OE, IE, OE, AH, AH


De Wolken

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide

Martinus Nijhoff

Wat is een moeder? Een vrouw die je baart. En dan lig je daar lang-uit met haar in de warme heide. Waarover spraken zij die twee daar op de hei? Nijhoff maakt er een plaatje van uit een feelgood movie. Wij lezers kijken toe en luisteren. Kijken en luisteren. Naar onze moeder? Moeder? De moeder? Mijn moeder? Ons moeder?
Ja, denken we, als we het gelezen hebben, ja, de eeuwigheid, de cyclus van het leven, alles keert terug, geboren worden, doodgaan, geboren worden, Plato, idealisme, eeuwige terugkeer, ja, van kind naar volwassene. Mijn moeder en ik en daarna, als ik groot ben, mijn kind, mijn zoon, naast mij in dezelfde warme hei. Ook hij draagt kleine kleren. Net als ik vroeger. Klopt. Traantje wegpinken. Einde. Muziek.
Maar ho, wacht even. Wie is die ‘ik’ precies van het eerste woord? Een jongen of een meisje op latere leeftijd? Laten we aannemen een man, toen hij geen jongetje meer was. Dit gedicht is een terugblik, een enscenering van het verleden. Kijk mij eens terugkijken. Op moeder. Op de moeder. Op mijn moeder. Het is Nijhoff zelf. Of zoiets. Of ben ik het? Ik heb geen bewijs maar je moet wel gek zijn om naar bewijzen in een gedicht te zoeken. Ook al ben ik Droogstoppel in het diepst van mijn gedachten. Gedichten bewijzen niets, laat staan wat in hun verschijnt. Dus een man kijkt terug naar een jongen (‘de’ jongen? onze jongen?, mijn jongen?) met zijn moeder op de hei. En later ligt die jongen, als vader, met zijn jongen in de hei. We hebben een verschuivend plaatje in de viewmaster: van jongen en moeder, naar jongen en vader. En naar verteller. Van moeder naar vader. En dan komt dat huilen op het einde. Mooi gedaan, maar waarover huilt de vader, die eerst jongen was, precies? Over de verre wolken waarom moeder schreide, zegt de dichter die we natuurlijk moeten respecteren. Wij houden van de dichter. Respect! Over zijn moeder dus? Of toch over zichzelf? Of over zijn zoon? Over kleine kleren? Of gewoon over de wolken? Al zou dat een beetje raar zijn: huilen over wolken. Waarom en waarover huilen die twee daar op de hei? De vragen stapelen zich op als wolken vlak voor de regenbui.
Ik begin opnieuw te lezen. Ik ben de zoon van alle moeders. Ik weet dat Nijhoff vaker over moeders schreef, en ik heb een vermoeden over zijn moedergedichten, (als je er geen vermoeden over hebt moet je geen gedichten lezen). Ik ben een vermoeder van moeders. Bij Nijhoff zijn de moeders meer moeder dan andere moeders. Mooie, fijne moedergedichten. Pijnloze gedichten. Lieve moeders, droom moeders. Warme moeders. In de warme hei. In de war me moeder. Verwar me moeder gedichten. Heel veel gedichten. Moederdwang. Dwangmatige gedichten over moeder. Die ik nog steeds schrijven moet want ook ik ben toe aan een bekentenis.

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
Iedren nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Of deze:

Moeder, ik ken je nog: je zacht gelaat,
De rimpeltjes om je gestorven oogen-
Zing weer van God, die altijd naast ons staat-

Ik heb zoo lang naar het portret gekeken
Dat de oogen glansden en haar mond ging spreken,
En ‘k hoorde vleugels, die door ’t huis heen vlogen

Toneelstukken met moeder. Moeder ensceneringen, een volwassene richt zijn moeder in. De herinrichting. Zonder ‘her’ heb je alleen de ‘inrichting’. Met terugwerkende blik en woorden. Hij bestoft de idylle. Nee, hij mythologiseert de moedermythe. Zijn moedermythe? Voor het raam, in het huis, op de hei. Wij zijn er maar mooi klaar mee. Met moeder. Of is het de moeder? We zijn klaar met de moeder. Nijhoff en ik.

En dus begin ik te lezen. Beginnen is herbeginnen. Wat voorafgaat aan lezen is wat je al gelezen hebt.

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,

Dat ‘kleine kleren’ zit me al eeuwig dwars. ‘Kleine kleren dragen’, zo zeg je dat niet. Verkeerd Nederlands. Het blijft maar in me rondspoken. Je kunt geen kleine kleren dragen, wel ‘te’ kleine kleren, kleren dus die je niet passen, die je te klein zijn. Kleine kleren bestaan alleen in een winkel, daar hangen naast kleine kleren grote kleren. Kleine maten naast grote maten. Kleine kleren klemmen. Knellen. Dit jongetje is bekneld. Ik ben bekneld. Hij had moeten schrijven: ik droeg een kleine maat kleren, dan was het correct geweest. Maar dan heb je dus geen gedicht. Nijhoff gebruikt kleren als vermomming, als metafoor, hij plakt zich kleine kleren op omdat hij niet wil schrijven dat hij nog klein was. Waarom die voorzichtigheid? Nijhoff werkt met een contaminatie, een verhaspeling van uitdrukkingen: ‘ik was nog klein’ en ‘ik droeg een kleine maat kleren’ verhaspeld tot ‘ik droeg nog kleine kleeren’. Dit gedicht haalt alles door elkaar. Net als alle goeie gedichten. Ze zijn geen knip voor de neus waard als ze zichzelf niet tegenspreken. Kijk maar.
‘Lang-uit met moeder’. Er staat systematisch ‘moeder’ in dit gedicht, niet ‘mijn moeder’. ‘Met moeder’, ‘moeder vroeg’, ‘dat moeder met een glimlach weende’. Geen bezittelijke voornaamwoorden bij moeder. Moeder is bij Nijhoff geen bezit, ze is altijd voorlopig. De rest van de wereld is wel in bezit genomen. Zie verderop:‘mijn jongen.’ Hij heeft zijn jongen in bezit genomen. Ontbreekt ook bij mij het bezittelijke voornaamwoord? ‘Moeder’ schrijft Nijhoff, zonder bezit, moeder is bij hem het algemene, het vertrouwde en het intieme, maar ook het ‘alom tegenwoordige’, ‘het eeuwige’. ‘Mijn’ moeder zou van moeder een willekeurige moeder maken. Dat kun je niet maken (ik ben een lezer, ik kan alles maken). Nijhoff zet W.G van de Hulst taal in: vader en moeder gingen op reis, dag vader, dag moeder, waar is moeder, moeder is boodschappen doen, moeder nam me op schoot, vader kietelt moeder daar. Wat zeg je precies: ik heb al eeuwen niet aan mijn moeder gedacht? Of aan moeder gedacht? Of aan de moeder gedacht? Aan ‘mijn moeder’ gedacht natuurlijk. Bij Nijhoff is moeder het vertrouwde en het algemene, dwars door elkaar. Bij hem is alles door elkaar gehaald.
En nu we het er toch over hebben: waarom liggen die twee niet in een bos? In een warm bos? Op een grasveldje? Op een peluw van mos? Een strand? Op een houtvlot? (je moeder op een houtvlot). Hei groeit op schrale grond: waar niks wil groeien heb je hei. Heidevelden: ‘symbolen van woestenij, verlatenheid’, dit staat in het onvolprezen Het Juiste Woord (Brouwer, Claes, 2002). ‘Hij wenste hem of haar naar de Mokerhei.’ Daar liggen ze: de jongen lang-uit, in totale overgave, reddeloos, en de moeder (nee, moeder). Op de Mokerhei? Formuleert dit gedicht een wens? Hoe ligt moeder er trouwens bij, daar op de warme hei? Ik ga erbij rijmen.

De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag

Nijhoff is een klankenman, in de eerste twee regels vooral ‘oe’ ( droeg, moeder) en ‘ah’ (lag, lang-uit, warm). Nu wordt het ineens een ‘oh’ (wolken, ons) en ‘oo’ gedicht (schoven, boven, voorbij) en daarna weer ‘oe’ en ‘ah’. Terug naar de ‘oe’ en de ‘ah’. The Witch Doctor, een popsong uit 1959 vertelt het klassieke verhaal van een man die de liefde van een vrouw zoekt, maar die niet krijgt en dan om raad vraagt bij een ‘witch doctor’. Het begin van dit lied gaat als volgt:

I told the witch doctor I was in love with you
I told the witch doctor I was in love with you
And then the witch doctor, he told me what to do
He said that…

Oe, i, oe, ah, ah, ting, teng,
Walla walla, bing beng
Oe, i, oe, ah, ah, ting teng
Walla, walla, bing beng…

De Witch Doctor adviseert dus om in raadselrijmen en raadselklanken tot de geliefde te spreken, zoals alle geliefden door de eeuwen heen in raadselrijmen tot hun object gesproken hebben. Oe, ie, oe, ah, ah. Liefdesgesteun. ‘Ik lag lang-uit met moeder in de warme heide.’ Toverwoorden om moeders te veroveren. Oe, ie, oe, ah, ah. Ting teng, walla walla bing beng. ‘En moeder (oe) vroeg (oe) wat (ah) ik (i) in (i) de wolken (ò) zag (ah).’ In de klanken schuilt het geheim. The Witch Doctor is een variant van De Wolken. Of andersom. De Mythe van de Onbereikbare Geliefde. En ineens wil de onbereikbare geliefde (de moeder, moeder, mijn moeder, jouw moeder, hun moeder) weten wat de jongen in de wolken ziet. Wat ziet de begeerder in het begeerde? Ze vraagt om een betekenis. Zoals een psychoanalyticus een cliënt laat associëren over zijn dromen, zijn vergissingen en versprekingen. Naar betekenissen vraagt. Moeder ontpopt zich tot psychiater. Wat zie je in de wolken? Wat zie je in deze interessante vlekken? Wat heb je vannacht gedroomd? En de jongen zoekt als de wiede weerga zijn eigen klanken bij elkaar. Als afweer: klanken en woorden formuleren afweer tegen betekenis. Hij raakt in verwarring. In verzet. En spreekt de volgende raadselklankenwoorden uit:

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder-

De toverwoorden van het gedicht. Walla, walla, bing, beng. De moeder (een moeder?, mijn moeder?, moeder?!) ondervraagt haar zoon. Zij probeert hem betekenissen te ontlokken. Ze stelt zich op als uitlegdeskundige, hermeneut en psychiater. De jongen verwart (contaminatie!) de vraag naar betekenis met een vraag naar bekentenis. Zijn moeder (dag moeder!) roept hem op te bekennen, zoals iedere vraag naar betekenis een oproep is te bekennen. Beteken en ik weet wie je bent!. Betekenis=bekentenis. Ook dit verslag van mijn reis naar de hei ( hei=hel) is het verslag van een bekentenis. Mijn eigen bekentenis (bemoei u alleen met uw eigen bekentenissen!) ligt voor in mijn mond. Iedere uitleg van een gedicht is een bekentenis. Op deze n-weglating (betekenis is een anagram van bekentenis zonder de letter n) berust de psychoanalyse. En Freud vroeg wat ik in de wolken zag. Beken!
En wat ‘ziet’ en verwoordt De Jongen Met de Kleine Kleren? ‘Scandinavië’, ‘en’, ‘eenden’, ‘daar gaat een dame’, ‘schapen met een herder’. Hij associeert er lustig op los, hij is gedwee, bereid, willing and able, hij ligt op de hei, op de bank, het is maar een jongetje. ‘Ah’ en vooral ‘aa’, heel veel aaaaaa. Van ‘ie’ (gepiep), naar ‘ah’ naar ‘ee’, naar ‘aa’, naar ‘e’. Wat ziet die jongen daar? Wat probeert hij te verwoorden? Laten we eens naar onderstaande tekening van Scandinavië kijken. Wat zie ik? Wat ziet u? Wat zien we? Wat zie je in de tekening? Beteken en beken.

(Plaatje van een kaart van Scandinavië)

Juist ja. O la la. Ik heb u in de val gelokt. Wat valt u in als u dit ziet? Ik zet mijn onschuldigste stem op. Wat zie je daar? Een lul met een zak en Denemarken komt eruit. Penis met balzak. Een scrotum met een piemel eraan. Flink ontwikkelde mannelijke geslachtsdelen. Besmuikt gelach. Wat ben je toch een viespeuk ’t Hart. The eye is in the beholder. Je laat me ergens in tuinen. Wie? Ik? Zal ik een eend voor u tekenen? Of tekent u liever die van u zelf? Wat ziet u in de eend? Beteken maar. Beteken maar. Beken maar. Beken maar. Ik zie het ook. Eerst ziet de wereldberoemde jongen in de kleine kleren niks in de wolken maar wanneer zijn moeder hem ondervraagt verandert dat. Zij ontpopt zich als zijn psychiater. Kunnen wij hierna nog naar een kaart van Scandinavië kijken zonder aan dit gedicht te worden herinnerd? Ik ben uw psychiater. En dit gedicht is mijn Scandinavië. Met terugwerkende kracht ondervraagt mijn moeder me. En de jongen wil niet ondervraagd worden, ik wil niet ondervraagd worden, u wil niet ondervraagd worden, dit gedicht wil niet ondervraagd worden.
Maar waarom ziet de jongen Scandinavië? Wat ziet die jongen toch? Waarom valt hem als eerste associatie ‘Scandinavië’ in? Zijn lippen vormen direct ‘Scandinavië’. Hij roept en hij schreeuwt. Omdat hij zijn vormeloos verlangen voor zich ziet, hij ziet vormen, vormen van zijn beknelling, zijn moederbeelden, moederverlangen. Mijn beknelling, mijn moederbeelden. Hij ziet ze van mij. Tegelijkertijd verzet hij zich tegen zijn bekentenis, hij ziet zijn eigen vormen (moet ik zeggen mijn vormen of jouw vormen?) en hij roept ‘Scandinavië’. Scandinavië. Scandinavië. Sc(h)andinavië. Schande. Scandinavië. Schande. Hij roept zowel ‘schande’ als ‘Scandinavië. Tegelijk. Hij gooit alles door elkaar: Schande en Scandinavië. Schandelijke geslachtsdelen. Hij verzet zich tegen zijn eigen ‘Scandinavië’. En ik ook. ( jij toch ook? Jij wilt dat toch ook niet? En jij toch ook?). Het is schande dat ik Scandinavië moet zeggen. Wat zeg je daar toch voor vreemde dingen?
‘Daar gaat een dame’, daar gaat moeder (mijn moeder, de moeder, moeder). ‘Aa’, ‘aa’ en nog eens ‘aa’. En dan krijg je de ‘schapen met een herder’, ‘aa’ en ‘è’. Eindelijk komt De Vader dit oedipale schouwspel binnen, vermomd en wel. Vermomd als herder. Op de grote stille heide, dwaalt de herder eenzaam rond. Want de vader is de afwezige, de afwezige eenzame. Schapen met een herder. Zo gaat het in het beroemde lied, dat Nijhoff uiteraard op zijn duimpje kende en waar dit gedicht naar verwijst:

Op de grote, stille heide

Dwaalt de herder eenzaam rond

Wijl de witgewolde kudde

Trouw bewaakt wordt door de hond

En al dwalend ginds en her

Denkt de herder: Och, hoe ver

Hoe ver is mijn heide!

Hoe ver is mijn heide, mijn heide!

De herder, de witgewolde kudde (net wolken!), de hond en de verteller. Deze vier. En bij Nijhoff is er een plechtige dame bij, vader, moeder, de trouwe hond en de kudde. De trouwe hond dat ben ik. Pardon, dat is de jongen. En de dame is de plechtige vermomming van de moeder. The Witch Doctor in dit cliché lied is de herder, bij Nijhoff is het de moeder. (Wat een vreemde dingen denkt die herder! ‘Mijn heide!’ ‘Mijn heide’. ‘Mijn heide!’ Toverwoorden: ting, teng, walla, walla, bing, beng.)

De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

‘De wonden werden woord’, pardon ik verschrijf me (ik vergis me): ‘De wond’ren werden woord.’ Een en al vergissing, van mij, van dit gedicht, van de dichter. Contaminaties, beknellingen. Schandelijk. Scandinavië. Het is eruit voor je het weet. ‘De wond’ren werden woord.’ De wolken zijn de ‘wond’ren’, de woorden zoeken naar betekenis die op de rand van de bekentenis verkeert. Wolken zijn wonderen die verklaard moeten worden. Door moeder in de warme heide. Hoe ver is mijn heide, mijn heide!
Waarom dat ‘Maar’ in ‘Maar ‘k zag…’? ‘En’ had ook gekund. ‘En ik zag dat moeder….’ Nijhoff gokt op de tegenstelling (dit gedicht is een gok, ieder gedicht moet een gok zijn), hij gokt op ‘maar’, ook al weet hij dat hij zich zo laat kennen, hij brengt zelf de tegenstelling het gedicht in, liever wil hij die verzwijgen, omdat hij onschuldig wil zijn. Net als ik. Ik ben onschuldig. On van schuld. De wolken dreven dus verder, maar de ik ziet moeder met een glimlach wenen. Dat wenen bevat een ‘maar’. Dit gedicht is een Ja Maar Gedicht. Dit gedicht klaagt ( ja maar) het vergist zich, het dwaalt af, het knelt, het spreekt in raadselen en het spreekt zichzelf tegen. Daarom is het een fabuleus gedicht. En ik ben een lieve jongen.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,


Bewijs geleverd! Nijhoff’s poëzie is altijd toneelmatig. Stillevens van figuren in een beknelde ruimte. En daar dan uit ontsnappen. Hier treedt de toneelenscenering op de voorgrond: je ziet de touwtjes waarmee de wolken aan de hemel zijn bevestigd. Alles is onnodig om te zeggen in dit gedicht: de hemel hangt altijd vol wolken, Nijhoff zegt het voor de zekerheid toch maar even. De lucht hangt vol betekenissen die altijd bekentenissen kunnen worden. Altijd. Wij worden bedreigd door betekenissen. Scandinavië ontrolt zich voor eeuwig boven onze hoofden, ook al kijken we er niet naar. De hemel hangt vol Scandinavië. We zijn voor eeuwig de moeder en de zoon, pardon, ik vergis me alweer: moeder en zoon. Mijn moeder en mijn zoon? Wat is het nu precies? Hij wil het niet zeggen. Hij zegt het bekende, datgene wat bekend is en datgene wat bekent. De hemel hangt vol wolken, verdomd als het niet waar is. Een vrijgezel is ongetrouwd. De lucht is blauw. De vis zwemt in de zee. De bal is rond. De hemel hangt vol wolken. Ik beken dat ik schuldig ben. Het bekende in beide betekenissen nog maar een keer in mijn gezicht gewreven. Je draagt kleine kleren of je draagt ze niet. Logisch.

Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

De ‘oe’s’ en de ‘ah’s zijn uit het gedicht verdreven. Geen verlangen, geen orgastisch gekreun. Niet meer nodig. De formules zijn uitgesproken. Walla, walla, bing, beng. The Witch Doctor heeft gesproken, alles is niet goed gekomen.
We leunen achterover en gaan op weg naar het einde. De schande is vermomd. Ik ben vermomd. Ik heb het toegegeven: ik ben een Sc(h)ande, pardon, ik vergis me, ik ben een Scandinavische jongen. Het spektakel van het gedicht is voorbij. Het is ineens enkelvoud geworden. Eerst waren er verschillende wolken waaraan vele betekenissen hingen, te veel bijna om op te noemen, de zoon ziet en spreekt en roept de vermommingen wanhopig over zich uit. En nu is er nog maar één wolk over in dit gedicht dat zich als een dier in het woud onzichtbaar heeft gemaakt. Ik weet het zeker omdat ik het ben. U hoeft me niet tegen te spreken omdat u het bent. Het gedicht is ’t vreemde ding dat zijn vlucht uitvoert. Scandinavië op de vlucht geslagen. Niet op de vlucht is, maar aan het vliegen (ja, ik laat me een beetje gek maken door een gedicht!). ’t Vreemde ding. Vreemde ding. Zeg het snel achter elkaar: vreemde ding, vreemde ding. Toverformule: de ding de ding de ding. Mantra van verdriet.
En nu klinkt ook somberheid op tussen de ‘ah’, de ‘è’, de ‘aa’, de ‘u’, de‘ah’s’ de ‘ij’ en de twee ‘ee’s’ van de schaduw regel. Over schaduwen heeft Nijhoff het in het begin nog niet, toen ze nog lang-uit bij elkaar lagen te dromen. Toen lagen ze nog schaduwloos bij elkaar. Pas hier strijken schaduwen langs ‘zijn’ leven. Nadat het ondervragen begon, nadat moeder psychiater was geworden en de zoon alle hoeken van de kamer liet zien (alle hoeken van de hei). Tot bekennen dwong. Dit gedicht is een bekentenismachine, het geeft gelegenheid, het is een enscenering van de oedipale architectuur. De moeder, de zoon, de herder, de wolken, de hond, de heide. En de schaduw valt over het leven van deze lieve jongen. Zijn kleine kleren knellen, zijn leven is beschaduwd door De Wolk. Einde idylle.

- Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,

Dit is een ij-gedicht geworden. Vijf keer ‘ij’ in twee regels. De moeder is niet meer de Witch Doctor, Nijhoff zelf spreekt nu de toverformules uit. Nijhoff. ‘Ij’ en ‘ò’. Van ‘oe’ en ‘ah’ naar ‘ij’. Naar ‘è’. Naar ‘ij’, naar ‘ò’. Daar liggen ze, vader en zoon, lang-uit in de heide waar schraalhans keukenmeester is. En de jongen wijst! Hij zegt niet maar hij wijst naar het onuitsprekelijke dat voorbij vliegt. De vader vraagt niet naar wat de jongen moet betekenen en bekennen. Dit is het beslissende verschil. Hij vraagt niets, in tegenstelling tot de moeder, hij zwijgt, zijn zwijgzame woede richt zich met terugwerkende kracht op de moeder. Dit zwijgen rekent met de moeder af. Spreek niet tegen me. En de zoon wijst wat hij ziet, hij vertolkt het onmogelijke, onnavolgbaar door Nijhoff geformuleerd. Wijzen wat je ziet. Niet zeggen wat je ziet, maar wijzen. Dit is grote kunst. Sprakeloos. Ik ben sprakeloos. Omdat ik woedend ben. Kijk dan, kijk dan, nee daar, zie je dat, zie je dat? En de vader voorkomt dat de zoon zich tot spreken voelt gedwongen. Spreken is zilver en zwijgen is goud. Zwijgend wijzen. ‘Huilen is voor jou te laat, ik kom niet meer.’ Corrie en de Rekels. Woedende stilte. En dan een huilbui. Zelfmedelijden, ook dat nog. Kijk maar.

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide-

I rest my Kees (pardon, case).

In: De Revisor, Jaarboek voor Nieuwe Literatuur I 2010