Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 441 blz, prijs 24.95

VIJF MANIEREN VAN LEZEN

Opnieuw verscheen een uitvoerige studie van Thomas Vaessens, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder publiceerde hij Ongerijmd succes (2006) over de crisis in de huidige Nederlandse poëzie en daarna in 2009 De revanche van de roman, waarin hij het opnam voor het toenemend maatschappelijk engagement van een aantal Nederlandse romanschrijvers. Vooral dat laatste boek werd fel bekritiseerd, veel schrijvers en literatuurbeschouwers klommen hoog in de gordijnen, maar het kreeg, zoals dat hoort, ook steun. In ieder geval was het in de literaire goegemeente vrij lang ‘the talk of the town’, het haalde zelfs meerdere drukken, wat tegenwoordig een wonder mag heten voor dit soort studies. Vaessens houdt ervan de zaken op scherp te zetten, het roer moet bij hem altijd om en daar valt uiteraard wel wat voor te zeggen. In zijn nieuwste boek zet hij zich af tegen de literaire geschiedschrijving van de laatste twintig, dertig jaar die steeds uitging van periodiseringen van literatuur. Na de Verlichting kreeg je in de achttiende eeuw de Romantiek, daarna de Tachtigers, vervolgens na de Eerste Wereldoorlog allerlei avantgarde stromingen (surrealisme, dada-isme etc) en dan zitten we nu in het tijdperk van het Postmodernisme. Hij meent terecht dat een dergelijke geschiedschrijving hoe dan ook, ‘een lineaire, progressieve ontwikkeling laat zien: de causale keten van aansluitende (literaire) perioden kleeft de suggestie aan van teleologische doelgerichtheid.’ Hij wil in zijn nieuwe literatuurgeschiedenis niet langer met historisch periodes werken maar ze vervangen door vijf ‘transhistorische’ leesframes die in principe los staan van periodes. Onder een frame verstaat hij een ‘mindset’, een leeshypothese, een bepaalde vooropgezette blik, een leesopvatting of discours, waarbinnen of waarmee de lezing van een roman of een gedicht gestuurd wordt. Iedereen laat de lezing van een roman of gedicht nu eenmaal altijd door zo’n discours sturen. Hij onderscheidt er vijf: het romantische, het realistische, het avantgardistische, het modernistische en het postmodernistisch leesframe. Hij besteedt vervolgens ruim aandacht aan een verdere uitwerking en beschrijving van die frames. Hoe ze werken, hoe ze zijn gestructureerd, hoe ze in verschillende maatschappijvormen functioneren. Een auteur of tekst hoeft volgens hem niet romantisch te zijn ‘om romantisch gelezen te kunnen worden’ (cursivering van Vaessens). In principe zou je dus een roman, ook eentje uit het verleden, met alle vijf frames kunnen (en mogen) lezen: ‘De lezer kiest het perspectief van waaruit hij leest, onafhankelijk van de schijnbare bedoelingen van de schrijver. Dát is het mandaat van de lezer.’

Functie leesframes
Op zich is het uiteraard verdedigbaar literatuur op verschillende manieren te lezen, maar waarom zou een lezer dat doen? Wat zou dat voor voordelen op kunnen leveren? Lezen is geen kwestie van kiezen, lijkt me, maar vooral van gewoonte. Je gaat een roman of gedicht van pak weg Sybren Polet nu eenmaal niet snel met een ‘realistische’ of ‘romantische’ leesbril op lezen. Eerder met een ‘avant-gardistische’ of ‘postmodernistische’ en dat doet Vaessens in zijn studie ook. Helemaal uitgesloten zijn de andere drie leesframes natuurlijk niet, daarin heeft hij ongetwijfeld gelijk en wie weet dat een academische lezer ooit een vijfframige lezing van werken van Polet zal ondernemen, maar bij ‘gewone’ lezers zie ik het niet snel gebeuren. Polet’s werk is nu eenmaal minder geschikt voor een romantisch of realistisch leesframe. Lezers weten dat heel goed, die kijken bij aankoop van een roman naar het plaatje op de kaft, ze lezen de tekst op de achterflap en ze kijken naar de status van de boekwinkel waar ze het boek kopen. Hadden ze al eerder plezier met een vergelijkbaar boek? Vervolgens weten ze perfect welk leesframe voor hun aankoop het meest geschikt is. Je gaat geen Bouquetreeks boekje kopen met de bedoeling er een avant-gardistisch leesframe op los te laten (al zou het in principe wel kunnen). Leessystemen organiseer je in de loop van je leescarrière via kennis die je langzamerhand over lezen opdoet. Lezen is geen kwestie van kiezen maar van hantering en invulling van je leescarrière.
Vaessens geeft geen voorbeeld van vijf mogelijke leeswijzen van een roman of een gedicht en daar zat ik wel op te hopen. Laat het maar eens zien met die transhistorische frames, voelde ik mezelf denken. Maar wat voor zin heeft het een ‘postmodernistische’ lezing van het werk van bijvoorbeeld Homerus te geven? En hoe zou je bijvoorbeeld het beroemde begin uit het gedicht ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman op vijf manieren moeten lezen? ‘Denkend aan Holland/zie ik breede rivieren/traag door oneindig laagland gaan’. Dan krijg je toch in hoofdzaak de bekende clichés die we al weten: dat het een evocatie is van Hollands nationalisme, of een droombeeld van een Holland dat niet meer bestaat? Alleen een Freudiaans leesframe, mijn specialiteit, waarin alles tot een verdrongen wens wordt teruggebracht, zou volgens mij nog iets nieuws kunnen opleveren. Bij het woord ‘Holland’ vallen de ‘ik’ uit het gedicht plotseling de woorden ‘breede rivieren’ in. En die ik slaat vervolgens in het gedicht krachtig aan het associëren alsof hij op de bank bij de psychiater ligt. De raarste beelden vallen hem in: laagland, ijle populieren, veelkleurige dampen, rampen, stemmen in gewesten etc etc. Welke verdrongen wens dringt zich bij het woord ‘Holland’ aan de fabulerende ik van het gedicht op? Maar een Freudiaans leesframe komt bij Vaessens jammer genoeg niet voor. Freud komt helemaal niet voor in zijn boek, wat ik toch meer dan bizar vind. Hoe kun je ‘avantgardistische’, ‘modernistische’ en ‘postmodernistische’ leesframes introduceren en beschrijven zonder Freud zelfs maar te noemen? En waarom geeft Vaessens zelf nauwelijks demonstraties van zijn leeskunst die hij in het verleden bijvoorbeeld bij de poëzie van Lucebert ruim bewees? Hij geeft wel een paar voorbeelden van mogelijke leeswijzen, bijvoorbeeld van Multatuli’s Max Havelaar, maar die ontleent hij aan anderen.
Dit lijkt misschien allemaal tamelijk futiel, maar toch speelt hier een principiële kwestie die altijd naar voren komt wanneer het om lezen en interpreteren van literatuur gaat. De ene roman is meer geschikt voor een bepaald leesframe dan de ander. 1984 van Orwell is meer geschikt voor een ‘modernistisch’ leesframe dan voor een ‘realistisch’. En het werk van Zola is weer meer geschikt voor een ‘realistisch’ frame dan voor een ‘avantgardistisch’ frame. Dat levert allemaal geen nieuwe visies op, in feite wisten we dit allemaal al. Het is een illusie de vijf leesframes zo ‘transhistorisch’ voor te stellen als Vaessens doet. Het werkt niet verhelderend maar eerder verwarrend omdat hij bij de introductie van zijn leesframes blijft werken met een literair-historische terminologie, ook al wil hij ‘transhistorisch’ zijn. Hij blijft vasthouden aan bestaande, historisch gemunte termen als romantiek, realisme, modernisme, avantgardisme en postmodernisme, die allemaal, hoe je het wendt of keert, verwijzen naar opeenvolgende literair-historische perioden. Misschien was het beter geweest wanneer hij een radicaal andere, echt ‘ahistorische’ terminologie had gekozen, maar ook dan had hij niet kunnen ontkomen aan een debat over de ‘geschiktheid’ van bepaalde leeswijzen. Hoe kun je een roman met een bepaald frame lezen wanneer je niet al van te voren weet dat je leeswijze er geschikt voor is? En minder geschikt voor een andere roman?

Essentialisme
Er vallen wel meer vragen te stellen bij Vaessens studie. Zo meent hij met de introductie van zijn leesframes ‘een niet-essentialistische spreekwijze’ (de cursivering is van Vaessens) over de moderne literatuurgeschiedenis te introduceren die niet langer uitgaat van het idee dat mensen en verschijnselen een onderliggende, vaste essentie hebben die voor eeuwig geldt. Drenten zijn zuinig, Rotterdammers werken hard, wielrenners liegen en vrouwen zijn voorbestemd voor het moederschap, we worden dag in dag uit met dit soort essenties geconfronteerd. Vaessens meent dat zijn studie een aanzet geeft op zijn minst hiermee in deze literatuurgeschiedschrijving af te rekenen. Hij wil af van de toekenning van vaste betekenissen en eigenschappen aan teksten die vervolgens eeuwig en altijd gereproduceerd worden. Literatuur is volgens hem altijd in beweging, betekenissen liggen niet vast, ze verschuiven per maatschappijvorm en wie zou hem dit af willen nemen? Dit hoort allemaal tot de vaste clichés van de huidige internationale literatuurbeschouwing. Hij hoopt dat zijn transhistorische leesframes kunnen leiden tot nieuwe, productieve leesstrategieën die niet weer uitkomen op vaste betekenistoekenningen. Toch duiken bij zijn uitvoerige invulling en beschrijving van die leesframes voortdurend nieuwe essentialistische begrippen en betekenistoekenningen op. Je zou kunnen zeggen dat hij de ene essentialistische beschrijvingswijze, die van de klassieke periodiserende literatuurgeschiedenis, vervangt door een andere. Die van de leesframes, waarin aan teksten toch weer allerlei eigenschappen worden toegeschreven. Postmodernistische teksten zijn bij Vaessens bijvoorbeeld ‘provocatief’, ‘anarchistisch’, meer ‘open’, ‘ontwrichtend’, ‘veranderlijk’ in tegenstelling tot niet-postmodernistische teksten die meer ‘autoritair’ zijn, ‘beregelend’, ‘definitief’, ‘gefixeerd’. Maar hoe komt Vaessens precies aan dit soort betekenis -en waardetoekenningen? Daar is hij nogal zwijgzaam over, terwijl het duidelijk is dat je pas kunt vaststellen of een tekst al of niet voldoet aan postmodernistische kenmerken als je van te voren al weet wat die kenmerken zijn. Wat de essentie is van postmodernistische teksten heb je van te voren, voordat je zo’n tekst begint te lezen, al in je hoofd. Als dat niet zo was zou je nooit een ‘postmodernistisch’ leesframe kunnen organiseren, je gaat dus bij de organisatie van een ‘postmodernistisch’ leesframe uit van essenties.

Tegenstrijdig
Er zit in deze studie iets merkwaardig tegenstrijdigs. Aan de ene kant wil Vaessens terug naar de literaire tekst en de lezing en interpretatie daarvan, hij zegt dat expliciet in het voorwoord. Zijn studie houdt zich niet bezig met de sociale status van literatuur of de rol die literatuur in het culturele veld speelt. Het lijkt erop dat Vaessens afstand neemt van de opvattingen van de Franse literatuursocioloog Bourdieu die de laatste jaren zo prominent in de Neerlandistiek in Nederland circuleerden en nog circuleren. Aan de andere kant deinst hij in deze gewaagde literatuurgeschiedenis terug voor uitvoerige interpretaties van literatuur. Literatuur functioneert in dit boek steeds als een illustratie bij een aantal leesframes. Die leesframes, daar zoemt hij op in, daar steekt hij al zijn energie in, terwijl die juist allerlei vragen oproepen. Het probleem van wetenschappelijke literatuurbeschouwers blijft toch altijd dat zij krampachtig ‘wetenschappers’ willen zijn en in de kantine mee willen praten met andere, ‘echte’ wetenschappers. Maar het door hun gekozen onderwerp- romankunst en poëzie- leent zich niet makkelijk voor eenduidige bestuderingstrategieën, eerder voor meer persoonlijker tactieken. Al opereer je dan, voordat je het weet, eerder als schrijver dan als wetenschapper. Maar waarom zou je daarvoor terugdeinzen? Interpretatie van kunst en literatuur hoort tot een belangrijke drijfveer van het menselijk verlangen. Ik hoop op een volgend boek van Vaessens dat bol staat van allerlei inventieve, persoonlijke, rare, mooie, diepzinnige of dwaze interpretaties van literatuur. Waarbij we eindeloos van de ene verbazing in de andere vallen.

in: De Groene Amsterdammer, juli 2013