CONSUMPTIEBONNEN
- Weet u wie de consumptiebonnen uitdeelt?
- Nee, ik heb ze in ieder geval niet.
- Weet u het misschien?
- Die vrouw daar.
- Waar?
- Daar met die oorbellen.
- Hallo, ik ben Kees ít Hart, heeft u de consumptiebonnen?
- Ja, u heeft er recht op vier, hier zijn ze.
- Dank u wel.

- Ha, Menno, hoeveel consumptiebonnen kreeg jij?
- Zes.
- Jezus, ik kreeg er maar vier.
- Ja, maar ik ken de organisatie goed, mijn zus werkt erbij.
- Ik vind het niet eerlijk.
- Nou dan vraag je er toch twee bij.
- Ja zeg, dat is wel lullig.

- Heb jij nog consumptiebonnen?
- Nee, die van mij zijn op.
- Die van mij ook, ik kreeg er maar vier.
- Ja, ik ook, Menno kreeg er zes.
- Ja, dat hoorde ik.
- Ik hoorde dat de directeur van het cultuurcentrum extra bonnen uitdeelt.
- Is die vrouw met die oorbellen dan niet de directeur?
- Nee, dat is de programmamaakster.
- Oké, dan vraag ik het wel aan hem.

- Hallo, ik ben Kees ít Hart, heeft u nog consumptiebonnen?
- Zijn ze dan al op?
- Ja, ik kreeg er per ongeluk maar vier.
- Iedereen kreeg er toch vier, dat was afgesproken.
- Menno kreeg er zes hoorde ik.
- Oké, hier heeft u er nog vier.
- Nou, dank u wel.

- Hallo Menno, heb jij nog consumptiebonnen?
- Nee, de mijne zijn op, heb jij er nog?
- Ik kreeg er vier bij van de directeur.
- Jezus, heb jij ze erbij gevraagd?
- Nee, ik zei alleen dat er een vergissing was gemaakt.
- Dus dan heb jij er acht gekregen.
- Ja, wil je een biertje?