KLETSPRAAT
- Wanneer is het begonnen, die kletspraat van u?
- Ik weet het niet meer precies dokter, een paar maanden geleden denk ik, misschien had ik te veel columns en cultuurbijlagen gelezen.
- Heeft u de laatste tijd wat meer onder druk gestaan, waren er tijdens het schrijven of thuis nare dingen gebeurd?
- Nee, dat niet, het schrijven gaat goed en thuis ook, we hebben daar niet zoveel tijd voor kletspraat.
- Maar hoe uitte de kletspraat zich dan?
- In het begin was het eigenlijk heel onschuldig dokter, ik zei dat literatuur meer over het echte leven zou moeten gaan, dat schrijvers eens wat meer hun bureaus zouden moeten verlaten.
- Ja, dat valt inderdaad mee, maar vaak begint het wel zo, vooral bij mensen die zeggen dat literatuur over het echte leven moet gaan.
- Ja, precies, dat literatuur een afbeelding is van de politieke werkelijkheid, dat zei ik steeds vaker.
- Dat is toch wel behoorlijk erg, u had het al gelijk flink te pakken.
- Dus er zijn veel meer mensen die aan kletspraat lijden?
- Ach, meneer, het neemt steeds meer toe. De kletspraat is langzamerhand tot in alle lagen van de bevolking doorgedrongen, het begint altijd onschuldig maar voor je het weet neemt de kletspraat het helemaal over. Vertelt u eens, wanneer begon de kletspraat echt onverdraaglijk te worden, ik bedoel dat het niet meer te harden was?
- Nou, dat was een week of zes geleden, ik begon het toen steeds over geëngageerdheid te hebben. Het hield niet meer op.
- Ja, dat is inderdaad erg. Zei u dat literatuur geëngageerder moest zijn?
- Ja dokter, dat zei ik.
- En niemand zei dat dat gelul was?
- Nee dokter.
- Maar wat zei u nog meer?
- Dat literatuur de werkelijkheid verandert, dokter, en dat lezers behoefte hebben aan schrijvers die dat hardop zeggen. Zonder schrijvers verandert er niks.
- O God, het is erger dan ik dacht. U bent inderdaad al in een vergevorderd stadium, gebruikte u echt dat soort woorden?
- Eerst alleen ‘werkelijkheid’ dokter, maar later ook onderdrukking, en dat schrijvers solidair moeten zijn.
- Ja dat is heel erg. Zuster kunt u even komen, deze meneer heeft last van heel vervelende kletspraat. Geeft u hem maar een zetpil, ja neemt u die grote groene maar.
- Maar wat is dat voor zetpil dokter?
- De antikletspraatzetpil, meneer, ja, gaat u maar even voorover staan. Gaat het zuster? Nou gelukkig, die zit. U heeft het dus ook over ‘de’ literatuur neem ik aan? En daarbij praat u ook onverdraaglijk vaak in de wijvorm?
- Ja, dokter, wij moderne lezers hebben behoefte aan solidariteit, dat soort dingen zeg ik steeds, en dat wij de literatuur meer dan ooit nodig hebben.
- Het spijt me erg meneer, maar ik zal u moeten doorsturen, het wordt waarschijnlijk een opname.
- Is het besmettelijk?
- Dat weten wij nog niet zeker, vermoedelijk wel. Zuster, deze gordijnen moeten vandaag nog naar de stomerij. Voor de zekerheid ontsmetten.
- Wat kan ik verder doen?
- Ik geef u eerst nog een AKP-kuurtje mee naar huis in afwachting van de opname.
- Een AKP-kuurtje?
- Ja, een antikletspraatkuurtje.
- Dank u wel dokter.