. ‘Hij heeft slechts twee benen.’ Wat een ongehoord gekke zin. Weer zo’n vanzelfsprekendheid waar je het beter niet over kunt hebben omdat wij inderdaad twee benen hebben. Maar wat doet dat ‘slechts’ in deze zin? Alsof Fritz bezwaar maakt tegen het hebben van twee benen. De mens heeft er slechts twee, waarom niet drie of vier, suggereert hij. Fritz heeft dus bezwaar tegen iets waar je geen bezwaar tegen kunt hebben. Omdat je direct ongelijk hebt. Wie tegen twee benen bezwaar aantekent, is gek, of half gestoord. Of een querulant. En vervolgens dat ‘maar’, dat aan het hebben van een hart verbonden is. ‘De mens heeft slechts twee benen, maar een hart’. Dus er is volgens Fritz een tegenstelling tussen het hebben van twee benen en een hart. Dat ‘hart’ is overigens ook al vreemd. Gedachten en gevoelens zijn volgens de in literatuur gestandaardiseerde metaforiek altijd in verschillende lichaamsdelen geplaatst: je hebt een hoofd vol gedachten en een hart vol gevoelens. En let op de metaforiek van ‘het leger’ wanneer Fritz het over gedachten en gevoelens heeft. Om maar te zwijgen van dat totaal op hol geslagen beeld van een lusthof. De mens als lusthof? Wat is dit voor rare praat? ‘Als onze meester dergelijke toespelingen zou goedkeuren.’ Maar waarom zou de meester dat niet willen goedkeuren? Wat is precies zo gewaagd aan het beeld van een lusthof? Of schaamt Fritz zich hier plotseling omdat, zonder dat hij het wil, ineens ‘lust’ zijn betoog binnenkomt? De mens is een lusthof, een hof van lust. En daarom moet de meester het eerst goedkeuren.
Wie of wat is die Fritz precies? Een naïeve scholier, een doortrapte schurk? Een betweter? Ouehoer? Is dit ironisch proza? Nee, het ontstijgt de ironie, omdat ironie altijd tegelijkertijd reflecteert. Dit is contaminerend proza, het haalt alles overhoop en door elkaar. Het ziet tegenstellingen waar niemand die ziet, het verbindt zaken waar niemand verbanden ziet en het zet de banaalste vanzelfsprekendheden binnen de kortste keren op de tocht. Zonder het te willen, zo lijkt het. Dit proza doet, het wil niet. Het zeurt, het keert om, het haalt de dingen door elkaar, het krabt aan vanzelfsprekendheden onder het mom dat het ze verdedigt.

Wat zou ik graag dit soort proza schrijven! Zo moet het, wil literatuur overleven. Ik bedoel, wil mijn literatuur overleven. Ik wil proza uitproberen dat bol staat van scheefpraat, zeurpraat, contaminaties, omkeringen, stennismakerij zonder stennis. Proza waar schimmel op zit, waar een lachbui in rondhangt, waar de paradoxen als vogeltjes in rondzwermen. Proza dat waxinelichtjes naar de Gouden Koets gooit. Er moet een vreemde geur in hangen, al lijkt het op gewoon proza dat van A naar B gaat en van de wereld een vanzelfsprekend schaakbord maakt. Proza waarin niets zeker is. En dat zo helder mogelijk geformuleerd is. Niet de zinnen moeten door elkaar gehaspeld, maar de vanzelfsprekendheden. Proza dat als een kwispelend hondje op me afkomt en daarna aan mijn broekspijpen begint te hangen. Mag je lachen? Is het zo bedoeld? Is het bewust zo bedoeld? Waar komt dat hondje vandaan? Kinderen die willen, krijgen op hun billen, zei mijn moeder vroeger. De querulantschrijver probeert niets te willen.

Nog meer beelden. In querulanten proza worden de gelukkigen gelukkiger en de ongelukkigen ongelukkiger. Is vrede een vorm van oorlog en oorlog het mooiste wat er is. Querulantenproza is altijd de ironie voorbij. Querulantenproza vraagt om toestemming. Vindt u het niet erg dat ik dit opschrijf? De stemming is in dit proza altijd opgewekt, het leven een droom, de bedoelingen zijn glashelder al weet je niet wat bedoelingen zijn. In querulantenproza krijgt de bruid de bruidegom en de bruidegom de bruid. En de mensen sterven en zijn niet gelukkig. En daarna toch weer wel. ‘De mens is gelukkig.’ Zo luidt de eerste de beste zin van dit proza. En de laatste zin moet altijd luiden: ‘want de mens moet gelukkig zijn.’
De querulantenschrijver is meestal een veelschrijver omdat hij een hekel aan pretenties heeft. Hij heeft niet één doel, maar honderden, liefst duizenden doelen. Bovendien drijft de angst hem voort dat hij ooit uitgeschreven raakt. Hij wil altijd naar de bekende weg vragen. De verdediger van querulantenproza, zoals ik, verdedigt de veelschrijver. Georges Simenon (schreef meer dan 300 boeken), Barbara Cartland (ruim 700), Robert Walser (duizenden pagina’s), Daniel Defoe ( honderden boeken), Herman Brusselmans (bijna 80 boeken), Edgar Wallace (200 boeken), William Wallace Cook (600 boeken), Jan en Paul Nowee (64 Arendsoogboeken), Jacq Vogelaar (tientallen boeken, honderden essays). Wat zou ik graag veelschrijver zijn: feuilletons, oorlogsromans, pornoboeken, voetbalboeken, kookboeken. Het maakt de querulantschrijver niets uit. Hij of zij wil niets betekenen en demonstreert dat keer op keer in het volgende boek. Hij is er niet bang voor een saai boek te schrijven, of steeds hetzelfde boek over liefde en geluk. Hij vindt dat het saaie boek nog altijd beter is dan het boek dat meetelt, dan het boek dat ‘de’ geschiedenis of ‘de’ nieuwste filosofie zo fraai in scène zet, dan het boek dat ‘de’ rancune van de mens celebreert. Hij celebreert alleen zichzelf en daarom faalt hij. Met succes.
Het beslissende kenmerk van querulantenproza blijft dat je het er nooit over kunt hebben zoals ik hier doe, omdat je dan de uitgangspunten ervan op de tocht zet. Walser reflecteert nooit op zijn geschriften, heel af en toe in brieven, maar dan moet je ernaar raden. Hij zegt er niets over, hij schreef gewoon. Ongewoon. Het ongewone was bij hem gewoon geworden. En precies dat is het kenmerk van de querulant. De prozaquerulant is verloren in zichzelf, hij of zij leeft in het boek, hij analyseert niet maar schrijft, hij stelt vragen, ondergraaft alles maar altijd heeft hij of zij het idee alleen zichzelf te ondergraven. Hij wil altijd ongelijk krijgen en krijgt het ook. De anderen hebben gelijk. Hij doet liever niet mee en daarom doet hij mee. ‘I would prefer not to,’ zegt hij. En daarom doet hij het. De querulant offert zich op zonder te weten waarom, voor wie en met welk doel. Niet voor niets dat Walsers romanfiguren vaak (huis)knechten zijn die zichzelf wegcijferen. De querulant probeert niets te bereiken en streeft daar hartstochtelijk naar. Hij is alleen geëngageerd met zichzelf, hij is zijn eigen avantgarde en de enige voorman van zijn generatie, de voorman van zichzelf. Hij kan het niet laten en bestrijdt dat. Schrijven is voor hem of haar geen redding maar een offer. Dat is het wat hem op de been houdt. Hij of zij is querulant omdat het een kwestie van ademen is. Van masturbatie.

Voorbeeld 2. Op 20 februari 1843 gaf ene Victor Eremita in Kopenhagen het reusachtige boekwerk Enter/Ellen uit, bij ons vertaald als Of/Of. Ruim 700 pagina’s grabbeltonproza. Essays, een roman, spreuken, verhandelingen, ontboezemingen, filosofische analyses. Pas een paar weken later werd bekend wie het geschreven had: Sören Kierkegaard, theologisch student, zoon van een handelaar. Hij was toen 29 jaar oud en het hek was van de dam. In twaalf jaar (hij stierf op 11 november 1855) publiceerde hij, vaak onder andere namen (kenmerkend voor de querulantschrijver) een reusachtige hoeveelheid boeken, met titels als De Herhaling, De Ziekte tot de Dood, Filosofische Kruimels, Opbeurende Toespraken, Wat De Liefde Doet, Vrees en beven.
Wat dachten de Denen destijds toen ze zijn eerste werk lazen? Wie kon het volgen? Iedereen wist dat er een nieuwe ster aan het firmament verschenen was, maar wie of wat was die ster precies? Wat was de bedoeling? Een vriendin van Hans Christiaan Andersen schreef hem een zeer treffende brief: ‘Een nieuwe literaire komeet is aan de hemel verschenen, zwanger van onheil en brenger van onheil. Het boek is zo demonisch dat je het steeds opnieuw weer leest, je legt het ontevreden weg, maar altijd weer krijgt het je te pakken’ (geciteerd in de inleiding van Andries Visser bij de Nederlandse vertaling van Of/Of uit 2007). Net als Walser, dacht ik erbij toen ik het las. Want de ware querulant wil je niet lezen, je hebt een hekel aan zijn pedanterie en zijn bedekte hoogmoed en daarom lees je hem (of haar). Omdat het moet.
Eén ding ontdekten de beginnende Deense lezers (en de latente querulant in mij) van dit proza al spoedig. Er was (en is) nauwelijks beginnen aan om Kierkegaards duizelingwekkende buitelingen rond religie, filosofie en maatschappelijke zekerheden te volgen. Het is nog steeds halsbrekend proza waar je uren in rond kunt dwalen en dan nog de dingen niet op een rijtje kunt zetten. En overnieuw moet beginnen. Wat zegt hij hier? Welke cirkelredenering spant hij voor zijn karretje? Of ben ik de cirkelredenering? Querulantenproza van de eerste orde. Wie querulant wil worden of blijven, dient na Walser met Kierkegaard door te gaan. Leer bij hem om alles op de toch te zetten.
Neem bijvoorbeeld in Of/Of de weerlegging van het Idee dat er één eerste liefde is. Want als je beseft dat ‘dit’ je eerste liefde is, dan moet je vooraf geweten hebben wat dat is: een eerste liefde. Maar als je dat weet, dan moet aan dat besef ook weer een besef van ‘eerste liefde’ zijn voorafgegaan. De eerste liefde bestaat dus niet, of het moet de liefde tot God zijn. Of neem zijn redenering over het onderscheid tussen de ‘aanleiding’ om een roman te schrijven en de roman zelf. ‘Zonder aanleiding gebeurt er eigenlijk niets, en toch heeft de aanleiding part noch deel aan de gebeurtenis.’ En even verderop: ‘In de idee kan de hele werkelijkheid kant en klaar voorhanden zijn, zonder de aanleiding wordt ze nooit werkelijk.’ Uiteindelijk concludeert hij (uiteraard) dat de vaak toevallige ‘aanleiding’ tot de roman belangrijker is dan de roman zelf. Handen in het haar. Wat moet je hiermee? Wat moet je met zijn aangrijpende en tegelijk doldwaze verdediging van Abraham’s offer van zijn zoon Isaäc (in Vrees en beven).Wat moet je met zijn weerlegging van het begrip herhaling in het meesterwerk De Herhaling. Keihard lachen. Wat moet je met Kierkegaards steeds terugkerende preoccupatie met ‘gelukkig zijn’. Niet met ‘belangrijk’ zijn, maar met ‘gelukkig’ zijn. De mens moet gelukkig zijn. Dat drijft Kierkegaard voort en voort. Ook al was dat streven bij hem aanleiding tot het diepste ongeluk.
Kierkegaards werk is een handboek voor de querulantschrijver. Later hebben de duizenden samenvatters en interpreteerders ervan het uiteraard terug gebracht tot een optelsom van meningen en indelingen. Tot het belang ervan. Kierkegaard bedoelde dit, Kierkegaard bedoelde dat etc etc. Hij was een existentialist, hij was een proto- postmodernist. Etc etc. Hij deelde het mensenleven, om nog maar iets te noemen, in drie fasen in: een esthetische, ethische en religieuze fase. Ik buig mijn hoofd deemoedig voor dit soort indelingen, die hij zelf altijd tegensprak. Iedereen heeft altijd gelijk, zeg ik met Kierkegaard, behalve ik.
Maar wie hem leest om hem te ‘snappen’, om hem in te delen, om hem van ‘belang’ te voorzien, om hem als profeet te zien, ontdoet hem van zijn glanzende querulantie, die bijvoorbeeld de christelijke godsdienst noodzakelijk achtte juist omdat je er niks aan hebt. Ieder snappen, iedere indeling van Kierkegaards werk is verdacht. ‘Een grapjas heeft gezegd dat je de mensheid kunt indelen in officieren, dienstmeisjes en schoorsteenvegers. Die opmerking is naar mijn idee niet alleen geestig, maar ook diepzinnig. Er is een groot speculatief talent voor nodig om een betere indeling te geven. Als een indeling niet op ideale wijze haar onderwerp dekt, dan moet je de toevallige op alle manieren de voorkeur geven, omdat die de fantasie in beweging zet.’ Alle vanzelfsprekendheden komen bij hem op de tocht te staan. Zijn werk is op te vatten als een grote, aanhoudende, verwoestende en aangrijpende poging het evidentiedenken van Hegel (dat tot in onze tijd het dominante denken is) te weerleggen. Te vergiftigen, kan ik hier beter zeggen. De schrijverquerulant vergiftigt, hij vernietigt niet.
Kierkegaard lees je om hem niet uit te hoeven lezen, of in te hoeven delen. De schrijver die querulant wil worden (zoals ik) dient hem te lezen om te schateren over zijn doortrapte zelfmedelijden rond zijn mislukte huwelijksaanzoek, om te huiveren bij zijn radicale totaal onleefbare christelijkheid, om te genieten van zijn metaforiek. Lees hem om zijn redeneringen, zijn superieure zinnen, zijn invallen, zijn spotternij, zijn metaforiek, zijn omkeringen, zijn voorkeuren voor de contaminatie. Lees hem om tijdelijk stil te kunnen staan bij zijn ‘stilte van het ogenblik.’ Dat het daarom gaat. Om te kunnen snappen dat het daar tegelijkertijd niet om gaat, omdat het ogenblik waar het om gaat direct al voorbij gegaan is. Je leest hem om in te zien dat hij het banale altijd verdedigt, niet alleen in zijn christelijke werk waarin hij het banale van de historische figuur Jezus steeds benadrukt. Maar hij verdedigt het ook in literatuur. In A Literary Review (een behoorlijke Nederlandse vertaling ontbreekt nog) bespreekt hij bijvoorbeeld twee tamelijk onbenullige romans van een nu allang vergeten Deense schrijfster. Hij heeft het niet over de ‘betekenis’ ervan, niet over de kern, niet over wat de schrijfster wilde en of ze een belangrijke rol in de Deense literatuur speelde, maar over het banale van de familieverhoudingen erin. En hij juicht de roman toe omdat hij juist in het banale uitblinkt.
Kierkegaard verdedigt altijd het onverdedigbare, altijd. Zijn geschriften zijn even vaak oersaai als scherp en direct aansprekend. Hij verdedigt het Huwelijk en verwerpt de Liefde en de Eerste Liefde. Hij pakt altijd het Vanzelfsprekende en het Hogere aan. Of keert het om, of verklaart het banaal. Lees zijn hoogst curieuze betoog over ongelijk hebben dat als volgt eindigt: ‘En dus is het opbouwend altijd ongelijk te hebben, want het oneindige bouwt de mens op, het eindige niet.’ Zou rechtstreeks uit een opstel van Robert Walser kunnen komen.

Voorbeeld 3. Voor de leerling-querulant is het nu echt verreweg het beste er verder het zwijgen toe te doen. Ik moet aan de slag. Laat de querulantie slapen in de kelders van het onbewuste. Laat ze zich verborgen houden en onbespreekbaar blijven. Kijk, daar werkt ze, ik kan het niet toch laten, in ‘Brief an den Vater’ uit 1919 van Franz Kafka. Kijk naar de tegenspraak en de parodie, die geen parodie is maar ernst. Dit is een querulantentekst. Aan de lopende band schateren. Dit is geen ‘spontane’ brief, of een gekweld betoog van een vernederde zoon (zoals het in de Kafka-interpretatie altijd ‘gezien’ is) maar een doortrapte komische act voor twee heren. De mop van de zoon die zijn vader haat, verteld door een droogkomiek. Compleet met overdrijvingen, aanstellerij, valse bescheidenheid, afgewisseld met grootspraak, rare rationalisaties, krompraat, gehamer op steeds hetzelfde. Wat een schitterend zelfmedelijden van de verteller! Het loopt totaal de spuigaten uit. Hij zwelgt er zo erg in dat je er jezelf kapot om gaat lachen.
Kafka schreef met deze brief een parodie op de Freudiaanse theorie (die hij in de tijd dat hij dit ‘verhaal’ schreef goed kende, zie de tweedelige recente biografie van Reiner Stach). Het kan niet missen. De verteller, de zoon, spreekt zichzelf aan de lopende band tegen. Zo beweert hij in het begin dat zijn vader hem altijd het spreken belette, ja, het hem zelfs afleerde, daarom ging hij liever zwijgen. Maar even verderop beschrijft hij uitvoerig hoe hij met zijn zus aan één stuk door over zijn vader zit te praten. Het valt met dat zwijgen dus wel mee. ‘Niet om samen iets tegen je te bekokstoven,’ voegt hij er nog met een stalen querulantengezicht aan toe.
En neem de anekdote waarin de verteller de hele nacht om water zeurt, ‘waarschijnlijk deels om te pesten, deels uit verveling’ (het staat er echt!) en dan ontzettend verongelijkt is wanneer zijn vader, die het gezeur (terecht!) meer dan zat is, hem op de waranda neerpoot. En vervolgens klaagt de verteller erover dat zijn vader hem niet eens doodslaat, dan zou hij, de zoon, tenminste overal van af zijn. Nee, de vader dreigt alleen maar te slaan, het ergste wat er is, hij slaat niet echt, en juist daar krijgt de zoon een enorm schuldgevoel over. Zeer komisch is ook dat de vader volgens de zoon nooit ergens over nadenkt, hij doet maar wat, omdat het nu eenmaal in zijn natuur ligt anderen te kwellen. Maar hij, de zoon, denkt dus wel na, die is wel verstandig, die reflecteert wel, die gaat wel in tegen zijn instincten. Die weet het beter. De betweter, de omkeerder, de verongelijkte, de zenuwpees, de lijder. Daar heb je hem: de querulant.

4. Ik hou ermee op. Ik had er nooit aan moeten beginnen. Vergeet dit artikel zo snel mogelijk. Wie querulantenliteratuur wil schrijven moet er zich zo weinig mogelijk in verdiepen. En er zeker nooit over schrijven. Je moet het doen. Liefde moet je doen, zoals Kierkegaard schreef. Lees Herman Brusselmans niet. Lees Jacq Vogelaar niet. Lees belangrijke boeken met meningen erin en beslissende opvattingen. Laat je nomineren voor alle literaire prijzen. Geloof in alle evidenties. Ja, de mens heeft twee benen. Weiger om niet mee te doen. Doe een net pak aan en een mooie jurk. Leg de waxinelichtjes klaar. Laat de Gouden Koets maar komen! Iemand anders schreef dit artikel.

In: nY 22 2014