Het (on)gelijk van Enno Develing


De roman staat onder druk. In vrijwel alle studies over literatuur kom je deze of een vergelijkbare zin tegen. Recent nog schetste Oek de Jong in Wat alleen de roman kan zeggen een schril beeld van wat de televisie, het internet en de sociale media aan verwoestingen in deze ooit zo geliefde vorm van kunst hebben aangericht. De (lees)cultuur is veranderd, de beeldcultuur rukt op, lezers zijn veranderd en vroeger komt niet meer terug. Laten we maar met romans ophouden, zou je zeggen na al dit gesomber, maar die conclusie trekt De Jong niet. Volgens hem moeten we een ander type roman gaan schrijven, niet willen concurreren met de beeldcultuur en internet. Een roman waarin ons ‘diepe ik’ zich openbaart. Een roman die zegt wat je anders niet kunt zeggen, een roman waarmee steeds diepere lagen van ons leven kunnen worden gepeild. Een roman die hij met Pier en Oceaan zelf al schreef, bedoelt hij natuurlijk. Mij lijkt het sterk dat je hiermee de horden en barbaren van de televisie en nieuwe media van je af weet te schudden, maar je weet nooit en ik sluit niet uit dat zelfs ik een dergelijke roman (zestienhonderd pagina’s, oplage 412 exemplaren, aanmoedigingsprijs van de stad Gent) in elkaar zet.
Wat zou Enno Develing (1933-1999) hierover een plezier hebben gehad! Al in 1968 publiceerde hij onder de titel Het einde van de roman een betoog over de ondergang van de romankunst, waarin hij wees op de impact van de televisie. Zijn boek werd vernietigend besproken. Ook al omdat juist in die tijd de romankunst in Nederland als nooit tevoren bloeide. Mulisch, Hermans, Haasse, Reve, Wolkers schreven hun meesterwerken, de oplagen waren enorm. Develing was dus duidelijk een feestbederver. Wat dacht hij wel. Hoe durfde hij te suggereren dat het maar eens helemaal uit moest zijn met dat geneuzel in romans. Dat schrijvers ermee moesten ophouden, of in ieder geval het roer helemaal moesten omgooien.
Develing wist natuurlijk best dat hij op tere schrijvers- en lezerszieltjes trapte, hij hield van jennen, en daarom maakte hij zijn betoog zo polemisch mogelijk. Het is achteraf komisch om te zien hoe verbeten de literaire goegemeente destijds op zijn vaak terechte, snijdende en niet zelden geestige afrekening met de romankunst en romanschrijvers reageerde. Blijkbaar had hij een open zenuw geraakt. ‘Iedere roman gaat zonder uitzondering over de schrijver zelf’, schreef hij, ‘en zo het (die roman dus – kth) al enige informatie verschaft is dat informatie over de schrijver, wat misschien aardig is voor zijn familie en kennissen, maar nauwelijks voor een willekeurige lezer.’
Toen ik dit jaren geleden voor het eerst las, was ik meteen bij de les, herinner ik me. Zei iemand nu eindelijk wat ik al lang stiekem af en toe dacht? ‘Op deze manier wordt de lezer in een passieve rol gedwongen. Hij heeft maar te slikken wat de schrijver hem voorschotelt. Het enige wat hij kan doen is de roman ter zijde leggen en te kennen geven dat hij het niet mooi vindt (iets wat met de meeste literaire romans inderdaad gebeurt).’ En dit dus al in 1968. En neem dit: ‘De schrijver veracht in wezen zijn lezer, beschouwt hem als een geestelijke analfabeet en plaatst zichzelf op een zo hoog plan, dat hij serieus meent dat zijn persoonlijke voorkeuren, meningen, gevoelens en wat al niet meer voor een lezer interessant zijn, hetgeen van een grenzenloze zelfoverschatting getuigt.’ Zeg dat wel, dacht ik destijds en ik denk het nu vaak nog als ik een roman lees. Wanneer gaat het eens over zaken die ik nog niet weet, of over iets anders dan de zelfmedelijdende belevenissen van de schrijver die een beetje aanpassingsproblemen heeft of denkt te hebben? Wanneer verheft de schrijver zich een keer niet boven de massa en blijft hij zelf een keertje niet buiten schot?
De huidige romankunst informeert niet meer, stelde Develing. De achttiende- en negentiende-eeuwse romans (die van schrijvers als Balzac, Zola, Tolstoj) verschaften ‘informatie in maatschappelijk, religieus en sociaal opzicht over hun tijd’. Dat is voorbij, de roman is verworden tot een van de werkelijkheid losgezongen kunstvorm. De ‘individuele expressie’ van naoorlogse schrijvers als Kerouac, Sartre, de nouveau roman, werd doel op zich, werd tot ‘officiële kunst’. Romans zeuren steeds meer over zichzelf, vond hij, over kleine liefdesperikelen, over gebrek aan communicatie, over onwil, over het (on)geluk van de schrijver. ‘Het zijn niet de schilderijen van Karel Appel of de ontboezemingen van Gerard Kornelis van het Reve die het wezen van onze tijd vertonen, maar de Brienenoord brug, de Delta werken en het nieuwe Schiphol.’ Wat werden ze in 1968, toen er allerlei overspannen ideeën over kunst en vrijheid circuleerden, kwaad over dit soort opinies! Hij pleitte voor een romankunst die geen kunst meer wilde zijn, en het ook niet meer was, maar die wel direct van belang was voor het leven zelf. Verrassend is dat hij in zijn boek voortdurend in het krijt trad voor de kunstopvattingen van Mondriaan, die de kloof tussen Kunst en Leven wilde opheffen. Het is bijna ontroerend om te zien hoe zacht en bijna teder Develing altijd over Mondriaan en zijn navolgers schreef. Daar schuilt nog het oude idealisme en utopisme van de kunst, vond hij, daar moeten we heen! Hij toonde zich in die passages een echte kunstromanticus. Ook musea hadden in zijn ogen geen enkel bestaansrecht meer, het zijn verzamelplaatsen voor dooie kunst op dooie muren. Wat zou hij snijdend en treffend geschreven hebben over de huidige windhandel in topkunst! Develing speelde overigens een belangrijke rol in de opkomst van minimal art in Nederland. Hij werkte voor het Gemeentemuseum in Den Haag en organiseerde een aantal belangrijke tentoonstellingen, onder andere over het werk van Sol LeWitt. Wie de geschiedenis hiervan in Nederland wil schrijven, kan niet langs zijn bijdragen.
Develing nam zijn eigen opvattingen serieus, hij trok zijn conclusies. Hij schreef na zijn nog tamelijk traditionele romandebuut Alberto en ik (1964) drie ‘projecten’ – het begrip ‘roman’ wilde hij niet meer gebruiken: Voor de soldaten (1966), De maagden (1968) en Het kantoor (1973). Op de rol stond nog het project Ajax-Feijenoord, maar daar kwam het niet meer van, hij werd ziek en stierf in 1999. Ik las ze vroeger alle drie en vond ze geweldig. Zo vreemd kon literatuur dus ook zijn.
Wat een plezier had ik bijvoorbeeld met De maagden, ik vind het nog steeds zijn beste werk, waarin hij op koele, objectiverende en documentaire toon en ook krankzinnig gedetailleerd de ontmaagding van een meisje beschrijft. Met foto’s erbij. Hij beschrijft ruim tachtig pagina’s lang de fietstocht van het meisje naar het huis van haar vriend. Geen namen van straten, maar wie in Den Haag woont kan de tocht met het boek in de hand helemaal nafietsen. ‘Ze rijdt de fiets naar de trottoirrand en manoeuvreert hem vervolgens tussen twee geparkeerde auto’s door, een Volkswagen en een Opel Kadett, naar de met bakstenen geplaveide straat.’ Ook borden en aanplakbiljetten krijgen een precieze beschrijving. ‘Op de hoek is de winkel van een groenteboer. In witte waterverf staat met grote letters op de winkelruit geschreven: 10 kilo aardappelen 1,95; andijvie gesneden kilo 50; hand­peren triumf sap sap!! Kilo 39, James extra 89; tomaten heel kilo 49. Boven de deur hangt een emaille bordje met Div. Dranken ’t Hoekje Conserven.’ Aan mij was dit wel besteed, ik heb er echt keihard om gelachen. Develing wilde een zo objectief mogelijke beschrijving van de werkelijkheid geven. Niet zoals een ‘kunstschrijver’ die kunstzinnig interpreteert. Zonder literair gedoe, geen flashbacks, geen vooruitblikken, rechttoe rechtaan de werkelijkheid zelf. De schrijver moest geheel verdwijnen. Geen taalspelletjes, taal mocht van hem alleen fungeren als informatiedrager.
In Het einde van de roman verdedigt hij deze projecten uitvoerig. Alleen zo kan literatuur zijn informatieve taak terugkrijgen, betoogde hij. Ook de paginalange beschrijving van de ontmaagding van het meisje kreeg een volstrekt koele en objectiverende toon mee. Wie zit te hopen op pornografische scčnes komt bedrogen uit. ‘Zijn hand is nu tussen de wat vochtige schaamlippen gekomen en beweegt daar zachtjes van beneden naar boven en vice versa. Hij zegt dat ze niet bang moet zijn. Tegelijkertijd haalt hij zijn penis uit zijn broek en duwt hem tegen haar dij.’ Develing nam in dit curieuze boek ook tientallen verhalen op van vrouwen over hun ontmaagding. Het zijn letterlijk uitgeschreven weergaven van opnamen met een bandrecorder. Inclusief de versprekingen, herhalingen, kromme zinnen, nergens is ingegrepen. En dat levert prachtige, openhartige, vaak ingehouden emotionele, soms schrijnende miniatuurtjes op. ‘En de ontmaagding zelf vond ik op dat moment, op dat moment vond ik ’t heel erg goed, erg fijn, op dat moment, maar die avond heb ik wel gehuild.’
De kritiek was vernietigend. Er verschenen veel kwaadaardige recensies, over aandacht had hij niet te klagen. Bijna iedereen maakte het boek met de grond gelijk (op Paul de Wispelaere na). Develing was een tijdje de boeman van de literaire wereld. Ik denk en hoop dat hij daar tevreden over was. Dit was geen literatuur meer, schreef men, en het was filosofisch allemaal onhoudbaar, objectiviteit bestaat namelijk helemaal niet. Develing sprak zichzelf tegen, vond men, hij gaf wel degelijk interpretaties, hij koos wel et cetera et cetera. Allemachtig, wat hadden ze gelijk. En wat waren ze daar tevreden over, wat waren ze trots op hun gelijk en wat kan ik daar nu nog kwaad over worden. Develing werkte aan een uitgesproken utopisch (en romantisch) project, je moet wel blind zijn als je dat niet ziet, het is pijnlijk dat destijds vrijwel niemand het voor hem opnam. Natuurlijk wist hij zelf heel goed dat zijn ‘projecten’ onhoudbaar waren, onuitvoerbaar en tot de literaire afgrond zouden leiden. Maar who cares? Waarom zou je aan houdbare en uitvoerbare projecten werken? Dat doet iedereen al. Iedereen schrijft romans. Weg met de romankunst. Wat is er niet mooier dan ongelijk te hebben en je daar nooit maar dan ook nooit bij neer te leggen?



In: De Groene Amsterdammer juli 2013