HET HOOFDDOEKJE
Alina staat om kwart over zeven op, gewone tijd, dat is het beste. Geen bijzondere dingen doen, alles moet normaal lijken. Alles ìs normaal. Eerst naar beneden, moeder een zoen geven, Ibra een knuffel, vader is al weg, alles normaal voor een woensdag, hij heeft vroege dienst. Ze zat een keer in de tram terwijl hij stuurde, ze weet het nog, ze was achterin ingestapt, hij had niks in de gaten. Dochter zit bij vader in de tram, had ze gedacht, niks bijzonders, niks was bijzonder als je erover nadacht.
Ze moet niet zwijgzamer zijn dan anders, dat moet ze zien te voorkomen. Praten maar, babbelen, hoe-het-op-school-is aan Ibra vragen, is de juf aardig, heeft ze die bril nog steeds op, stinkt ze ’s ochtends nog wel eens naar wijn, leest ze vaak voor? Ibra mag geen koffie drinken, hij is pas tien, maar ze weet dat hij het stiekem toch doet, ze maakt zelf wel eens een slap kopje voor hem, ’s middags als moeder nog niet thuis is. Moeder gaat naar boven om zich klaar te maken voor het werk op het stadhuis. Baliemedewerkster burgerzaken heet het officieel, in het reusachtig grote en witte stadhuis van Den Haag. Ze heeft een keer naar haar moeder gekeken terwijl zij daar aan het werk was en niet wist dat zij keek. Geheimzinnig vindt ze het: kijken naar mensen van wie je houdt zonder dat ze weten dat jij kijkt. Het voelt als verraad, maar dan lekker verraad. Soms denkt ze als ze naar iemand kijkt: dit is de eerste keer dat ik naar je kijk, ik heb je bekeken en je wist het niet. Ik heb het onbekende bekeken. Zo denkt ze wel vaker.
Praat ze vanochtend toch te veel? Ibra zegt weinig. Dan hoort ze hem ineens, eerst verstaat ze hem niet. Wat zeg je? Hoe is het met je vriendje, zegt hij. Moeder is nog steeds boven. Ik heb geen vriendje zegt ze, ze spreekt het woord ‘vriendje’ raar uit, net zo raar als Ibra het deed. Alsof het een woord is dat ze voor het eerst hoort. Ibra zegt het woord drie keer achter elkaar ‘vriendje, vriendje, vriendje’ en gaat dan naar boven. Ze is er heel rustig bij gebleven, het is haar vriendje niet, hij is niks van haar, hij is niet van haar, wel iets voor haar, hij is iets voor haar. Hij bestaat voor haar. Ze denkt dit soort dingen zonder te schrikken, zo denkt ze nu eenmaal. Ze hoort Ibra boven zijn kamerdeur dicht slaan, hij gaat televisiekijken, dat doet hij altijd voor hij naar school gaat.

Alina wast af. Haar moeder komt beneden, ze heeft haar hoofddoek om, ze geeft Alina een kus op haar wang. Tot vanavond zegt ze, zul je voorzichtig zijn? Ze heeft haar moeder verteld dat ze na het werk met Lamis meegaat, dat ze bij haar blijft eten en dat ze om negen uur weer thuis zal zijn. Lamis is haar beste vriendin, ze werken allebei bij de Albert Heijn in de Elandstraat. Een XL-Albert Heijn. Alina aan de kassa, Lamis bij de ingangbalie, bij de sigaretten, de klachten en de stomerij. Vader hoeft haar niet op te halen, heeft ze gezegd, het is dan nog licht buiten.
Ze schaamt zich voor haar leugens, haar schaamte is een drukkend gevoel in haar maag. Na de afwas naar boven, hoofddoek omdoen, gezicht in de spiegel bekijken, tanden ontbloten, naar zichzelf blazen als een poesje, psshht, ik laat mijn klauwen zien. Ze zegt het hardop:ik laat mijn klauwen zien. Ze haalt het cadeautje voor Ruben onder haar matras vandaan en stopt het in haar tasje. Een cd van Di-Rect. Dan roept ze Ibra.
‘Ibra, komen, we gaan.’
Ze brengt Ibra altijd naar school en gaat pas dan naar de Elandstraat, alles is te lopen, ze moeten alleen de Koningin Emmakade over. Ze hoort niks, nog een keer roepen. Ze loopt naar zijn kamer en bonst op de deur. Alles gaat zoals het altijd gaat.

Als ze Ibra naar school heeft gebracht, loopt ze niet langs de Albert Heijn. Ze heeft drie weken geleden vrij gevraagd voor vandaag, omdat ze met haar moeder haar grootvader in Ridderkerk wil bezoeken. Waarom ze dat erbij zei weet ze niet, ze hoefde het niet te zeggen, maar ze zei het toch. Ze wilde de leugen uit haar eigen mond horen, daarom. Ze mogen haar vandaag niet zien.

Het is bijna half negen, ze heeft tijd over, ze neemt de tram naar Scheveningen, daar komt ze nooit, niemand kent haar. Als je ergens nooit komt, kent niemand je, denkt ze. Als niemand je kent, ken jij ook niemand. Een en een is twee. Het is nog te vroeg om naar Groningen te gaan, ze heeft naar Ruben ge-smst dat ze om twee uur in het Poortje zal zijn. 14.00 uur.
Als ze de trein van Centraal om 10.08 neemt is ze om 12.52 in Groningen. Tijd genoeg. Ze zegt de tijden hardop: tien uur acht, twaalf uur twee en vijftig. In Groningen moet ze een bus nemen, die doet er hoogstens twintig minuten over.
Ze loopt over de boulevard van Scheveningen, langs de pier. De zee is rustig, grijs, ineens vindt ze de zee onbarmhartig. Of is zij onbarmhartig? Waar heeft ze dit woord voor het eerst gehoord? Het is een mooi woord. Ik ben barmhartig zegt ze zacht. Mijn hart is barm. Barm is mijn hart. Er is bijna niemand op de boulevard, een man met een witte hond, de hond heeft net in zee gezwommen. Niemand kent haar, zij kent niemand.
Dan bedenkt ze dat het beter is een trein eerder te nemen, die van 09.38, dan is ze in ieder geval op tijd. Ze zegt de tijd hardop: acht minuten over half negen. Als je de tijd hardop zegt is het geen tijd meer, denkt ze, dan is het alleen herinnering. Snel rent ze naar de tramhalte.

Ze heeft de trein net gehaald. Ze vond het gek dat ze vijftig cent extra moest betalen omdat ze een kaartje aan het loket kocht. Dat stond er op de computer niet bij. Ze hoeft niet over te stappen. Ze leest een boekje ‘Boekhouden in kleine bedrijven’, geschreven door drs. A Peltman en F. Stinten. Over twee weken doet ze voor de avondschool examen boekhouden en economie, VMBO niveau twee, als ze het haalt mag ze naar niveau een.
Ze weet niet precies waarom Ruben in Het Poortje zit. Ze kent hem van Albert Heijn. Hij kocht altijd precies één appel bij haar, een Jazz appel, vijf en dertig cent. Dat is vijfendertig cent meneer, zei ze de eerste keer. Hij lachte en de volgende dag kwam hij weer terug met een appel. Dat is vijfendertig cent meneer, zei ze. Nu lachte zij ook, ze herinnert zich dat ze lachte zoals ze ook lacht wanneer ze voor de spiegel staat en naar haar gezicht kijkt. En ziet dat ze lacht. Als je jezelf in de spiegel ziet lachen, is lachen anders echt lachen. Ze zag zichzelf lachen toen ze naar Ruben lachte.
Ze zit voor de tweede keer van haar leven in de trein. Drie jaar geleden is ze met vader en moeder naar het trouwfeest van haar neef in Amsterdam geweest, vaders auto was stuk. Ibra was ook mee. Ze heeft op vaders computer uitgezocht hoe laat de treinen vertrekken. Er zijn niet veel mensen in de trein. Ze zit eerst alleen, later komt een oude man tegenover haar zitten, hij leest een boek.
Aan de andere kant van het gangpad zitten twee vrouwen. Een eindje verderop zitten een man en een vrouw, de man heeft zijn armen vol tatoeages, de vrouw is blond en heeft haar arm door de arm van de man gehaakt. Verderop zit een ander echtpaar, tenminste, ze denkt dat het een echtpaar is, ze zitten zoals echtparen bij elkaar zitten. Echtparen, denkt Alina. Mooi woord. Echtparen. Ze gaan echt paren. Echt wel. Zij zijn echte paren.

Ruben is in de fout gegaan, zo heeft hij het een keer genoemd, verder heeft hij er met haar niet over gepraat. Ik moet naar een jeugdtehuis, Het Poortje, ik ben over een half jaar terug, zei hij, kom ik weer een appel bij je kopen. Je moet beloven dat je dan aan dezelfde kassa zit. Ga je dan weer mee fietsen? Ze heeft nooit met hem gefietst. Wel zonder hem. Ruben heeft zachte ogen, hij kijkt haar aan wanneer hij met haar praat. Hij zegt dingen waardoor ze gaat lachen, dingen die niet kunnen, die je zelf zo niet zou bedenken. Ga je mee fietsen? Zullen we gek worden? Mag ik van u een appel Mevrouw? Ik ben uw dienaar. Dat heeft hij ook gezegd. Ik ben uw dienaar. Hij is verlegen en brutaal. Ze moet slikken als ze met hem praat, als ze in bed ligt denkt ze aan hem.

In Zwolle stappen meer mensen in, scholieren denkt ze. Drie gaan bij haar zitten, ze hebben rugzakken bij zich. Ze doet het boekje in haar tas en kijkt naar buiten. Het station is hoog en grijs, ze ziet de donkergroene spanten van de overkapping. Ze heeft nog nooit met iemand over Ruben gepraat, alleen met Lamis. Zou zij iets tegen Ibra gezegd hebben?
Toen Ruben de vijfde keer een appel bij haar kocht heeft ze iets tegen hem gezegd waarom hij moest lachen. Ik verkoop ook peren, zei ze. Dag mevrouw, zei hij, ik kom bij u terug. Soms praat hij deftig, ze heeft hem er naar gevraagd, waarom praat je zo deftig? Iets van vroeger, zei hij, ik was vroeger deftiger dan nu, ik woonde deftiger, ik droomde deftiger. Hij zei het woord ‘deftig’ met een Haags accent. ‘Daftach’. Hoe je deftig moet dromen weet Alina niet. Ze merkt dat ze daarover glimlacht, deftig dromen, dat kan ook, deftig glimlachen, hoe zou dat gaan?
De scholieren merken niks, ze praten hardop over school, leraren, de zinnen golven de ruimte in, het zijn woorden aan elkaar die los van elkaar niks zouden betekenen maar bij elkaar opgeteld een wereld vormen. Ze luistert ernaar, alsof ze ze voorgoed wilt onthouden. Als ik ze opschrijf, zal ik gelukkig worden, denkt ze. Gelukkig worden, ze heeft het haar moeder vorige week horen zeggen tegen haar vader, kinderen willen niet gelukkig worden, zei ze, waarom weet ze niet meer.
Ze luistert voorzichtig naar de zinnen van de scholieren die dwars door elkaar lopen: ‘toen pas kwam hij binnen met de inktjet, toen pas…’, ‘zij heeft te dikke kleren aan’, ‘en morgen blijf ik thuis’, ‘oe oe, kiek doar,’ ‘kan er niks aan doen laat op te staan’, ‘zolang ik het weet kan ik er niet mee doorgaan’, ‘hij heeft er eentje aan, gekregen van Step’, ‘maar wie dan wel, wie dan wel, wie dan wel…’, ‘ook zomers dan’, ‘hoog boven de wolken zag ik vogels’, ‘en ze zei er niks van, ze had er al een’.
Ze doezelt wat in, schrikt op omdat haar o6 begint te zoemen. Een sms van Lamis. ‘Hallo slet, ben jdr al.’ Ze glimlacht erom. Lamis en zij doen af en toe alsof ze sletten zijn. Bij Lamis thuis: hoge hakken aan van de moeder van Lamis, rokje tot boven de knie, lippenstift dat Lamis een keer gekocht heeft. Lachen! Ze sms’t terug.
‘Bijna’.

Ze zit al ruim twee uur in de trein. Zal ze nu haar hoofddoekje af doen? Nee, nu nog niet. Ze bedenkt om het in het toilet af te doen, voor de trein in Groningen aankomt. Het is beter wanneer ze in Het Poortje geen hoofddoekje draagt. Het is nu nog te vroeg, iedereen zou nu weten dat ze het afgedaan heeft. De man met de getatoeëerde armen en de vrouw verderop hebben haar vast ook gezien. Het is beter te wachten tot vlakbij Groningen, maar ze weet niet meer hoe laat ze precies in Groningen aankomt. Misschien weten de scholieren het, ze zien er goedmoedig uit, barmhartig, denkt ze ineens. Zij zijn barmhartig en ik ben barmhartig.
Of moet ze haar hoofddoek gewoon omhouden? Ruben maakt het niets uit. En er is maar een kleine kans dat de pleegouders van Ruben juist vandaag bij hem op bezoek zijn. Misschien vinden ze een hoofddoek ook helemaal niet erg, maar ze wil het risico niet lopen. Ruben heeft er niks over gezegd toen hij haar een paar dagen geleden met zijn 06 belde. ‘Hallo, dit is Ruben’, zei hij, ‘ik ben Ruben.’ Alsof ze dat niet wist. Ze had moeten lachen. En aan zijn mond denken, tegelijk lachen en aan zijn mond denken.
Ze hebben al een paar keer gezoend. Zoals sletten zoenen moet je zoenen, met alles erop en eraan, had Lamis gezegd, sletten zoenen namelijk met hun tong. Sletten zoenen namelijk, had zij gedacht. Ruben had voorzichtig gezoend, met getuite lippen op haar mond. Ze hadden gewandeld, jullie hebben gelopen, had Lamis gezegd, in de paleistuin, vlakbij de Albert Heijn. En een keer in het Scheveningse Bos, veel verder weg, daar was ze met de fiets heen gereden. Met kloppend hart, nu wist ze wat een kloppend hart was, ik heb een kloppend hart had ze tegen Ruben gezegd.
Ze had pijn aan haar voeten gekregen, knellende schoenen, Ruben had haar hand gepakt. Hij had haar verteld dat hij in de fout was gegaan. Heel erg in de fout. Wat hij had gedaan, zei hij niet. Ze hadden bij elkaar gezeten zoals vogels bij elkaar op een tak zitten. Ik ben een vogel, had ze gedacht.

De trein staat stil in station Assen, de scholieren zitten nog steeds bij haar, ze praten niet meer. Ze ziet op een klok dat het bijna twaalf uur is. Hoe ver ligt Assen van Groningen? Ze is veel te vroeg. Het meisje tegenover haar begint in slaap te vallen, lijkt het. Ze heeft lichtbruin haar, een beetje rossig is het, er zitten sproeten op haar neus, ze heeft niet erg meegedaan met de gesprekken. Meisjes met hoofddoeken vragen niks aan meisjes zonder hoofddoeken. Ineens kijkt het meisje naar haar, Alina kijkt naar het perron waar een vrouw een zware koffer op wieltjes voort trekt.
‘Moet je in Groningen zijn?’, vraagt het meisje.
Alina bloost alsof ze is betrapt op iets wat ze nog niet weet dat je erop betrapt kunt worden.
‘Ja,’ zegt ze. Ze wacht even en zegt dan:
‘Hoever is het nog?’
‘Een kwartier,’ zegt het meisje.
De trein begint te rijden, Alina ziet de vrouw met de koffer voorbij schuiven.
‘Ga je familie bezoeken?’, zegt het meisje.
Ze is onbehoorlijk nieuwsgierig maar het kan Alina niet schelen.
‘Mijn broer,’ zegt ze, ‘hij woont aan de Hoogeweg. Hij studeert in Groningen.’
Het Poortje ligt aan de Hoogeweg. Nu mag ze niks meer zeggen, anders gaat het bonzen in haar hoofd niet over.
‘Ik ga naar huis,’ zegt het meisje.
Niemand heeft naar hun gesprek geluisterd. Ze heeft nog een kwartier de tijd. Nu nog maar tien minuten, af en toe kijkt Alina stiekem op haar horloge hoe lang het nog duurt. Dan kijkt ze weer naar buiten, er ligt een steen op haar maag.
Ze rijden door weilanden, af en toe razen ze langs het smalle perron van een dorp. Ze zoemt in haar hoofd het gededoem dedoem dedoem dedoem van de trein mee. Geluiden van nabijheid, als je geluiden hoort, leef je. De doem dedoem dedoem. Plotseling het gesuis en geratel van een trein die de andere kant op gaat. Het lijkt even te stormen. Als het nog vier minuten duurt voor ze in Groningen zijn, staat ze op, ze knikt naar het meisje. Ze ziet een pijltje op de wand van de trein staan. WC.

In Groningen waait het hard, ze voelt haar haren rond haar hoofd wapperen, iedereen ziet het, denkt ze. Het hoofddoekje zit in haar tas. Ze koopt bij een kiosk een reep chocola. Ze heeft het hoofddoekje in de wc afgedaan en is niet naar haar plaats terug gegaan. Ze wachtte op het balkon van de trein tot ze in Groningen waren. Het meisje zag ze niet meer, wel de man met de getatoeëerde armen. Zijn vrouw liep dicht bij hem. Ze keken naar haar.
Ze moet bus 3 of 13 hebben, ze is vergeten waar ze uit moet stappen, haalt het briefje uit haar tasje, ze heeft het op de computer van haar vader opgezocht: ‘halte Edelsteenlaan/Goudlaan.’
Ze is veel te vroeg, het is half een, ze loopt eerst wat rond over het stationsplein, gaat dan terug het station in en vervolgens weer naar het stationsplein. Niemand ziet dat ze geen hoofddoekje draagt.
Ze koopt een blikje cola. Ruben weet dat ze komt. Ze kijkt of de cd nog in haar tasje zit. Dan loopt ze langzaam naar de bus, het is nog lang geen tijd maar als ze op het perron blijft staan valt ze te veel op. Ze gaat op een bankje zitten en wacht. Ze doet een spelletje dat ze altijd doet wanneer ze moet wachten: dingen andere woorden geven. Een tas noemt ze banaan, een man noemt ze vrouw, bij een baard denkt ze een krant. Ze denkt bij huis kaneelstok, bij tasje plakband, bij boek bloemetje, bij steen geluid, bij overkapping horloge. De woorden mogen niks met elkaar te maken hebben. Ze is zo in haar spel verzonken dat ze bijna de bus van half twee mist.
Ze wil met haar OV-kaart betalen, maar dat kan in Groningen nog niet. De computerkastjes doen het nog niet. Ze schrikt. Niks erg zegt de chauffeur, dan hadden ze maar moeten zorgen dat het werkte, stapt u maar in Mevrouw, u mag gewoon voor niks mee. Ze vraagt of hij haar bij de goede halte wil waarschuwen. Halte Edelsteenlaan/Goudlaan, ze zegt het in een keer goed.
‘Uw wens is mijn bevel,’ zegt de man. Ze moet erom glimlachen.

Het Poortje ziet er anders uit dan ze gedacht had. Een groot en somber gebouw had ze gedacht, met een statige poort. Maar het ziet er niet uit als een gevangenis. Lage moderne gebouwen, geen strenge poort, gewoon een ingang waar ze zich moet melden bij een receptioniste. Nu komt het moeilijkste deel van haar bezoek, ze moet weer liegen. Ze heeft zich vorige week voor dit bezoek opgegeven, haar naam, adres, en leeftijd. Over dat laatste heeft ze gelogen, zestienjarigen mogen alleen onder begeleiding een bezoek brengen. Ze heeft gezegd dat ze achttien is.
De vrouw kijkt op een lijst met namen, ze ziet haar naam en dan vraagt ze naar haar identificatie. Alina zegt dat ze die per ongeluk heeft vergeten, ze probeert er als een achttienjarige uit te zien. Dit is een probleem, de vrouw begint te bellen, Alina hoort de naam Ruben van der Meer. Het gesprek duurt niet erg lang. Ze moet even wachten, iemand zal haar komen halen. Alina zegt dat ze helemaal uit Den Haag is gekomen. Even later komt een lange man met een spitse neus uit een deur achter de receptioniste, hij loopt naar Alina en geeft haar een hand.
‘Kom maar mee,’ zegt hij. Zo streng is het hier blijkbaar niet.
Ze loopt achter hem aan en even later staan ze voor een grijze gesloten deur. De man haalt een kaartje door een gleuf rechts van de deurknop en tikt cijfers in op een display. De deur klikt open.
‘We gaan naar de vlaggenhal’, zegt de man, ‘zo noemen we de bezoekhal hier. Ben je al eens eerder geweest?’
Hij kijkt glimlachend naar haar, ze heeft het gevoel dat hij precies weet hoe oud ze is.
‘Nog nooit,’ zegt ze.
‘Ruben’s ouders zijn er ook,’ zegt hij.
Ze schrikt, wil omkeren, maar hij loopt verder, ze moet niks laten merken en dus loopt ze gewoon achter hem aan.

Ze gaan een grote zaal in, een ronde zaal, tegen de wanden hangen vlaggen. Ze ziet overal tafels en stoelen, overal zitten en staan mensen. Er is een biljart, een tafeltennistafel, tegen de wanden hangen tekeningen, gezoem van stemmen klinkt overal vandaan. Dit lijkt niet op een gevangenis.
Ruben heeft haar nooit iets over Het Poortje verteld, heel af en toe sms’t hij haar op haar werk, alleen op haar werk, meer wil ze niet. ‘Kusje,’ staat er dan. Of ‘k zt op sch’. Wat betekent dat hij op school zit. En een paar dagen later staat er ‘soentje’. Hij weet best dat je het anders schrijft, maar ‘soentje’ is mooier dan ‘zoentje’.
Ze moet wennen aan de ruimte en het lawaai. De man met de spitse neus wijst rechts naar de achterkant. Hij zegt iets, maar ze verstaat het niet. Daar is Ruben, denkt ze.
Ze weet zeker dat iedereen naar haar kijkt wanneer ze door de zaal loopt, maar niemand kijkt. Achter haar hoort ze gelach, ze lachen om mij denkt ze, maar niemand lacht om haar. Ze ziet Ruben niet, ze wil al omdraaien, wat doet ze hier, iedereen hier is in de fout gegaan, zij ook, ze wil huilen, ze wil naar huis.
Maar dan ziet ze Ruben. Hij ziet haar ook. Hij staat op, hij zat met een man en een vrouw te praten, ze zitten half verborgen achter een plant. Hij komt op haar af, ze ziet hem lachen.
‘Alina,’ zegt hij, ze hoort het niet maar ze ziet wel dat hij het zegt.
Dan staat hij bij haar en kust haar twee keer. Ze heeft tranen in haar ogen, ze geeft hem een hand, wat ze ineens heel erg gek vindt en het is natuurlijk ook gek.
‘Daag,’ zegt ze.
Ze loopt met hem mee naar hun tafeltje.
‘Dit zijn mijn pleegouders,’ zegt Ruben.
Pas nu ziet Alina dat het de mensen uit de trein zijn, de man met de getatoeëerde armen en zijn vrouw. Ze houdt haar adem in, als ze maar niks over mijn hoofddoekje zeggen, denkt ze. Ze denkt het zo scherp als het maar kan. Ze hebben me met en zonder hoofddoekje gezien, denkt ze. Ze hebben me twee keer gezien, ik ben een bekende.
Ze geeft ze een hand, de twee mensen knikken lachend naar haar.
‘Fijn dat we je een keer zien,’ zegt de man, ‘Ruben heeft veel over je verteld.’
De vrouw knijpt haar zachtjes in haar arm.
‘Waarom doe je je hoofddoekje niet gewoon om,’ zegt ze, ‘we vinden het niet erg hoor.’