Behalve maandag als we zuurkool aten
In oude literatuur spelen maaltijden altijd een rituele rol. Ze bekronen een huwelijk, vormen het sluitstuk van een rechtszitting, bezegelen een nieuw verbond, of ze bevestigen de status van de koning. Ze staan in ieder geval altijd in verband met de uitoefening en verdeling van macht. In Koning Arthur verhalen gedraagt de koning zich tijdens de maaltijd als een gelijke van zijn vazallen, vaak wordt dit expliciet vermeld. Maaltijden golden in deze legenden als vrijplaatsen waar de macht van de koning tijdelijk minder zichtbaar was. Je kon vrij uit spreken, zelfs de koning tegenspreken hoorde tot de mogelijkheden, al was dat na de maaltijd geen optie meer. Alle gespreksonderwerpen waren mogelijk: huwelijkskeuze, een avontuurlijke reis, de hoogte van de bruidschat, de toekomst van kinderen en het juiste tijdstip van de komende veldtocht. Tijdens maaltijden konden vijanden zelfs zonder al te veel risico aan het hof verschijnen om over de verdeling van de macht te onderhandelen. Volgens Robert Graves onderhandelden hofzangers tijdens maaltijden met elkaar over de juiste beschrijving van de veldslag of de dood van de koning. Er bestaat in oude verhalen een taboe op geweld tijdens maaltijden. In Ijslandse saga’ s vinden moordpartijen vaak tijdens maaltijden plaats, niet om dit goed te keuren, maar om het taboe te bevestigen.

maaltijden
In moderne literatuur is dit in de grond niet veranderd. Ook nu nog spelen maaltijden een belangrijke rituele, zo men wil symbolische, rol. En ze staan vaak nog steeds in verband met de verdeling van de macht en de doorbreking van een taboe. En met erotiek natuurlijk, dat element is erbij gekomen.
Bij Gerard Reve is eten bijvoorbeeld altijd met vrees verbonden. Zien eten boezemt zijn personages onbegrijpelijke angst in. ‘Hij is een dier dat snoept,’ zegt de hoofdpersoon uit Werther Nieland wanneer hij Werther voor het eerst ziet, hij is bang van hem, tegelijkertijd is hij gefascineerd. Reve plaatst alle beschrijvingen van eten in dit verhaal binnen een kader van troebele erotiek en zelfs kannibalisme. Werther vindt bijvoorbeeld de slurfjes van mossels het lekkerst en dan staat er: ‘Is zijn slurfje het lekkerst? vroeg zijn moeder, die bij de keukendeur was blijven staan. En eet jij dat op? Wat gemeen. Hoe zou jij het vinden als ik van jou het lekkerst opat? Ze glimlachte en snoof. Werther staarde haar een ogenblik aan en begon te giechelen.’ In De Avonden (1947) zijn maaltijden weerzinwekkend. ‘Hij at werktuigelijk van de rode kool, aardappelen, bieten en de havermoutpap.’ Met zulk proza brengt Reve de maaltijd in de roman terug tot een bijna ondragelijke handeling. De hoofdpersoon beschouwt maaltijden als rituele pogingen hem van zijn ziel te ontdoen. Zijn ouders zijn al verloren, nu is hij aan de beurt. In de pijnlijke slotscène giet hij zijn weerzin tegen de banale eetgewoontes van zijn vader in de vorm van een gebed, hij wil ze hiermee bezweren en vernietigen. ‘Hij slurpt bij het drinken. Hij schept suiker met de dessertlepel. Hij neemt het vlees in zijn vingers. Hij heeft spijsresten achter zijn gebit. (…) Als hij zijn ei pelt, weet hij niet, waar de schaal heen moet (…). Eeuwige God,ik weet dat het niet ongezien is gebleven.’ Juist de detaillering van de banale eethandelingen maken de rituele kant zichtbaar. In het latere Op weg naar het einde (1963) formuleert Reve deze magische eetvrees sterk ironisch. ‘Eten in het bijzijn van tientallen andere, en nog wel onbekende, mensen’, schrijft hij na een diner in een restaurant, ‘vind ik heel wat ontuchtiger dan in hun bijzijn de geslachtsdaad uitvoeren.’ En iets daarvoor stelt hij voor dat ‘de mens in het geheim, alleen, bij voorkeur achter een juten gordijn gezeten, zijn voedsel tot zich neemt (…)’.
Ook Wolkers is sterk geobsedeerd door de magische kant van eten. In de beslissende scène van Een Roos van Vlees (1963) bereidt de held op rituele wijze een maaltijd van jonge muizen. Ook bij hem de scherpe detaillering: ‘Even komt de olie bruisend tot de rand. Dan ziet hij ze drijven met een kring van luchtbellen om hun lijfjes. Als ze tot bruine larfjes verschrompeld zijn, draait hij het gas uit, vist ze met een vork uit de olie en legt ze op een bord.’ En iets verderop verbaast het niet meer dat hij deze maaltijd binnen een christelijk ritueel plaatst. ‘Neemt, eet, dit is mijn lichaam. Dit is het heilig avondmaal.’ Meer recent laat Librisprijs winnaar 2011 Yves Petry in De maagd Marino een man zich uit vrije wil door zijn minnaar opeten. Petry brengt deze macabere geschiedenis in verband met rituelen rond het schrijven van literatuur, hij laat zijn personage ondergaan aan een teveel aan literaire illusies.

macht en erotiek
We kennen onze pappenheimers wanneer er in een roman wordt gegeten. Nu komt het spel op de wagen, weten we, nu worden de machtsverhoudingen duidelijk, nu komt de waarheid eindelijk boven tafel. Zie bijvoorbeeld Het Diner (2009) van Herman Koch, alles draait in deze roman om machtsverhoudingen en status. Aan de tafel van het deftige restaurant vechten de hoofdpersonages hun machtspelletjes uit, waarbij Koch bekwaam inspeelt op de vooroordelen van zijn lezers over ‘patserige’ restaurants. Hij slaagt erin alleen al met deze locatie een sociaal hogere groep dan die van zijn lezerspubliek in diskrediet te brengen. Machthebbers die in deftige restaurants eten zijn verdacht.
Maaltijden in romans functioneren als waarheidsvindingen rond macht en erotiek. Pas tijdens de eerste lange maaltijdscène tussen Jane en Rochester in Jane Eyre maakt Charlotte Bronte de aantrekking en afstoting tussen haar twee helden tastbaar. Ze laat hen op het scherpst van de snede discussiëren, elkaars macht aftasten kun je beter zeggen, zonder dat ze hun gevoelens expliciteert. Jane zal haar rivalen overwinnen, weten we vanaf nu. In pornografische literatuur gaan eetscènes overigens altijd vooraf aan beschrijvingen van seksuele handelingen. De verteller in het bizarre, ruim 2500 pagina’s tellende autobiografische meesterwerk My Secret Life (1889, auteur onbekend) trakteert de vrouwen die hij begeert meestal eerst op een maaltijd. Hij klaagt er wel eens over dat het flink in de papieren loopt maar daarna is het gelukkig een fluitje van een cent ze in bed te krijgen. Op veel plaatsen in dit onbehoorlijkste boek aller tijden geeft hij het zijn lezers als belangrijke geheimtip mee. Trakteer ze eerst op een maaltijd, jongens!
In een fraaie eetscène in Dubbelspel (1973) maakt Frank Martinus Arion de volstrekt verstoorde verhoudingen tussen twee hoofdpersonen uit de roman zichtbaar. De vrouw heeft ooit overspel gepleegd en de man die haar financieel in zijn macht heeft, verplicht haar bij iedere maaltijd een bankbiljet van vijf gulden bij zijn bord neer te leggen. Op deze manier moet ze haar schuld afkopen. Wanneer ze dit op een dag vergeet, slaan de stoppen door. In een mooie detaillering ziet de man ineens de waarheid over zijn huwelijk. ‘Maar juist haar onschuldige ogen waren Manchi te veel. Hij liet zijn beide vuisten hard op de tafel komen. De soep in de borden stroomde over en de soepterrine kantelde; gele stukjes geurende maïs en blokjes kleverige rundermaag zwommen over het witte tafelkleed. De scherpe geur van het heerlijke gerecht doordrong het hele huis.’

waarheid
Zichtbaar maken van waarheid of illusies daarover, dat is de kunst in literatuur, en met maaltijden heb je natuurlijk een mooie situering in handen. Schrijvers weten dit en dus hebben we tijdens onze leescarrière heel wat maaltijden voor de kiezen gekregen. De uit de hand lopende familie diners, de eerste maaltijd bij de ouders van de geliefde, de onhandige tafelmanieren, de vernederingen, de ruzies, de milieuschets, de kleinburgerlijkheid van dit alles, het handje plak onder de tafel, de smakgeluiden van de ouders. Het gaat allemaal om macht, status en erotiek, stupid. Maar het is niet veel schrijvers gegeven van zo’n scène iets verbluffends te maken.
Frans Kellendonk lukte het, hij schreef de mooiste eetscène uit de Nederlandse literatuur. In het verhaal Clara probeert een student zich de naam te herinneren van het meisje waarop hij meent verliefd te zijn en bij wie hij gaat eten. Ze heeft een verhouding met een veel oudere man maar heeft hem toch altijd aan het lijntje gehouden. Hij weet niet precies wat hij werkelijk van haar vindt. Wanneer ze aan tafel gaan weet hij nog steeds niet hoe ze ook alweer heet. Ze eten artisjokken. En ineens wordt de waarheid zichtbaar. ‘Thomas sneed de harige toupet van de artisjokbodem en zag de grote plak bleek vruchtvlees. Schubje voor schubje had hij afgekloven en nu ineens zo’n dikke plak. Weerzinwekkend. Die kon hij niet eten. Zij at het spul met smaak op, besmeerde er stukjes toost mee, besprenkelde het met peper en zout, likte haar vingers zelfs af.’ In het eten van de artisjokken wordt de weerzin voor dit meisje plotseling zichtbaar. Niet alleen bij hem maar ook bij de lezer. ‘Hij stond op. ‘Ik moet weg,’ zei hij.’ Kellendonk legt het niet uit, hij laat het alleen maar zien en bij het weg gaan zegt Thomas: ‘Ken je dat liedje,’ stamelde hij, ‘ik weet niet van wie, “Strange Fruit”, over die man die in een boom hangt. Je zult het prachtig vinden.’’ Moet er nog meer gezegd? Hij vertrekt en op straat herinnert hij zich ineens haar naam. Clara.

vreten
Natuurlijk gaat het in de huidige literatuur vaak ook over voedsel tot je nemen, niks symbolisme en magie, gewoon eten en drinken of juist de weerzin daartegen. In het verhaal ‘Poging tot inventarisatie van het vloeibare en vaste voedsel dat ik heb verzwolgen in de loop van het jaar negentienhonderdvierenzeventig’ (het staat in Raster 53, een nummer over eten) somt Georges Perec daadwerkelijk alles op wat hij in dat jaar at. Hij ordent alles netjes op etenssoort. ‘Een zuiglam, drie lamskotelet, twee lamsvlees in kerriesaus, twaalf lamsbout, een lamsrug. Een schapekotelet, een schapeschouder.’ Carlo Emilio Gadda geeft in dat zelfde nummer een recept voor ‘Risotto alla Milanese’, waarin hij het culinaire kookjargon doeltreffend door de gehaktmolen haalt. Pauline Slot schreef onder de treffende titel De inwendige in 2007 een prima roman over een eetstoornis. Ieder eten of eetritueel wekt de weerzin van het hoofdpersonage. ‘Zelf vind ik vooral de intimiteit afschrikwekkend. Ik zie die bij vrienden met gezinnen, tijdens het eten. Een mes met pindakaas er nog aan dopen de kinderen in de jam of in de margarine. En hun ouders vinden dat niet erg, die proeven hun hapjes voor, schrapen met een lepel langs hun kinnetjes, steken die in hun eigen mond, eten de restjes van hun Winnie-the-Pooh-bordjes.’

Zola
Hoogtepunt in het genre van de voedselbeschrijving is De Buik van Parijs van Emile Zola (1873, ik las de vertaling van J.J.Schwenke). Het speelt zich af in de Hallen van Parijs en Zola zet al zijn schrijfkunst in om ons de voedseltoevoer, -bereiding en –consumptie van die dagen zo indringend mogelijk door de strot te duwen. Het verhaal spitst zich toe op een vete tussen een slagersvrouw en een visverkoopster en kent ook wel enige politieke verwikkelingen rondom politieke warhoofden. Maar het gaat Zola om voedsel. Hij tovert ons paginalange beschrijvingen voor van vissen, kazen en vlees. Hij beschrijft de meest verschrikkelijke slachtscènes alsof het idyllische taferelen zijn uit een kunstboek. Zie bijvoorbeeld de beschrijving van kalfslongen door Claude, een slachter in de Hallen. ‘De longen waren volgens hem zacht rozerood, langzamerhand overgaande in helderder tinten, van onderen met een helderen karmijnrode rand omzoomd; hij zei, dat het gewaterd satijn was, hij kon het juiste woord niet vinden om die zijdeachtige zachtheid weer te geven, die lange frisse rijen, dat tere weefsel, dat in brede plooien neerviel, als de rokjes van danseressen.’ Zola is een doortrapte schrijfschurk die ons de waarheid van de voedselindustrie via sublieme esthetiek inpepert. En juist daarom doel treft, juist zijn aan schoonheidsjargon ontleende metaforiek geeft aan dit boek een huiveringwekkende lading. Bovendien is de roman doordesemt van een doortrapte ironie die alle menselijk handelen terugbrengt tot geldzucht en moordlust. Om te lachen en te huilen, en dus van een verschrikkelijke schoonheid, is bijvoorbeeld zijn beschrijving van de slagersvrouw. Hij maakt van haar een varken tussen het varkensvlees. ‘Die dag zag zij er heerlijk fris uit; de blanke witheid van haar boezelaar en haar mouwen was een voortzetting van de blankheid der schotels; op haar gevulde hals en haar rozerode wangen herleefden de zachte toon van de hammen en de bleke tinten van het doorschijnend vet.’
De dichter Dèr Mouw wist in een van zijn ‘Nagelaten gedichten’ de sfeer en het sacrale van een kleinburgerlijke Nederlandse maaltijd zeer geestig, maar ook ontroerend en treffend onder woorden te brengen. Zo wordt nu niet meer gegeten en gezeten, misschien is dat maar goed ook, al weet ik dat soms niet zeker. Hier komen de laatste zes regels:

En vlak na ’t bidden praatte je niet hard:
`T was of een heel fijn, een heel prachtig ding

Rondom het eten over tafel hing;
En dankbaar was ik dan met heel mijn hart,

Dat we zo prettig bij elkander zaten;
Behalve ’s Maandag’s, als we zuurkool aten.

In: De Groene Amsterdammer juli 2011